Die

In de trein zitten twee dames tegenover elkaar -net hun tienerjaren ontgroeid, en druk in gesprek. Een van hen drinkt koffie uit een thermosbeker. Het lijkt op een kinderbeker met een deksel en drinktuit. Ze neemt een flinke teug uit de beker en spoelt de koffie eerst door haar mond voordat ze de slok koffie wegwerkt. Ze trekt er ook een raar gezicht bij. Ze is al een echte jongedame, en toch nog een beetje een klein kind.

Ik heb geen zicht op de andere jongedame, maar ik kan haar wel horen praten. Ze probeert haar gesprekspartner met de thermosbeker te overreden dat het Nederlandse woord die een negatief woord is. Niet 100% negatief, maar wanneer het woord die als een bijvoeglijk voornaamwoord wordt gebruikt, in plaats van een aanwijzend voornaamwoord, dan heeft het volgens haar vaak een negatieve lading. Ze vertelt de andere vrouw er eens op te letten.

Wanneer mensen over een persoon praten en het woord die wordt voor de naam geplaatst, dan heeft men vaak geen hoge pet op van de persoon. Ze vertelt over een ex-manager die op het werk was vertrokken. De persoon in kwestie werd door anderen die Manager genoemd. Door het toevoegen van het woord die voor de naam, wist ze dat de persoon niet helemaal in gelukkige toestand bij het bedrijf was vertrokken.

De koffie spoelende jongedame zegt dat ze zichzelf er soms op betrapt dat ze ook ik wel eens het woord die gebruikt in negatieve zin. Zo wordt ze hartstikke moe van al die mensen met een mening over haar vriendje. Ikzelf denk er ook even over na. Men zegt nooit dat ze dolblij van die mensen worden. Het woord die wordt dan dikwijls vervangen door het woord deze. Van een bijvoeglijk naamwoord, weer terug naar het aanwijzend voornaamwoord.

Omweg

Donderdagmiddag. Met een omweg ga ik met de trein, op huis aan.  Niet geheel vrijwillig, want dankzij de vertraging van een bus in Nieuwegein heb ik op Utrecht Centraal mijn gebruikelijke, vaste trein gemist. Op het station trek ik nog een sprintje, waarbij andere reizigers gehaast aan de kant moeten springen, maar helaas rijdt de trein vlak voor mijn neus weg. In gedachten zie ik de mensen gniffelen om mijn pech.
Ik besluit een trein op een ander perron te nemen. Deze belooft mij met een kleine omweg naar mijn woonplaats te brengen. Gezien alle andere reizigers bezit hebben genomen van de zitplaatsen blijf ik op het balkon zitten op een uitklapzitje. Na een minuut komt de trein in beweging. Tegenover mij zit een oude man, iets ouder dan ik. Hij kijkt me even vluchtig aan, staart vervolgens een beetje afwezig naar buiten en buigt zich lichtjes naar voren, naar mij toe.
‘Is dit de trein naar Amsterdam Centraal?’, vraagt de man.
‘Jazeker. De trein stopt eerst nog in Amsterdam Zuid en Amsterdam Sloterdijk en daarna op Amsterdam Centraal.’ informeer ik de man.
‘Da’s mooi.’ zegt hij opgelucht.
Ik knik en met een vriendelijke glimlach op mijn gezicht kijk ik weer naar buiten waar het landschap met een toepasselijke sneltreinvaart aan mij voorbij gaat.
Ik voel dat de man een gesprek wilt beginnen, maar eerlijk gezegd heb ik daar even geen zin in. De vertraging, het sprintje op het station en de teleurstelling, maken me niet de vriendelijkste persoon. Op een onverwacht ogenblik en om een voor mij onduidelijke reden vraag ik toch of hij iets leuks gaat doen. Vervolgens begint de man te vertellen over een bezoek die hij aan zijn kleindochter in Utrecht heeft gebracht. Dat hij van de dag en het bezoek heeft genoten, maar dat hij Utrecht toch een vreemde stad vind. Als een rasechte Amsterdammer kan hij nooit aarden in de Domstad. Hij is liever alleen in zijn flatje in Amsterdam, dan dat hij is omringt door mensen in een andere stad.
De man zit op de figuurlijke praatstoel en vertelt me over zijn familie en de andere mensen in zijn leven. Hij weet dat ze er zijn, maar hij ziet en spreekt ze bijna nooit. De achterstand in het converseren heeft hij tijdens deze rit aardig weten te compenseren. De tijd vliegt voorbij en voordat ik het door heb, staat de trein stil op station Amsterdam Zuid, waar ik moet overstappen voor de trein naar Almere. Met een ‘goedenavond’ laat ik de man in de trein achter.

Eurovisionair

Deze week wordt het Eurovisie Songfestival voor de 61e keer georganiseerd. Gisteravond konden we beleven hoe Douwe Bob zich naar de finale zong met Slow Down. Sinds mei 1956 is het circus dat Eurovisie Songfestival heet, tegenwoordig nog grotesker geworden. Na jaren van rare, gekke en opvallende vertoningen, is het sinds 2004 dat er in een week 3 avonden zijn waarin deelnemende landen meedoen. Ook Australië is dit jaar weer van de partij. Waar het vorig jaar eenmalig mee mocht doen, doet het continent morgenavond gewoon mee in de tweede halve finale. Een reden hiervoor is niet gegeven. Dus onder het mom van the more, the merrier, doen nu niet alleen Europese landen mee.

Het circus verliest steeds minder het Europees tintje. Waar het in 1958 in 7 landen werd uitgezonden, zal dit jaar voor het eerst in de geschiedenis van het Eurovisie songfestival de grote finale in de Verenigde Staten van Amerika live uitgezonden worden. Mede dankzij dit gegeven geeft wereldster Justin Timberlake een optreden tijdens de finale op zaterdagavond (vanzelfsprekend ook ter promotie van zijn nieuwe single). Wat mij betreft mag het Eurovisie Songfestival de komende jaren alleen maar groter worden, waarbij het uiteindelijk een wereldwijd evenement wordt. Don’t slow down..!

Tussenstop

Je leest er wel eens over. Over de mensen die levenloos worden aangetroffen. Vaak worden deze mensen gevonden door hardlopers die tijdens hun hardlooprondje op zo’n dood persoon stuiten. Ik heb nooit de morbide gedachten gehad om zo een situatie mee te willen maken. Stel je toch voor.

Je ziet de honduitlatende personen al naar het Lumièrestrand in Filmwijk loeren. Alsof ze iets zien, maar niet zeker zijn over wat ze zien. Of niet durven te gaan kijken. Ikzelf denk nog: ik loop er straks sowieso langs. Ik zie het dan wel,. Wanneer ik linksaf sla, het strandje op, zie ik in het midden van het strandje een stapeltje kleding liggen, en wanneer ik dichterbij kom blijkt het een persoon te zijn, met de capuchon over het hoofd.

Ik loop al roepend naar de persoon, maar krijg geen reactie. Wanneer ik er naast sta, zie ik dat het een man is, tussen de 30 en 40 jaar. Misschien dat hij jonger is, maar de donkere baard oogt hem ouder. Met luide stem vraag ik hem of alles oké is, maar weer geen reactie. Ik schop lichtjes tegen zijn schoen. Nog steeds geen reactie. Ik schop nogmaals. Iets harder nu. De man geeft een reflex. Hij leeft.

Met een duim omhoog laat ik de mensen op afstand weten dat de persoon oké is. Ik besluit mijn laatste kilometers te lopen. Ik voel me er toch niet lekker bij en besluit tóch de politie te bellen. Ik kan niet wennen aan het idee dat het toch niet in orde is, en dat ik dan ben doorgelopen. Ik bel het algemeen nummer, doe mijn verhaal en binnen een minuut ben ik doorgeschakeld naar de meldkamer in Almere.

Ik sta intussen weer op het strandje. Onderweg heb ik het verhaal nog eens verteld en bij de slapende man aangekomen geef ik zijn signalement door en omschrijf de plek waar hij ligt. De politie is, volgens de agent in de meldkamer, onderweg. Op mijn vraag of ik moet blijven wachten antwoordt deze dat dit niet nodig is. Ze hebben mijn gegevens. Ik geef aan de omstanders door dat de politie onderweg is.

Inmiddels is er een oudere hardloopster naast me komen staan en kwalificeert zichzelf als toezichthouder. Ik vind het prima. Ze weet me te vertellen dat de man slaapt. Ik kijk haar aan en ben enigszins verbaasd over het feit dat Miss Marple tegenwoordig in Almere woont. Ik vertel haar dat ze niet hoeft te wachten, maar dat ze dit zeker mag doen. Ik loop de laatste 2 kilometer richting huis. In best nog wel een mooie tijd, ondanks de kleine opschorting.

 

Dodenherdenking

Ik had laatst mijn moeder aan de telefoon en ineens kwam ze met de mededeling dat ze met dodenherdenking het liefst alleen wil zijn. Zo out of the blue. Ze heeft voor vanavond geen behoefte aan mensen over de vloer. Mijn moeder woont zelfstandig. Ze heeft thuiszorg en mijn 2 zussen delen dezelfde vier cijfers van haar postcode, dus ze wonen vlakbij. Veel mensen zal mijn moeder vanavond rond de klok van 8 uur niet voor de deur hebben staan, maar ze wilde toch even kwijt dat ze vanavond alleen wil zijn.

Ze vertelt me over haar oudere broer die nooit is teruggekomen uit de Tweede Wereldoorlog. Alles wat ze weet is dat hij op oudejaarsavond van 1944 op 20-jarige leeftijd is overleden in het concentratiekamp te Neuengamme. Het was de eerste keer dat ze haar vader, mijn opa, heeft zien huilen. Ze weet mij, met dezelfde overtuiging als vroeger, te melden dat mijn opa de dag nadat hij het nieuws mocht vernemen met grijze haren is wakker geworden. Je maakt mijn moeder niet meer wijs dat persoonlijke stress geen invloed heeft op het lichamelijke omhulsel.

Ik ken het verhaal van de in de oorlog gestorven oom al sinds mijn kinderjaren. Net als de andere verhalen die mijn ouders zelf als kinderen hebben meegemaakt. Verhalen over mijn moeder die met een zus tijdens de winter door de sneeuw op de fiets met touwbanden een kleine 30 kilometer moest afleggen voor melk, en mijn vader die door zijn brutaliteit (door op de daken te lopen) door de nazi’s werd beschoten. Het zijn gebeurtenissen uit de jeugd van mijn ouders. Zo zijn er natuurlijk meer verhalen die zijn verteld zijn en nog steeds worden gedeeld.

Vanavond ben ik, ondanks alle ellende die nog steeds in de wereld gebeurt, wél 2 minuten stil. Ik herdenk alle oorlogsslachtoffers. Ook zal ik even aan mijn moeder denken, voor wie net als iedereen de oorlog lang geleden is, maar nog wel altijd aanwezig. Via de website van de Stichting Vriendenkring Neuengamme kreeg ik meer informatie over de laatste maanden van mijn oom Sjouke. Het is mogelijk om op de website achtergrondinformatie over de gevangen van het concentratiekamp in te voeren. Gelukkig zie ik mijn moeder aanstaande zondag weer. Op Moederdag. Ik wil informatie over mijn oom op zijn pagina delen, zodat ook hij nooit vergeten zal worden.

 

Gedachtenloos

    ‘Waar denk je aan?’
    ‘Nergens aan.’
    ‘Nah, dat kan niet. Iedereen denkt wel aan iets.’
    ‘Hoezo? Ik zit gewoon even nergens aan te denken.’
    ‘Maar je bent zo stil.’
    ‘Dus..?’
    ‘Dan moet je toch wel ergens aan denken? Ik kan me niet voorstellen dat je zo lang nergens aan kunt denken.’
    ‘Toch is het zo.’
    ‘Echt? Ik kan dat niet. Ik denk áltijd wel aan iets.’
    ‘Aan wat dan?’
    ‘Aan bijvoorbeeld de boodschappen die ik nog in huis moet halen, of aan Beyoncé die haar laatste album, Lemonade, alleen via Tidal liet streamen. Alleen omdat die app van haar man Jay Z is.’
    ‘Heeft Beyoncé een nieuw album uitgebracht?’
    ‘Hallo..! Onder welke steen heb jij gezeten, de laatste dagen?’
    ‘Onder geen enkele. Maar het nieuws van Beyoncé’s laatste album is gewoon even aan mij voorbij gegaan.’
    ‘Ja, dat zal wel. Als je beweert dat je ook al nergens aan kunt denken, dan gaat er veel aan je voorbij.’
    ‘Ik vind het wel lekker rustig zo.’
    ‘Ik wou dat ik dat kon. Nergens aan denken.’
    ‘Probeer het eens. Misschien gaat er een wereld voor je open.’
    ‘Nah, da’s niets voor mij. Nergens aan denken kan ik nog altijd na mijn dood, tot in de eeuwigheid doen.’

Familiebezoek

Vandaag ben ik voor een verjaardagsfeestje in Den Helder. Mijn moeder hoopt binnenkort de fortuinlijke leeftijd van 85 jaar te behalen, en dat is op z’n minst wel een feestje waard. Vroeger, een paar eeuwen geleden werden de mensen niet oud, en wanneer je de nieuwsberichten van de afgelopen maanden leest, weet je dat ook tegenwoordig niet ieder mens nog in de gelegenheid wordt gesteld om oud te worden. Maar dat terzijde. Vandaag reizen we af naar Den Helder.

Ik was een paar weken geleden nog in mijn geboorteplaats. Om er een halve marathon te lopen. Ja, een mens mag een hobby hebben. Ik geniet er wel van om in Den Helder te zijn. Niet zozeer om de stad zelf. Het ligt ver van de bewoonde wereld. Of in ieder geval ver van een autosnelweg. Afgelegen. De meeste mensen kennen de stad alleen als doortocht naar Texel, en daarmee kom je niet per se op de mooiste plekken van deze stad. Wat Den Helder voor mij zo bijzonder maakt zijn herinneringen.

Ik ben in Den Helder opgegroeid en heb er tot mijn tweeëndertigste levensjaar gewoond. Er zijn genoeg herinneringen gecreëerd die doorgaans verborgen blijven en enkel wanneer je in de stad aanwezig bent naar boven komen. Zo had ik tijdens die halve marathon na 4 kilometer ineens de herinnering uit de jaren tachtig, van het stiekem sigaretten kopen bij het tankstation aan de Ravelijnweg, en dat alleen omdat ik er hardlopend langsliep. Ik rook niet meer, dus denk niet zo vaak meer aan het aanschaffen van sigaretten.

Vandaag zal ik niet veel van Den Helder zien, want we gaan naar een verjaardagsfeestje dat bij familie wordt gevierd. Dan blijf je op een locatie. Zolang het gezellig is. Veel verborgen herinneringen zullen vandaag verborgen blijven. Ik zal niet op de fiets langs mijn oude route naar school fietsen en daarmee zullen er niet plots jeugdherinneringen naar boven komen. Daarentegen ben ik wel bij familie en met familieleden heb je vaak dat er voldoende herinneringen gedeeld worden. Het wordt een nostalgische zaterdag.

Bestemming

Maandagochtend en in de hal van het station Almere Centrum is er al enige consternatie bij enkele reizigers. Ik hoor de woorden: “gaat niet verder dan Hilversum”, uit de mond van een vrouw met een rood gezicht, waarvan de losse plukjes haar in het gezicht hangen. Het lijkt alsof ze het afgelopen half uur heeft gerend, maar ze is niet bezweet. Het is haar uiterlijk. Haar reisgenoten kijken haar teleurgesteld en verder nietszeggend aan.

Misplaatst denk ik dat het vanzelfsprekend dagje-uit-mensen zijn, waarbij elke treinreis een avontuur is. Op het perron zie ik op het bord vermeld staan dat mijn trein naar Utrecht over 4 minuten zal vertrekken, maar eenmaal in de trein vertelt de stem van de conducteur, via de intercom, mij en mijn medereizigers dat door een botsing met een persoon de trein niet verder dan Hilversum zal afreizen.

Het idee dat een paar mensen het verschrikkelijke nieuws over het noodlottig ongeluk van een familielid, een goede vriend of de liefde van hun leven krijgen te horen, vind ik vreselijk. Dan ben ik toch liever een half uur later op mijn bestemming, dan dat ik een bericht krijg over de definitieve eindebestemming van een persoon die me na staat. Ik prijs mezelf gelukkig met deze vertraging in vergelijking tot de mensen die deze dag minder fortuinlijk zijn. De zin “Tel je zegeningen” blijkt wederom geen loze tegeltekst.

trein

Mise-en-Place

Op het station van Hilversum stapt een jongen van rond de 20 jaar in de trein. Druk in gesprek met een voor mij onzichtbare gesprekspartner. Ik blijf naar mijn e-reader kijken, maar luister met een half oor mee. Enthousiast vertelt hij in het microfoontje in een van de witte snoertjes wat hem vandaag is overkomen. Hij heeft deze middag een vertrouwenscursus gehad.
De kandidaten op deze cursus moesten zich met het vertrouwen in de medecursisten achterover in de armen van de anderen laten vallen. Hij vond het fokking vet, en hij vertelt enthousiast verder over de andere geleerde handelingen op cursus.
Om te weten of de voor mij onzichtbare gesprekspartner wel oplet, beëindigd hij elke zin met de 3 woorden: ‘weet je wel?’. Ik weet het inmiddels ook. Een hoog aanhoudend gepiep schelt uit zijn oordopjes. Voor hem klinkt het duidelijk nogal oorverdovend en geschrokken roept hij wat de fokking hel aan de hand is. Ik verneem uit het gesprek dat het de kookplaat van het fornuis van de voor mij onzichtbare gesprekspartner is.
De knul in de coupé geeft hem het advies om bij het koken alles goed voor te bereiden. ‘Je moet zorgen voor een goede mise-en-place’, zegt hij wijs. Hij spreekt het met een Almeers accent uit. Als Missanplas. Het gesprek loopt ten einde. De spreker aan de andere kant van de verbinding heeft geen zin meer om te praten.
Er klinkt nu luide beatmuziek uit de oortjes. Wat voor muziek het precies is weet ik niet. Ik hoor zware beats, maar een man van mijn leeftijd kan er niet op dansen zonder er verdacht van te worden epileptisch te zijn. Verveeld draai ik mijn gezicht naar het raam.
Het zicht is niet helder. Een vette afdruk van het voorhoofd van de persoon die voor mij op deze plek in de trein heeft gezeten ontneemt me een helder uitzicht, en we rijden het station van Almere Centrum in.20160415

Forensen

Het leven als een forens is niet meer onbekend voor mij. Sinds een week doe ik -op het tijdstip waar ik voorheen het dekbed opensloeg om op te staan- de voordeur open om het huiselijke te verlaten en naar het station in het centrum van Almere te lopen.

Na 10 minuten lopen sta ik al op het perron van Almere Centrum, waar al snel de trein aankomt om mij in 40 minuten naar Utrecht Centraal te brengen. Onderweg zitten de mensen slaperig naar het scherm van hun mobiele telefoon te staren. Een enkeling kijkt om zich heen. Zo ook de mevrouw die schuin tegenover me in de sprinter zit. Ze kijkt boos om zich heen. Alsof wij de oorzaak zijn van dat zij vanmorgen zo vroeg uit bed moest.

Bij Hilversum wordt de trein echt vol. Niet zo erg als het varkenstransport op de wegen, maar iedereen staat flink in elkaars aura. Vanaf mijn zitplaats heb ik het uitzicht op benen. Veel benen. Benen gestoken in spijkerbroeken of pantalons, en sommige vrouwenbenen laten zich zien vanonder een rok, jurk of lange jas. Mijn ogen zakken af naar de schoenen van mijn medereizigers. Geen enkel paar is hetzelfde. Dat moment bedenk ik dat de keuze die we in schoenen hebben talrijk is.

Veel voeten zijn gestoken in gymschoenen. Sommige sportschoenen zijn nieuw, maar veel gympies zien er afgetrapt uit. Ook zijn er in de trein veel voeten in lederen schoenen verstopt. Zwarte schoenen, bruine schoenen, en een uitzonderlijk wit lederen paar. Het aantal écht nette schoenen is opmerkelijk gering. Veel schoenen zijn niet gepoetst en zien er gehavend uit. Mannen in pak zien er ineens toch minder gelikt uit met schoenen waarvan de neuzen kaal en de schoenzolen afgesleten zijn.

Het is een paar minuten voor acht wanneer ik bij de bushalte Jaarbeurszijde in de lijnbus stap die mij naar Nieuwegein zal brengen. Ook hier zie ik forensen met afgetrapte sportschoenen en kapotte schoenen de bus instappen. Ik vind het een beetje jammer. Schoenen blijken tegenwoordig een ondergeschoven kindje te zijn.

img_8334

Fermiparadox

In navolging van het blogbericht van gisteren, betreffende de fermiparadox, wil ik graag ingaan op de vele mogelijke oplossingen voor deze paradox. Deze oplossingen vallen onder vier hoofdcategorieën, welke ik hier nogmaals zal benoemen:

Buitenaards leven bestaat niet en wij zijn alleen in de kosmos.

  • De aarde is uniek en is de enige planeet in het universum die levende wezens herbergt. Het is ondanks decennialang onderzoek en speculatie nog steeds niet duidelijk hoe uit levenloze stoffen vanzelf leven kan ontstaan. Misschien moeten er zoveel afzonderlijke factoren samenkomen dat het bijna onmogelijk is dat er spontaan leven kan ontstaan. Mogelijk is de aarde de enige plek in de geschiedenis, waar zich daadwerkelijk ooit leven heeft ontwikkeld.

Buitenaards leven bestaat, maar heeft tot op heden nooit contact gelegd met de aarde.

  • Intelligent leven is extreem zeldzaam of wij zijn zelfs het enige of het verst ontwikkelde bewuste leven in het heelal. Het vanzelf ontstaan van leven is uiterst zeldzaam en de ontwikkeling naar intelligente wezens verloopt zeer traag. Intelligent leven bestaat wel, maar is, net zoals wij, nog niet ver genoeg ontwikkeld om andere planeten te bereiken. Het heelal bestaat te kort voor de ontwikkeling van zulk intelligent leven.
  • Ander intelligent leven begeeft zich in andere dimensies. De snaartheorie gaat ervan uit dat op zeer kleine schaal de ruimte niet vier-, maar tien-, of zelfs elfdimensionaal is. De zes extra dimensies zijn opgerold, en daardoor niet waarneembaar.
  • Er is in het universum iets of iemand aanwezig die intelligent leven opspoort en vervolgens uitroeit als ‘ongedierte’. Alle beschavingen die eventueel in het verleden contact hadden kunnen leggen met de aarde zijn hier aan ten prooi gevallen. Om de een of andere reden is de aarde nog niet opgespoord en is daarom tot op heden nog niet ‘gesteriliseerd’ of is zij nog niet ver genoeg in haar ontwikkeling om de moeite waard te zijn om te worden uitgeroeid.

Buitenaards leven heeft in het verleden of het heden contact gelegd met de aarde.

  • Intelligente buitenaardsen hadden in het (verre) verleden contact met ons maar nu (waarschijnlijk) niet meer. Deze contacten waren zo indrukwekkend voor de toenmalige mensen dat ze hen als goden beschouwden en veel mythen en godsdiensten zijn hierop terug te voeren. Wellicht hebben deze goden de vroege mens ook op het spoor van de beschaving gezet en/of hen daarmee geholpen als leraren.
  • Intelligent leven vermijdt uit eigen beweging elk contact met ons. Om onbekende redenen of wellicht uit angst voor besmetting met het een of ander. De mens is egoïstisch, en tenslotte niet een van de meest vriendelijkste soorten.

Buitenaards leven is bewust van ons, maar heeft geen interesse of wilt geen contact.

  • Buitenaardse intelligentie is allang gearriveerd op Aarde maar om voor ons onbekende redenen kiest het ervoor zich niet openbaar te vertonen. Hun extreem geavanceerde technologie, die het mogelijk maakt om ons te bereiken, maakt het voor hen ook mogelijk om zich onzichtbaar voor ons over de Aarde te bewegen.
  • De dierentuinhypothese stelt dat er superintelligent buitenaards leven bestaat dat ervoor kiest om geen contact met het leven op aarde op te nemen om ons ongemerkt te bestuderen of om de menselijk beschaving zo de kans te geven om zich in lijn met zijn eigen natuurlijke evolutie te ontwikkelen.
  • De simulatie-hypothese. Een aanverwant, op het eerste gezicht vergezocht, idee is dat het door de mensheid waargenomen heelal deel uitmaakt van een ​​gesimuleerde werkelijkheid analoog aan de schijnwereld zoals getoond in de film The Matrix. De simulatie-hypothese stelt dat een zeer hoog ontwikkelde beschaving deze simulatie, waarin het heelal geen ander intelligent leven kent dan de mensheid, om hun moverende redenen (vertier, wetenschappelijk experiment, andere voor ons niet te vatten redenen) in het leven heeft geroepen.

CreationofET

Buitenaards

De Fermiparadox is een paradox waarin de grote statistische waarschijnlijkheid van het bestaan van intelligent buitenaards leven in schril contrast staat met een gebrek aan bewijs daarvoor.

De leeftijd van het universum en het reusachtige aantal sterren lijken aanwijzingen voor de aanname dat buitenaards leven veel zou moeten voorkomen. Tijdens een lunch in 1950 praatte de natuurkundige Enrico Fermi daarover met zijn collega’s, en zou toen hebben gezegd: “Waar zijn ze dan? Als er zo veel buitenaardse beschavingen in de Melkweg zijn, waarom is er dan geen bewijs, zoals sondes, ruimteschepen of radio-uitzendingen?”

Deze eenvoudige vraag Waar zijn ze dan? (of, Waar is iedereen?) is misschien apocrief maar in het algemeen krijgt Fermi de eer voor het op heldere en eenvoudige wijze onder woorden brengen van het vraagstuk van de waarschijnlijkheid van buitenaards leven.

Er is een breed scala van mogelijke oplossingen voor de Fermi-paradox voorgesteld. Al deze oplossingen vallen onder een van de vier hoofdcategorieën:

  • buitenaards leven bestaat niet en wij zijn alleen in de kosmos.
  • buitenaards (intelligent) leven bestaat wel maar heeft tot op heden nog nooit contact gelegd met de aarde.
  • buitenaards leven heeft in het verleden of het heden inderdaad al op enigerlei wijze contact gelegd met de aarde.
  • buitenaards (intelligent) leven is zich allang bewust van ons maar heeft geen interesse in de mens en zijn technologie of wil geen contact met ons.

De Fermiparadox is een conflict tussen een argument van schaal plus waarschijnlijkheid en het ontbreken van bewijs. Een completere definitie kan als volgt omschreven worden:

De grootte en leeftijd van het universum suggereren dat er veel technologisch geavanceerde buitenaardse beschavingen zouden moeten bestaan. Deze hypothese is echter inconsistent met het ontbreken van gevonden bewijs dat deze stelling ondersteunt.

it_came_from_outer_space

Paradox

Een paradox is een ogenschijnlijk tegenstrijdige situatie, die lijkt in te gaan tegen ons gevoel voor logica, onze verwachting of onze intuïtie. Ogenschijnlijk, omdat de vermeende tegenstrijdigheid veelal berust op een denkfout of een verkeerde redenering. Het is ook mogelijk dat de paradox een uitspraak is die verschillende semantische (betekenis) niveaus bevat.

Een beroemde paradox uit de logica is de paradox van Epimenides die in de brief aan Titus geciteerd wordt. Deze luidt (al heeft Epimenides het nooit zo gezegd of bedoeld):

“De Kretenzer Epimenides zegt: “Alle Kretenzers liegen altijd.”

Wanneer we deze uitspraak letterlijk interpreteren, dan is het inderdaad zo dat de uitspraak, die immers gedaan is door een Kretenzer, zichzelf tegenspreekt: de uitspraak zegt van zichzelf dat hij niet waar is, en kan dus niet waar zijn. De uitspraak “Alle Kretenzers liegen” kan onwaar zijn (en dus een leugen) als we aannemen dat Kretenzers soms liegen, echter in dit geval liegen ze dus niet altijd.

wigparadox
Wigparadox

Running in 2015

Vandaag is de laatste dag van het jaar, en ik beleef er plezier aan om hier op de laatste dag van het jaar te delen hoe vaak en hoe ver ik het afgelopen jaar heb hardgelopen. Op mijn vorig weblog heb ik het de afgelopen jaren ook op de laatste dag van het jaar gedeeld: een overzicht van mijn hardloophobby van de afgelopen 12 maanden.

Ik heb in 2015 zo’n 148 keer een ronde gelopen (2014: 138 keer, 2014: 126 keer), met een gemiddelde afstand van -net als vorig jaar, 12,4 kilometer per ronde. In totaal is dit een afstand van 1.835 kilometer (2014: 1.714 km, 2013: 1.553 km). Dat is over de weg een afstand van Almere naar de Italiaanse stad Napoli (dus niet hemelsbreed). Met de auto doe je daar 17 uur en 1 kwartier over, maar ik heb er 155 uur en 3 kwartier over gedaan.

Het afgelopen jaar liep ik het meest op de maandag en op de woensdag. In de maanden juni en november heb ik het minst aantal kilometers afgelegd. In deze maanden heb ik ‘maar’ 113 kilometer afgelegd. In maart heb ik de meeste kilometers afgelegd. 203 kilometers in 31 dagen. Hiermee heb ik in het gehele jaar een kleine 152.445 calorieën verbrand.

2015 hardloopoverzicht

Paso Doble

Meneer Barend zat aan de keukentafel zijn ochtendkrant te lezen. Hij verbaasde en ergerde zich aan het nieuwsbericht dat veelplegers in Tilburg boos waren op de kerstkaart die de gemeente hen had verstuurd. Op deze kaart stond de nieuwjaarswens ‘Wij gaan u in 2016 weer trakteren op onze warme aandacht’. Nu waren criminelen die er in hun eer waren aangetast. Meneer Barend schudde afkeurend het hoofd. Alsof veelplegers de aandacht krijgen, omdat ze zoveel voor de maatschappij hebben gedaan. Zijn geïrriteerde gedachten vervlogen toen hij een sleutel in zijn voordeur hoorde draaien. Dat moet mevrouw Veenstra zijn, dacht hij.
   De buurvrouw, inderdaad mevrouw Veenstra, liep met een ‘Joehoe!’ meteen door naar de keuken om meneer Barend te vragen of ze nog wat laatste boodschappen moest doen. Meneer Barend stond op en met de vraag ‘Koffie?’ schonk hij al een kopje vol met het aromatische vocht.
   ‘Lekker’, zei buurvrouw Veenstra en nam plaats op haar vaste stoel aan de keukentafel.

   Buurvrouw Veenstra was klein en breed op de heupen. Een trotse, donkere vrouw die altijd met opgeheven hoofd over straat liep. Deze ochtend droeg ze een blauwe trui met daaronder een donkerblauwe rok, tot net over de knie. Mevrouw Veenstra was ouder dan haar bovenbuurman. Ze was geboren in Suriname en in de jaren zestig van de vorige eeuw was ze naar Nederland gekomen om hier te trouwen met meneer Veenstra, nadat ze deze eerder in Paramaribo had ontmoet.
   Meneer Barend zette het kopje van zijn buurvrouw op de keukentafel en nam plaats op zijn stoel.
   ‘Buurman Barend, u moet mij het toch eens vertellen. Bent u ooit getrouwd geweest?’ met haar hoofd schuin keek ze haar buurman aan. ‘Niet dat het mij iets aangaat, maar buurvrouw Polak van nummer 68 zei laatst dat u ooit getrouwd bent geweest. Maar dan had ik dat toch wel geweten. Toch?’ Hierbij keek buurvrouw Veenstra haar bovenbuurman even indringend aan.

   ‘Oh ja, zeker.’ zei meneer Barend glimlachend. ‘Ooit ben ik getrouwd geweest met een Argentijnse. Catalina heette ze. Ze was heel mooi. Ravenzwart haar en een volle mond die altijd rood gestift was. En ze was dol op dansen. Oh, wat was Catalina dol op het dansen. Vooral de dansen uit Latijns-Amerika zoals de tango, maar ook de paso doble. Haar favoriete dans.’ Buurvrouw Veenstra nam glimlachend een slokje van haar koffie. ‘Heel grappig’ vervolgde meneer Barend. ‘Want eigenlijk komt deze dans van origine uit Europa, maar ze danste de paso doble altijd met passie. Wist u dat in deze dans het stierenvechten wordt uitgebeeld? De man speelt de rol van de torero en de dame is el capa. De rode lap die de stier moet opjagen. De man zwiert de dame rond alsof zij die rode lap is.’ Buurvrouw Veenstra zuchtte genotvol.

   ‘Het is alleen zo jammer dat deze dans het laatste was dat ze ooit heeft gedaan. Bij een danswedstrijd, tijdens de paso doble, werd ze dodelijk geraakt door de dansschoen van een andere danseres. Tijdens het zwieren schoot de dansschoen los, en als ware gelanceerd, sloeg deze keihard tegen het hoofd van mijn geliefde Catalina. Ze was op slag dood.’
   Buurvrouw Veenstra sloeg haar handen tegen haar borst. ‘Och, nee..!’
   ‘Ik wilde haar begraven in haar dansjurk, maar haar familie vond dat onchristelijk. Ze wilden zelfs dat Catalina in Argentinië werd begraven, maar dat wilde ik absoluut niet. Ze ligt hier nu op Buitenveldert voor altijd te rusten. In haar rode dansjurk en de dansschoenen aan haar voeten.’
   Buurvrouw Veenstra keek haar bovenbuurman ongelooflijk aan, aarzelde even en begon te lachen. ‘Buurman Barend! Volgens mij zit u me weer een onzinverhaal te vertellen.’
   Meneer Barend lachte ook. ‘Wilt u nog een kopje koffie, buurvrouw?’

dans