Kerstavond

De sneeuwvlokjes dwarrelden en ieder zat bij het knappend vuur van de haard naar ‘A Christmas Carol’ te kijken. In alle huizen heerste het kerstgevoel.
‘Hè, Jaap, kom gauw binnen, het is zo koud op de gang. Kom dicht bij de kachel zitten, Jaap. Kijk, hier staan je pantoffels, en wil je nog een koekje, Jaap, hè, wil je d’r één, toe Jan, pak er maar twee.’

Maar in ’t huis van Esther de Vries was het koud. Ja, Kleine Sam dreinde vanuit zijn bedje: ‘Mama, waarom is de kachel uit?’ Wrange vraag! Dieper boog zich ’t prachtige hoofd van Esther, de mooie Esther uit Almere, over het kerst-overhemdje van kleine Sam. En ze dacht aan Koos, een week geleden weggegaan om een paar kerstkaarten te posten – en nu nog niet terug.

‘Misschien was de brievenbus vol!’ prevelde ze met hoopvlamming. Maar dan opeens kreeg ze zo’n grauw en grimmig gevoel en dacht: Nee, Koos heeft de benen genomen. En ik heb het nakijken.
‘Mama, ik wil kerstkoekje’, riep het jongetje vanaf boven vanuit het bed.
Bij Esther bevroren de waterlanders op haar wangen toen ze naar boven liep.
‘Stil, lieverd!’ zei ze, de hand zacht, maar koud, op het blonde jongenskoppie leggend.

Maar beneden ging de deur langzaam open en daar stond Koos. Nog enigszins aangeschoten, maar hij was er tenminste weer.
‘Dag Bianca!’ riep hij levendig.
‘Esther’, verbeterde ze fijntjes. En ze wierp zich geoefend aan zijn hazel bruine ogen. Juist op dat ogenblik begonnen, bronzerig, de kerstklokken te luiden.
‘Waarom?’ vroeg Koos wezenloos.
‘Dat is altijd aan het slot van een kerstverhaal’, zei Esther, zacht huilend, omdat haar geluk was weergekeerd.

Fijne Kerstdagen!
Vrij bewerkt naar Simon Carmiggelt

Sweet Dreams

Ik was laatst ‘s-nachts, rond half drie in bed, toen ik in Amsterdam was. Ik wandelde er langs de grachten en genoot van de omgeving. Ik hou van Amsterdam. Het is een stad vol verhalen.

Ik liep langs een boekwinkel, en zag er een poster tegen het raam hangen. Er stond in sierletters: ‘Simon Carmiggelt signeert zijn nieuwe boek: Vandaag van 15:00 tot 16:00 uur.’ Ik was zeer aangenaam verrast. Simon Carmiggelt is een van mijn favoriete schrijvers. Ik lees zijn columns graag. Hij heeft een scherpe blik en droge humor. Hij kan van de kleinste dingen een groot verhaal maken. Hij is een meester in het schrijven van stukjes. Ik besloot naar binnen te gaan. Ik wilde zijn nieuwe boek kopen, en misschien kon hij deze signeren. Ik was benieuwd naar zijn nieuwe avonturen.

Ik kwam in de winkel, en zag een lange rij staan. De mensen hadden allemaal een boek in hun handen en wachtten geduldig op hun beurt. Aan het einde van de rij zag ik een tafel, met een stapel boeken erop en daarachter zat een man. Het was Simon Carmiggelt.

Hij zag er ouder uit dan ik had verwacht. Hij had rimpels in zijn gezicht, en grijze haren. Maar hij had nog steeds die twinkeling in zijn ogen, en die glimlach om zijn mond. Hij leek te genieten van de aandacht. Hij praatte met de mensen, hij maakte grapjes, hij schreef iets in hun boeken. Hij was vriendelijk en charmant. Ik sloot me aan bij de rij en pakte een boek van de stapel. Ik bladerde er doorheen.

Het zag er goed uit. Het had mooie illustraties, en leuke titels. Ik las een paar regels. Het was typisch Carmiggelt. Het was geestig en scherp. Ik kwam dichter bij de tafel. Ik voelde me zenuwachtig. Ik wist niet wat ik tegen hem moest zeggen. Ik bewonder de man. Hij is een voorbeeld voor mij. Ik wilde ook stukjes als hij kon schrijven. Uiteindelijk stond ik bij het tafeltje. Ik legde het boek op de tafel. Ik keek hem aan. Hij keek mij aan. Hij glimlachte en hij zei: ‘Goedendag meneer. Wat is uw naam?’
Ik zei: ‘Mijn naam is Dray Bosma.’
Hij zei: ‘Aangenaam, Dray. Wat doet u voor de kost?’
Ik zei: ‘Ik doe creditmanagement.’
Waarop hij zei: ‘Dat is interessant. En wat doet u voor uw plezier?’
Ik antwoordde: ‘Ik schrijf stukjes.’
‘Stukjes? Wat voor stukjes?’ Vroeg hij.
Ik zei: ‘Gewoon, stukjes. Over van alles en nog wat. Over wat ik zie, wat ik hoor, wat ik denk. Over het leven.’
‘Het leven,’ zei hij. ‘Dat is een mooi onderwerp. En waar schrijft u die stukjes?’
Ik zei: ‘Op mijn weblog.’
‘Uw weblog? Wat is dat?’
‘Dat is een soort online dagboek. Ik publiceer mijn stukjes op het internet. Dan kunnen andere mensen ze lezen, en reageren.’
‘Dat klinkt leuk. En hoe heet uw weblog?’
‘Mijn weblog heet Dray Bosma.’
‘Dat is origineel,’ en hij glimlachte. ‘En hoeveel lezers heeft u?’
‘Niet zo veel. Een handvol, misschien. Het is niet enorm populair.’
‘Dat geeft ook niet. Het gaat om het plezier. Het plezier van het schrijven. Het plezier van het vertellen. Het plezier van het delen. Dat is het belangrijkste. Dat is waarom ik stukjes schrijf. Omdat ik het leuk vind. Omdat ik het niet kan laten.’

Hij pakte het boek. Hij sloeg het open. Hij schreef iets op de eerste pagina en gaf het boek terug. Hij zei: ‘Hier, voor u. Een cadeautje. Van Kronkel, voor Dray. Ik hoop dat u ervan geniet. En ik hoop dat u doorgaat met schrijven.’
Ik nam het boek aan en ik bedankte hem. Ik was licht emotioneel, maar blij. Ik had een ontmoeting gehad met een van mijn idolen, en ik had een verhaal te schrijven.

Simon & Bart

Bart Dijkstra was in de vierde klas van de lagere school Simon’s vriend, ofschoon ze weinig gemeen hadden want Bart behoorde tot de vechters en Simon tot de rustige scholieren. Bart noemde hem altijd ‘slome’, en toch hadden ze een band. In de gymnastiekzaal moest Simon eens in de ringen een opdracht uitvoeren. Daar hij een zeer slechte gymnast was, mislukte het. Hij kwam ondersteboven te hangen, met één knie in een ring. Alle jongens lachten en de gymnastiekmeester ook. Maar Bart stond op, liep ernstig door de zaal en tilde Simon uit de ringen. Sindsdien was Bart dus Simon’s vriend.

Op zaterdagmiddag kwam Simon dan ook vrij geregeld bij Bart thuis. Hij had een voos dikke, altijd op jammerende toon sprekende moeder en verscheidene broertjes en zusjes. De familie woonde in een groot, oud huis met een achtertuin zonder planten of bloemen. Er lag alleen grind. Op de buitendeur stond ‘B.J. Dijkstra, beëdigd makelaar’. Toen Simon er de eerste keer, op een stralende zomermiddag aanbelde, deed de vader van Bart open. Hij was een zeer grote, atletische man, van top tot teen in het zwart gekleed en hij keek op Simon neer met een voorbarige verachting.

‘Wat mot je?’ vroeg hij.
‘Ik ben een vriend van Bart, meneer,’ zei Simon. Hij maakte een onduidelijk keelgeluid dat leek op het woordje ‘kom’, keerde hem de rug toe en liep het huis in.
Simon volgde hem op eerbiedige afstand. Bij de keuken gekomen, pakte hij twee pannedeksels, duwde ze hem in de handen en zei: ‘Ga maar naar de tuin, daar zijn ze.’ Hij sprak langzaam, hees en gevaarlijk. Simon liep de gang door en kwam in de tuin. De kleine kinderen waren daar bezig met pannedeksels in verschillende formaten een hevige herrie te maken. Alleen Bart had een echt instrument, zo’n kleine, zeshoekige trekharmonika, die in het circus wel eens door een clown wordt bespeeld. Maar hij kon er niks van. Hij trok het ding alleen maar uit en in, waardoor het een zeurderig geluid maakte. Terwijl Simon onthutst naar het luidruchtig schouwspel keek, hoorde hij roepen: ‘Hé, jij daar. Je moet óók slaan met die deksels.’
Het was de heer Dijkstra. Hij stond, groot en dreigend, op het plat van de eerste etage naar hen te kijken. Simon ramde de deksels meteen tegen elkaar. Pas toen hij naar binnen was gegaan vroeg hij aan Bart: ‘Waarom doen we dit?’

‘Het moet van m’n vader,’ antwoordde Bart, een beetje verlegen voor zijn stoere doen, ‘als ’t mooi weer is, tenminste. Want dan hebben zij daar de ramen open.’
Met de harmonika in zijn handen wees hij even naar een groot, aangrenzend gebouw. Het was een ziekenverpleging, waar oude, uitgeputte mensen in kamerjassen zaten bij open vensters, die echter al spoedig, één voor één door nijdig kijkende nonnen werden gesloten.
‘Mijn vader wil dat ze ons huis kopen voor hun uitbreiding,’ zei Bart, weer aan de harmonika trekkend. En hij legde Simon uit dat de georganiseerde herrie ten doel had de verkoop te bespoedigen. Het was een hard middel, maar het bleek doeltreffend. Toen ze in de vijfde klas zaten vertelde Bart aan Simon dat ze gingen verhuizen naar een moderne woning aan de rand van de stad. ‘Vader is blij,’ zei hij. ‘Ze hebben veel geld betaald.’
Simon kon zich niet voorstellen hoe vader Dijkstra er blij uit zou zien.

Toen Simon een volgende zaterdagmiddag aanbelde, werd de deur opengetrokken met een touw. De heer Dijkstra riep uit de verte: ‘Ben jij dat, Bart?’ maar hij schreeuwde terug dat het Simon was.
‘O, kom dan maar boven,’ hoorde hij daarna. Simon ging de trap op. In de kamers op de eerste etage stonden de grauw-groene kisten van de verhuizer al gepakt en kon je aan de plekken op het behang zien waar de schilderijen hadden gehangen. De heer Dijkstra bevond zich op het plat, met zijn jas aan en zijn sneehoed op, zwart weer, want hij had een voorkeur voor die kleur.
‘Bart is naar het nieuwe huis,’ zei hij. ‘Maar ik heb iets voor je.’
Terwijl Simon op het plat stond, ging hij het huis binnen. Even later riep hij: ‘Vang,’ en wierp hem de trekharmonika toe, die in de lucht een tjengelend geluid maakte.
‘Dat rotding hebben we in het nieuwe huis niet meer nodig,’ zei hij grimmig. Op dat moment kwam de oude poes Annet het plat oplopen, voorzichtig en sukkelachtig. De heer Dijkstra keek naar Annet en riep: ‘Jou wil ik daar óók niet meer zien, mormel.’
Hij greep het beest bij de achterpoten en sloeg het met zó’n enorme kracht tegen de blinde muur dat de schedel werd verbrijzeld. Daarop wierp hij het oude lichaam met een boog over de schutting in de tuin van het ziekenhuis. Met de harmonika lang afhangend in zijn rechterhand, staarde Simon verstard van ontzetting naar het kleine bloedvlekje op de blinde muur.

Licht aangepast uit ‘Vroeger kon je lachen’ – Simon Carmiggelt

Bestaansrecht

Haar vader was een vrolijke, luide man. Hij hield van moppen tappen en mensen voor de gek houden. Zijn grootste feestdag was dan ook de eerste dag van april. Dan fopte hij de mensen naar hartenlust en bulderde het uit wanneer ze in zijn vallen liepen. Moeder was meer bekwaam en meer op een lijn met haar.

Vorig jaar december zou ze niet zo snel vergeten. Het grote, ouderwetse huis waarin ze woonde, scheen geschapen voor het sinterklaasfeest, want er was een open haard in de huiskamer met zo een schouw waarin de pijp naar het dak uitkwam. Een ideale plaats om je schoen bij te zetten. Kinderen elders, in centraal verwarmde woningen hebben het moeilijk, maar hun fantasie is zo soepel dat ze hun schoen tevreden bij de radiator zetten, in goed vertrouwen dat Sinterklaas het wel via zal weten te regelen.

Die avond, het was begin december, had het meisje bij de schoorsteen gezongen. Toen ze op weg was naar bed, hoorde ze de stem van haar vader, die riep: ‘kom eens gauw helpen!’
Ze liep vlot terug naar de kamer. ‘Wat is er?’
‘Ik heb die ouwe bij zijn poot,’riep hij.
Bij het vuur stond hij, uit alle macht trekkend aan een been,. dat uit de schouw kwam. ‘Help nou eens!’
Hij had een rood hoofd van inspanning. Maar het kind stond als verlamd van schrik en zag hem opeens achterovertuimelen, met een hoge laars in zijn hand.
‘Hij is me ontsnapt,’ hijgde hij. En overeind krabbelend: ‘Maar zijn schoen heb ik. Die geef ik niet meer terug.’
‘Dat mag niet,’ zei het meisje, ‘nou is Sinterklaas heel boos op u. Misschien komt hij u wel halen vannacht.’
‘Ik ben helemaal niet bang hoor,’ riep de vader.
Hij was een liefhebber van grappen, zoals eerder gemeld.

Rillend van angst vluchtte het kind naar de slaapkamer en kroop in bed. Haar moeder kwam en zag meteen dat er iets aan de hand was.
‘Wat scheelt je?’vroeg ze.
En het meisje vertelde hoe vader de woede van Sinterklaas had getrotseerd.
Somber luisterde de vrouw naar het verhaal. Toen zei ze: ‘Wees maar niet bang. Vader maakte maar een grapje.’
‘Maar als Sinterklaas nou boos is?’
‘De echte is al lang dood. Die bestaat niet meer.’
’t was een hele brok om zo ineens door te slikken.
‘En de ooievaar?’ vroeg het kind, ‘die vind ik ook griezelig. Pa zegt dat ik door de ooievaar ben gebracht.’
‘Dat is ook maar een grapje,’ antwoordde de moeder, die in een moeite door schoon schip wilde maken. ‘De ooievaar brengt de kinderen niet. Jij komt gewoon van mij.’
‘O,’ zei het meisje.
Ze kreeg een nachtzoen op het bleke, peinzende gezichtje. De moeder liep naar de deur.
‘Zeg moeder, ‘vroeg het meisje.
‘Ja?’
‘En God, bestaat die ook niet echt?’ klonk het voorzichtig.
‘Jawel, God bestaat écht,’ zei de moeder. En ze deed het licht uit.

Winteravond

Ooit een vriendin had eens, jaren geleden, een avond bij ons zitten babbelen, over koetjes en kalfjes, maar toch vooral het meest over mensen.
‘Het is altijd zo gezellig bij jullie,’ zei ze telkens en dan keek ze ons met grote, jammerlijke ogen aan, want gezellig is een woordje dat je pas veelvuldig gaat gebruiken als het leven niet meer zo gezellig is. Of wanneer je iets te veel wijn hebt gedronken. Dat is mijn mening. Na twaalven was ’t steevast: ‘Hemel lief, al na twaalven.’ Ze stond dan op, ging een rondje omhelzen en mijn antwoord was dan altijd: ‘Kom, we laten je uit.’

Dat even uitlaten komt je bij koud weer op een lichte bronchitis te staan, want bij de open voordeur is ze altijd op zoek naar haar vest, om vervolgens een verkeerde jas in te duiken, en dan schiet haar altijd ineens een gespreksonderwerp te binnen, waar altijd over te discussiëren valt. Toen ze echt alles had -d’r tas, d’r sjaaltje, d’r paraplu, d’r etcetera- vertrok ze. Ik had de voordeur nog niet op slot gedraaid of ze stond er op te bonzen.
‘Zo vervelend,’ zei ze. ‘Maar het slot van mijn auto is bevroren.’
‘En wat doen we nou?’ vroeg ik.
‘Kun jij er niet een beetje op ademen?’ zei ze. ‘Jouw adem is veel steviger dan de mijne.’
Ik wist toen dat het geen slim idee was dat ze nog ging autorijden, maar morgen was het een doordeweekse werkdag.

‘Och, met plezier,’ was mijn antwoord aan haar.
Het is koud, ongezond en absurd om in januari op straat neer te hurken om een poos te hijgen tegen de deur van een autootje die niet wil openen. Ik raakte bijna buiten adem.  Door mijn inspanning had ik het niet meer koud.
”t Helpt niet,’ zei ze. ‘Probeer eens met een aansteker.’
‘We roken allebei niet. Waar halen we een aansteker vandaan?’ riep ik.
‘Heb je een kaars?’ vroeg ze.
‘Nee. Niet bij me,’ antwoordde ik, en klopte demonstratief met vlakke handen langs mijn lijf.
‘Hè, doe nu niet zo akelig,’ sprak ze en haar glimlach deed me daar besluiten nooit meer te akelig te doen.

‘Sorry,’ verontschuldigde ik.
‘Hou maar op, zei ze. ‘Weet je wat? Pak een hamer. We slaan de ruit in.’
‘Dat is zonde,’ zei ik.
Ooit een vriendin keek om zich heen op de grond en vond een halve straatklinker.
‘Achteruit, anders raak ik je misschien.’ Ik week meters terug. Ik denk soms een stoere vent te zijn, maar ben dat helemaal niet. Ze hief haar rechterarm naar achteren en met een snelheid van een intercity brak ze met de steen in de hand met een klap de autoruit aan diggelen.
‘Zo, nu kan je erin,’ zei ik stoer na de schrik.
Ze rustte met haar gewicht op haar linkerbeen en stond er even met haar heupen te wiegen, en zei: ‘Zeg…’
‘Ja?’
‘Het is mijn autootje helemaal niet. Dat zie ik nu pas. Mijn autootje staat even verderop. Dáár.’
Ze wees, ontmoette mijn ontstelde blik en zei hulpeloos: ‘Nou ja, ze maken ze tegenwoordig ook allemaal zo gelijk.’

Geïnspireerd door een kronkel (1956) van Simon Carmiggelt.

Naaister

Alleen thuis, aan het eind van de ochtend, had ik twee eieren voor mezelf geroerd. ‘Dat zal me een zorg wezen,’ zegt u nu. Maar geduld, want bij het lezen van De Da Vinci Code moet u ook eerst door half Europa reizen om te weten wat het wachtwoord is om de cryptex van Robert Langdon te kunnen openen. Ik had twee eieren geroerd en zou ze net gaan opeten, toen de telefoon ging.
Nadat ik ‘hallo’ had geroepen, vroeg een damesstem: ‘Met wie spreek ik eigenlijk?’
Veel mensen doen dat. Ze vallen telefonisch midden in je roereieren, en vertellen hun naam niet, maar vragen wel op hoge toon wie jij eigenlijk bent. Een beetje knorrig zei ik hoe ik heette en vroeg: ‘En wie is u dan?
‘Ja,’ vervolgde ze,’ die mevrouw Monique, die naast jou om de hoek woont, die grote blonde, jij weet wel, die is niet thuis.’ Ze zei het op een manier of ik het mens op straat had gezet.
‘Nou- en?’ vroeg ik.
‘Ik heb een boodschap voor d’r.’
‘Dan moet je haar opbellen,’ zei ik.
‘Dat kan niet, want ik vlieg vanmiddag voor de zomer naar Kreta,’ antwoordde ze triomfantelijk.
Uit de verte zag ik mijn bordje met roereieren en dacht: wat kan mij nou schelen dat een wilde-vreemde naar Kopenhagen gaat? Ik bedwong de spontane neiging deze verbinding te verbreken en vroeg: ‘Wat moet ik dan?
‘Vanavond even de boodschap aan haar overbrengen. Zeg maar van Ans.’ Het kraakte ergens in de slagaderen van het telefoonwezen. Later sprak de stem: ‘Hallo … is u daar nog? Mevrouw Blaaswinkel geeft niet thuis, ziet u, en ik vlieg vanmiddag nog voor de zomer naar Kreta, dus ik zou u willen vragen of u een boodsch… ‘
‘Ja-haaa,’ brulde ik.
‘Ah! Nu kan ik u weer goed verstaan,’ zei ze. ‘Ik ben naaister, weet u, en ik help haar met een jurkje die ze aan het maken is en die ze deze zomer aan wil. Als u nu alleen maar aan haar wil zeggen dat ze de bustenaad moet inknippen tot aan het afgetekende spietje.’
‘Versta ik: afgetekend spietje?’ vroeg ik.
‘Ja, dat is goed. Spietje. Maar weet u wat het is? ze kan ook gerust ruimte nemen. Laat mevrouw dat maar naar eigen smaak doen. Het is trouwens erg gemakkelijk voor haar, want ik heb het de laatste keer nog opgespeld en doorgeraderd. Als ze alleen het heupstukje maar een halve plooidiepte geeft en de onderkant goed bijtrekt, dan kan er niets gebeuren. De kloklijn heb ik namelijk zelf al voor haar gedaan, ziet u?’
En na een lichte aarzeling: ‘Uw vrouw is zeker niet thuis.’
‘Nee.’
Ik pretendeer niet dat ik het verhaal van de naaister zorgvuldig heb weergegeven. Ik heb wel eens vergaderingen en meetings genotuleerd, en ik kan best wel het een en ander goed onthouden, maar dit verhaal was voor mij niet echt samenhangend.
‘En zegt u dan ook nog even tegen de buurvrouw dat ze er vooral een tegenbelegje van vier centimeter aanknipt is, want dat wordt zo makkelijk over’ t hoofd gezien.’
‘Ik zal het doen,’ beloofde ik.
‘Dag meneer.’
‘Goede reis,’ heb ik nog geroepen.
Tegen buurvrouw Monique heb ik ‘s-avond gemeld dat de naaister heeft gebeld met de mededeling of ze zelf de jurk wilt afmaken.
‘Ik zal dit doen,’ zei de buurvrouw.
Nu hoop ik wel dat ze straks het tegenbelegje niet vergeet.


vrij bewerkt naar een Kronkel van Simon Carmiggelt.

Vaatje

Iedereen kent wel een persoon die de mooiste en sterkste verhalen kan vertellen. Zo had ik vroeger een buurman die schitterend en in detail je dingen kon doen laten geloven. Of deze verhalen waar waren, daar moest je dan zelf maar achter zien te komen. Het verhaal over zijn oudtante Boukje staat me nog wel helder bij. De ouders van oudtante Boukje hadden vroeger een kroeg in Den Helder. Als kind moest ze ‘s-ochtends niet alleen ontbijt voor haarzelf, maar ook die van haar vader en moeder maken.

Wanneer haar ouders nog in bed lagen, bij te komen van een nacht zwaar kroegwerk, moest Boukje een paar eieren voor hen klutsen. ‘Doe er maar een flinke scheut uit dat vaatje in,’ had haar vader de eerste keer gezegd. En dat deed ze. Dat er cognac in het vaatje zat, had Boukje pas later begrepen. Omdat vader en moeder het lekker vonden deed Boukje ook een scheut uit het vaatje bij haar eigen eitjes. Oudtante verklaarde later: ‘Ik was acht jaar oud en ik kwam elke ochtend dronken in de klas.’ Hierbij keek ze iedereen die het lachende aanhoorde ernstig aan en voegde eraan toe: ‘En dat is niet om te lachen.’

Tante Boukje leefde altijd samen met een oude en eenzame man die ze in haar café leerde kennen. Het was telkens een andere vent, want ze liepen op hun laatste benen en bewaarden hun laatste adem voor tante Boukje. Daardoor kreeg Boukje een zekere routine in het verkeer met de dood. Ze sprak erover met een soort galgenhumor. Toen oom Gerrit bij het ontwaken geen teken van leven meer gaf, had ze de buurman erbij gehaald. Deze hield een zakspiegeltje voor de mond van de oude man en stelde, toen het spiegeltje niet besloeg, vast dat hij gestorven was. Tante Boukje vertelde het ‘s-middags in het café.

De Kastelein, die de omvang van oom Gerrits dagelijkse consumptie kende, zei: ‘Nog goed dat-ie er een spiegeltje en geen lucifer had bijgehouden, anders was ie uit mekaar geknald.’ Dat was de treurzang voor oom Gerrit. Tante Boukje lachte een beetje afwezig mee. Ze heeft na oom Gerrit nog twee oude mannen versleten. Haar laatste jaar was ze alleen. Na een ziekbed van een kleine maand, waarin ze geen woord meer heeft gesproken, stierf ze. De hemel zal zonder enige twijfel vriendelijk voor haar zijn.

Hoop

Vanmorgen schrok ik wakker uit een benauwde droom. Geen nachtmerrie, maar aangenaam was de droom niet. Ik was onderweg -zoals altijd in mijn dromen, naar een onbekende bestemming en dit keer zat er een onguur type achter me aan. Door de straten van Den Helder op de vlucht voor die enge vent die met een hakbijl mijn baard wilde afnemen. Eerst bleef ik hem voor, maar aangekomen bij de vuurtoren van Den Helder functioneerden mijn beide benen niet meer. Kruipend probeerde ik boven op de dijk te komen, maar ik werd al snel ingehaald. De engerd hief zijn bijl en net op het moment dat hij mijn onderkaak van baardgroei wilde verschonen, werd ik wakker van mijn eigen schreeuw.

Naast mij in bed hoorde ik een lichte zucht en de beslissende zin: ‘… nou, dan eet je geen sinaasappels.’ mijn echtgenoot droomde, zeer tevreden over deze beslissing, verder.  Maar bij mij sliepen alleen mijn beide benen -vandaar die droom. Ik keek even snel op mijn mobieltje, zag dat het zes uur was en constateerde een droge keel. Dorst. Koolzuurhoudend water, dacht ik. De bubbels lessen mijn dorst het beste. Toen ik weer wat gevoel in de benen terugkreeg, strompelde ik uit bed en verliet sloffende de slaapkamer om af te dalen naar de keuken, een verdieping lager.

In de gang  zaten onze katten naast elkaar. Harpo en Oprah. De nacht heeft voor hen geen betekenis, want ze verdelen de slaap heel schilderachtig uit over de hele dag en vinden het belachelijk dat wij mensen op gezette tijden naar bed gaan. Wanneer wij mensen ‘s-nachts een paar uur slaap pakken, zitten de katten zich klaarwakker te vervelen, waarbij ze zich opstellen als fanatieke festivalgangers, die ongeduldig wachten tot de deuren open gaan. Ze nemen ons die uren van slaap kwalijk, want katten eisen niet alleen voedsel en warmte, maar ook menselijke aandacht. Net als kinderen zijn ze van mening dat je aanwezig behoort te zijn.

De uren van stilte in de nacht zijn de misère van hun kattenleven. Echter zit er een gokelement in, want nooit kunnen de katten met zekerheid denken dat wanneer er een deur opengaat, en in hoeverre de persoon (echtgenoot of ik) daadwerkelijk aan de dag begint. Mij vonden ze, om zes uur in de morgen, een verbijsterende verrassing. Ze sprongen op en begonnen mijn benen zo heftige kopjes te geven, dat ik me aan trapleuning moest vastklampen om niet van de trap te vallen. Beneden stoven ze zenuwachtig voor me uit, de keuken in. Met intense aandacht zagen ze dat ik de fles met bubbelwater aan de mond zette.

Verbaasd over dat ik geen melk in mijn handen had, bleven ze toch aandachtig rondjes om mij heen lopen. Toen ik de fles water op het aanrecht terugzette en terug richting de trap liep, slopen ze achter me aan. Dit was geen gunstig teken, dat ik weer naar boven ging, maar wie weet, bleef ik tóch op…
‘Sorry, poesjes,’ zei ik. ‘Maar ik pak nog even wat slaap.’
Met scheve kopjes zaten ze me aan te kijken.
‘Het is pas zes uur,’ zei ik naar de klok wijzend.
Daar schrokken ze van. Dat beetje hoop dat er nog was verdween met mij toen ik de deur van de slaapkamer achter me sloot.
Het laatste dat ik door de kier van de deur zag, was hoe ze zich op de overloop verveeld uitstrekten -twee ontgoochelde beesten, die nooit het wonderlijke leven van de mens zullen begrijpen.

Vrij bewerkt naar een kronkel van Simon Carmiggelt.

Konijntje

Het blonde jongetje huppelde de wachtkamer van de dokter binnen, samen met zijn opa. Althans het kind liep aan de hand van een enorme homp onaardig stuk mensenvlees. Ik maak deze enigszins nare opmerking, omdat de man het aardige en vriendschappelijkheid miste, daar waar echte opa’s in behoren uit te blinken. In zijn ogen fonkelde geen blijdschap toen hij commandeerde: ‘Ga zitten en blijf overal van af.’
Het jongetje, dat een klein pluchen konijntje onder zijn arm had geklemd, nam gehoorzaam op de hem aangewezen plek plaats, maar aan zijn oogjes zag je, dat het vertrek verschillende voorwerpen bevatte, die hij graag eens met zijn vingers wilde onderzoeken.
Op een kast liepen een aantal stenen olifantje netjes in een rij, die zich zo aardig door elkaar zouden laten zetten, en het tafeltje naast de deur, die was bedekt met stapels tijdschriften en stripboeken. Daar moesten wel hele mooie plaatjes in staan.
‘Opa, mag ik. ..’
‘Zitten blijven. En je mond houden.’
Wie was die man? Een Judas, vermomd in grootvaders pak? Kritische blikken in de wachtkamer keken de grootvader aan, maar het deed hem helemaal niets.
‘Opa, waar zijn die olifantjes voor?’
‘Die zijn voor afblijven.’
Een corpulente dame met een oude Margriet in haar handen begon kreeg een rood hoofd van moeizaam bedwongen verontwaardiging, maar het jongetje zelf bleef aanmerkelijk wijsgerig van aard. Hij nam zijn konijntje op de knie en sprak op verraste toon:
‘Opa!’
‘Ja?’
‘Konijntje praat tegen me.’
‘Zo.’
Meer kon er blijkbaar niet af. Maar de enorme verwondering van het jongetje over het onverwachte spraakvermogen van zijn knuffeldier, was niet te vernielen.
‘Weet u wat konijntje zegt?’
‘Nee.’
Zachtjes, maar niet zonder triomf kwam het stemmetje:
‘Hij zegt: rót opa.’

Slaapmuts

Van de week vond ik in de gang een klein fluwelen puntmutsje dat door niemand werd opgeëist. Toen ik de volgende nacht in bed lag en mij al een paar uur in dromenland bevond, werd ik plotseling gewekt door een aan aanhoudende pijn in mijn linkerschouder. Ik deed het nachtlampje aan en zag hoe dit kwam: er werd tegen mijn schouder gestompt door iemand die naast mijn bed stond. Een klein mannetje. Het droeg een mooie, witte baard en was gekleed in een groen fluwelen jasje en kanariegeel brokje van ouderwets kwaliteit.
‘Meneer,’ zei het ventje, ‘mag ik mijn muts terug?’
‘Maar u bent een kabouter!’ riep ik verrast.
‘Inderdaad meneer,’ luidde zijn antwoord. ‘Ik ben kabouter met honoraire titel, met de rang van dwerg eerste klasse. Maar als ik mijn muts niet terugkrijg, word ik gedegradeerd tot ongeschoold aardmannetje en dan is mijn pensioen naar de haaien. En dat is niet makkelijk meneer, als je er al zo lang voor gewerkt hebt.’
‘Maar natuurlijk krijgt u ‘m terug!’ zei ik, uit bed springend. ‘Hoe kwam ie eigenlijk in de gang’- als ik niet te vrijpostig ben?’
‘O, ik was even op bezoek in uw keuken,’ zei de kabouter. ‘Een van uw katten gaf een etentje, u weet wel…’
‘Ik weet dat niet echt,’ antwoordde ik. ‘Maar was het gezellig?’
‘Och, zoals zo’n avondje is…’ zei hij blasé. ‘Je bent nog niet binnen, of ze beginnen over de duurste blikvoer of hun angst voor blaffers, want al mauwen ze nog zo, ze hebben allemaal belang bij de maatschappij. Tegen het eind van de avond werd het pas echt leuk. Toen hebben we nog een paar honden in de straat voor de gek gehouden.’
‘En toen bent u uw puntmuts verloren?’ veronderstelde ik.
‘Nou, ik was een beetje ver heen, ziet u,’ zei de kabouter met een glimlach. ‘Ik had flink wat beukennoten op en ik herinner me niet zo precies meer hoe ik thuis gekomen ben. In het bos heb ik wel een paar uur staan zoeken naar waar mijn ondergronds huisje was. En pas de volgende dag miste ik mijn muts, en u was toen al uit bed en dan mogen wij, kabouters, ons niet meer laten vertonen door de kabouterbond.’
De kabouter zette zijn mutsje weer op.
‘Nou, ik zal maar zeggen, het beste met alles,’ sprak ik.
Hij verdween weer stilletjes.
Ik ging weer liggen en dacht: Wedden, dat ze morgen allemaal zeggen dat ik het gedroomd heb?

vrij bewerkt naar een stukje van Simon Carmiggelt

Simon 

Toen Simon zaterdagavond alleen thuis was en een boek van Edgar Allan Poe las, werd er aan de voordeur gebeld. Hij opende de deur en zag een lange, dunne man met een porky pie-hoedje op.
‘Goede avond,’ zei hij. ‘Is de heer Anders thuis?’
‘Nee,’ antwoordde Simon.
‘Wanneer zou ik hem dán kunnen treffen,’ vroeg het hoedje.
‘Nooit,’ sprak Simon. ‘Hij woont hier niet.’
De man met het hoedje streek over zijn baardje. Meteen deed hij een stapje achteruit, en liet zijn licht op het huisnummer schijnen.
‘Tweeëntwintig!’ riep hij opgelucht. ‘Ziet u wel, ik wist wel dat ik goed was. Anders woont op tweeëntwintig.’
Simon schudde ontkennend zijn hoofd.
‘Zeker wel,’ vervolgde de man. ‘Anders is zo’n dikkerd, met een wit hondje.’
Uit beleefdheid deed Simon of hij nadacht, maar tenslotte verklaarde Simon noch de heer, noch zijn huisdier te kennen.
Het hoedje werd er ongeduldig van.
‘Hij heeft zo’n dikke kop, Anders! Ik ben al zo vaak bij hem geweest!’
‘Echt niet, meneer,’ riep Simon. ‘Als ik u toch vertel dat. ..’
Op dat ogenblik ging de deur van de huiskamer open en trad een dikke man met een opgeblazen gezicht de gang in. Hij droeg een wollen vest, en een wit hondje liep bij zijn benen. Met uitgestoken hand liep hij op het hoedje af en riep: ‘Ha die Koen! Leuk dat je even aankomt!’
‘Ziet u nou wel,’ sprak de bezoeker, terwijl hij Simon verwijtend aankeek.
Simon was natuurlijk nogal verbaasd, maar later is de zaak hem duidelijk geworden. Die Anders woont al anderhalf jaar in het huis, dat door een administratief misverstand bij woningstichting niet alleen aan Simon, maar ook aan Anders is verhuurd. Door een merkwaardig toeval hebben ze elkaar nooit eerder opgemerkt, omdat Anders altijd net in de achterkamer was, wanneer Simon vóór huisde. Liep Simon de achterkamer in, dan moest Anders net even de gang op of op het toilet zitten. Zo hebben ze elkaar al die tijd misgelopen, maar nu is de zaak door het bezoek aan het licht gekomen. Ze zullen er iets op moeten vinden. Gelukkig vindt Simon Anders geen kwade vent. Misschien een beetje te dik.

db-logo-green

Gezellig

De bus reed net voor mijn neus weg toen ik van zomer vanuit mijn werk bij mijn vorige werkgever in Nieuwegein naar huis wilde reizen. Ik was niet de enige misser van de bus. Een enigszins bejaard echtpaar, dat in de verte op een sukkeldraf had gelopen, die overging in een normale wandelpas toen de bus begon weg te rijden, kwam naast mij staan.
‘Daar gaat-ie,’ zei de man bitter.
De vrouw knikte. ‘Ik zien het,’ zei ze.
De man keek haar aan met een enige verachting.
‘Als jij nou niet zo lang aan dat haar van je had staan friemelen, dan hadden we ‘m gehaald,’ sprak hij.
De vrouw, die klein en gezet was, haalde haar schouders op en antwoordde: ‘Als we gezellig in de stad gaan eten, moet ik mijn haar toch doen. Ik ga er niet als een slons bij zitten, in zo’n restaurant.’
De man schudde geërgerd het hoofd. ‘Maar je hoeft er toch niet zo belachelijk lang over te doen!’
‘Jij hebt makkelijk praten, met je kamerbrede scheiding,’zei de vrouw vinnig. ‘Maar ik heb mijn haar nog en ik wil dat het knap zit als we gezellig in de stad gaan eten.’
‘Dat haar van jou blijft precies eender, wat je er ook aan doet,’ zei de man. ‘Ik heb je wel vijf keer gezegd: dank aan de bus. Maar nee…’
‘Of jij niet teuten kan!’ riep de vrouw. ‘Eer jij ‘s-ochtends eindelijk het huis uit bent en ik een beetje uit de voeten kan, o, ik word soms zeeziek van je.’
De man hief bezwerend de hand op.
‘Dat is heel wat anders,’ sprak hij, op principiële toon. ‘We hebben het niet over ‘s-ochtends. We hebben het over nu. We zullen gezellig in de stad gaan eten. Goed, dan wil ik ook op tijd in de stad zijn, zodat ik me niet hoef te jagen. Ik wil om kwart voor zes op mijn gemak mijn borrel drinken. En ik wil om kwart voor zeven aan tafel gaan. Maar dat kan nu allemaal iet meer, alleen omdat jij…’
‘Ach vent!’zei de vrouw.
Ze draaide hem de rug toe.
Een poosje zwegen ze.
Toen zei de man, weer zo bitter: ‘Voor mij is de lol eraf.’
‘Nou, voor mij ook hoor, als je zo zeurt,’ kefte ze.
‘Ik zeur niet,’ antwoordde de man. ‘Ik zeg alleen de feiten. Als jij niet zo lang aan dat haar van je…’
‘Ja dat weet ik nou wel!’ riep de vrouw.
Ik wist het inmiddels ook.
‘Waar blijft die bus?’ sprak de man, na eindeloos de weg afgetuurd te hebben.
Hij keek op zijn horloge en zei: ‘Ik ga net zo lief naar terug naar huis.’
‘Als je maar weet dat ik geen eten in huis heb,’ antwoordde de vrouw.
‘Waarom niet?’
‘Waarom niet!’ herhaalde ze fel. ‘Ik ga toch zeker niks in huis halen als ik weet dat we gezellig samen in de staf gaan eten. Dat is nu weer echt mannenpraat.’
‘Goed, goed,’ zei hij, quasi berustend. ‘Ik vind alleen…’
‘Daar komt de bus,’ zei de vrouw.
Z|e stapten beiden het eerst in en namen plaats op de voorste zitplaatsen. Toen ik had ingecheckt en hen passeerde, hoorde ik de man zeggen: ‘Ik bedoel, als we nou eens gezellig in de stad gaan eten, moet je…’
Ik ben maar helemaal achterin de bus gaan zitten.

Leugens

Haar vader was een vrolijke, luide man. Hij hield van moppen tappen en mensen voor de gek houden.. Zijn grootste feestdag was dan ook de eerste dag van april. Dan fopte hij de mensen naar hartenlust en bulderde het uit wanneer ze in zijn vallen liepen. Moeder was meer bekwaam en meer op een lijn met haar.

Vorig jaar december zou ze niet zo snel vergeten. Het grote, ouderwetse huis waarin ze woonde, scheen geschapen voor het sinterklaasfeest, want er was een open haard in de huiskamer met zo een schouw waarin de pijp naar het dak uitkwam. Een ideale plaats om je schoen bij te zetten. Kinderen elders, in centraal verwarmde woningen hebben het moeilijk, maar hun fantasie is zo soepel dat ze hun schoen tevreden bij de radiator zetten, in goed vertrouwen dat Sinterklaas het wel via zal weten te regelen.

Die avond, het was begin december, had het meisje bij de schoorsteen gezongen. Toen ze op weg was naar bed, hoorde ze  de stem van haar vader, die riep: ‘kom eens gauw helpen!’
Ze liep vlot terug naar de kamer. ‘Wat is er?’
‘Ik heb die ouwe bij zijn poot,’riep hij.
Bij het vuur stond hij, uit alle macht trekkend aan een been,. dat uit de schouw kwam. ‘Help nou eens!’
Hij had een rood hoofd van inspanning. Maar het kind stond als verlamd van schrik en zag hem opeens achterovertuimelen, met een hoge laars in zijn hand.
‘Hij is me ontsnapt,’hijgde hij. En overeind krabbelend: ‘Maar zijn schoen heb ik. Die geef ik niet meer terug.’
‘Dat mag niet,’ zei het meisje, ‘nou is Sinterklaas heel boos op u. Misschien komt hij u wel halen vannacht.’
‘Ik ben helemaal niet bang hoor,’riep de vader.
Hij was een liefhebber van grappen, zoals eerder gemeld.

Rillend van angst vluchtte het kind naar de slaapkamer en kroop in bed. Haar moeder kwam en zag meteen dat er iets aan de hand was.
‘Wat scheelt je?’vroeg ze.
En het meisje vertelde hoe vader de woede van Sinterklaas had getrotseerd.
Somber luisterde de vrouw naar het verhaal. Toen zei ze: ‘Wees maar niet bang. Vader maakte maar een grapje.’
‘Maar als Sinterklaas nou boos is?’
‘De echte is al lang dood. Die bestaat niet meer.’
’t was een hele brok om zo ineens door te slikken.
‘En de ooievaar?’ vroeg het kind, ‘die vind ik ook griezelig. Pa zegt dat ik door de ooievaar ben gebracht.’
‘Dat is ook maar een grapje,’ antwoordde de moeder, die in een moeite door schoonschip wilde maken. ‘De ooievaar brengt de kinderen niet. Jij komt gewoon van mij.’
‘O,’ zei het meisje.
Ze kreeg een nachtzoen op het bleke, peinzende gezichtje. De moeder liep naar de deur.
‘Zeg moeder, ‘vroeg het meisje.
‘Ja?’
‘En God, bestaat die ook niet echt?’ klonk het voorzichtig.
‘Jawel, God bestaat écht,’ zei de moeder. En ze deed het licht uit.




S. Carmiggelt

Herfstochtend

Almere is mooi, zeker op een zonnige herfstochtend als deze. Dichters en poëten dwingen je melancholiek te worden van de herfst, maar zoals ik er hardloop, tussen moegedwarrelde bladeren, voel ik me eigenlijk alleen maar blij en vrolijk. Ik zou met plezier alle petities willen tekenen of al mijn kleingeld aan een goed doel willen doneren, want de zwijgende rottende bodem om mij heen drijf mij tot aan mijn oren vol zoet aandoenlijkheid

Hoe houd ik toch van de mensen! Met het openbaar vervoer heb ik wel eens een spuughekel aan hen, want daar is het net of je met een hele troep onbekenden in een groot bed ligt -allemaal met hun eigen eigenaardigheden. In het Bos der Onverzettelijken lopen ze echter zo’n mooi eind uit elkaar, en een mens wint altijd wanneer men hem zijn perspectief geeft.

Kijk. Een mevrouw met koningspoedel! Ik ben zo vrolijk gestemd, dat ik haar groet. En daar komt een kleine knul aangedrenteld, met zijn opa. Of vader. Een plaatje, die twee. De bekoorlijkheid van de dreumes inspireert mij zó, dat ik bij het voorbij rennen het niet kan laten even mijn hand op zijn krullenkop te leggen. Het ventje is echter niet erg vast op zijn beentjes, want nauwelijks heb ik mijn hand teruggetrokken of hij stort al ter aarde en barst in luid huilen uit.

Verschrikt keer ik om mijn eigen as om, en zeg: ‘Oh, sorry!’ Maar één blik op het gelaat van de opa -of vader, maakt me duidelijk dat hier een onuitwisbaar misverstand is geboren.
‘Schaam jij je niet?’ roept de man, rood aangelopen.
‘Nou, nou, niet overdrijven hoor,’ antwoord ik vriendelijk, ‘ik wilde alleen..’
Maar de man is zijn drift niet meester.
‘Rot op, klootzak,’ schreeuwt hij en heft zijn beide armen zo impulsief, dat hij bijna zelf ter aarde stort.
Zo komt het dat ik op een stille herfstochtend, in versnelde looppas het Bos der Onverzettelijken uit ren. Sommige dingen kan je gewoon niet uitleggen.

Groeten

Aan het eind van de middag kwam mijn man met een tas vol boodschappen thuis en zei: ‘Je moet de groeten hebben.’
‘Van wie?’ vroeg ik.
Ofschoon het een redelijke vraag was, keek hij een beetje geïrriteerd. Hij begon zijn jas uit te trekken en zei: ‘Ja, van wie? Dat is het nou juist. Ik weet de naam bijna, maar toch net niet. Het ligt in m’n mond, maar het wil er niet uit. Dat heb ik steeds meer tegenwoordig.’
‘Ik ook,’ zei ik.
Hij liep naar de gang om zijn jas op te hangen. Toen hij in de kamer terugkeerde, vroeg ik: ‘Was ’t een man of een vrouw?’
‘Een man natuurlijk.’
‘Wat is daar zo natuurlijk aan?’
‘Ik heb ‘m toch gezien.’
‘Ja, maar ik niet,’ zei ik. ‘Wat voor sóórt man? Wat doet-ie?’
‘Ik weet niet. Het is  wel een hele leuke jongen. We hebben wat afgelachen met hem.’
‘Is-ie in de twintig of in de dertig?’
‘Ben je gek, hij is minstens vijftig,’ riep hij.
‘Vijftig is de ouderdom der jeugd en de jeugd der ouderdom,’ zei ik.
‘Heel goed. Een spreuk zeker niet van jou.’
‘Van Victor Hugo. Maar waarom noem jij een man van vijftig een jongen?’
‘Omdat-ie nog een jongen was toen we zoveel met hem lachten. Maar dat was vijfentwintig jaar geleden. Toen we nog dag en nacht op weg waren. We vonden hem in elke kroeg. Toe nou. Hij had geen gewone naam. Hè, zeg nou eens wat.’
‘Detlev Klaasvader?’ opperde ik.
‘Zo heet niemand,’ riep hij geërgerd. ‘Hij is klein en dun en beweeglijk. Dat ik nou niet op die naam kan komen… Als ik ‘m zei zou je meteen roepen: “O, die.” En ik heb ‘m bijna. Een beetje vreemde naam.’
‘Wiebe Worgdrager?’
‘Hè, doe nou niet zo lollig.’
‘Rustig maar,’ zei ik. ‘Laten we methodisch te werk gaan. We kunnen hem misschien opbouwen uit bijpassende gegevens. Jij hebt vanmiddag met hem gesproken. Wat vertelde hij?’
‘Niks.’
‘Niks? Hoe kan dat nou?’
‘Ik liep bij de supermarkt in de buurt,’ zei hij. ‘En hij liep op de andere stoep in de tegenovergestelde richting. We wuifden naar elkaar. En hij riep: ‘Doe de groeten.’ Meer niet. Op dat ogenblik wist ik hoe hij heette, maar het zakte meteen weg. En het wil niet terugkomen.’
Mijn man schudde zorgelijk zijn hoofd.
‘Ik word seniel, geloof ik,’ zei hij.
‘Zolang je mijn naam nog weet is er niets aan de hand. Laten we doorgaan. Vroeger hebben we hem vaak ontmoet. Weet je dáárover nog bijzonderheden die zouden kunnen leiden tot het vaststellen van zijn identiteit?’
‘Nou, veel gelachen, hè…’
‘Dat hebben we met veel bekenden gedaan.’
‘Wacht eens, hij was met zo’n blond meisje. Een mooi meisje.’
‘Naam?’ vroeg ik.
‘Weet ik niet. Maar haar vader was een soort schrijver, die ook altijd in de kroeg zat.’
‘Hoe heette die dan?’
‘Een heel gewone naam. Als Jansen, maar dan anders.’
‘Zal ik je de ledenlijst van de Vereniging van Letterkundigen even voorlezen?’ vroeg ik.
‘O nee, daar is-ie vast geen lid van. Een veel te dwarse man. Eénling. En geschreven heeft-ie niks, want hij ging later pas schrijven, als er een betere wereld was.’
‘Dat kan dus wel nog even een tijdje aanlopen,’ zei ik. ‘Hoe zag hij eruit?’
‘Een rond wit gezicht. Hij dronk altijd pils.’
‘Laten we het opgeven,’ zei ik. ‘Ze hebben allemaal ronde witte gezichten en ze drinken allemaal pils.’
Zo eindigde het gesprek in de middag. Maar ’s nachts werd ik met een schok wakker. Er brandde licht en mijn man zat op de rand van het bed.
‘Wat doe je?’ vroeg ik.
‘Hè, ik had ‘m bijna, die naam,’ riep hij. ‘Nou is-ie weer weg.’
Ik draaide me op mijn andere zij en sprak: ‘Laten we gaan slapen. Hoofdzaak is dat ik de groeten heb.’

Vrij bewerkt naar Simon Carmiggelt. Uit: ‘Vroeger Kon Je Lachen, 1977’.