In Geuren

Een goede kennis van ons die meer dan eens graag afreist naar het verre Oosten heeft het vaak over de heerlijke geuren van specerijen die in dat verre Oosten te ruiken zijn. Nu ik zelf in een grote Aziatische stad ben geweest, twijfel ik aardig over het functioneren van het reukorgaan van die kennis.
In Phnom Penh kreeg ik alleen maar de uitlaatgassen van de grote, luxe auto’s en de tweetakmotergeur van tuktuks in mijn neus. De geurcombinatie van olie en vlees op hete barbecues en een zweem van open riolering waren hierop een kleine variatie.
Wanneer ik echt lekker aan Oosterse geuren wil ruiken loop ik thuis de keuken in en ga dan even bij ons kruidenrekje staan. Daar ervaar ik op mijn eigen, aangename manier de geur van specerijen. Wellicht uit een potje, maar het zij zo.
Opvallend en aangenaam opmerkelijk vond ik -met de hoge temperaturen overdag- dat de onaantrekkelijke en penetrante lichaamsgeuren van de Oosterse burgers afwezig bleken te zijn. Waar je in Nederland in de zomer, tijdens een hittegolf van 5 dagen met tropische temperaturen, af en toe een zweem van lichaamsgeuren je in het gezicht slaat, heb je daar in Cambodja helemaal geen last van.
Dat is iets anders wanneer je in de buurt van een in oranje gewaad gewikkelde monnik komt. Bij hen blijkt zeep zeer waarschijnlijk een barbaars gebruiksvoorwerp. Het is me in die 2 weken van reizen door Cambodja meer dan eens opgevallen dat de heilige heren  van de tempels een eigen soort van odeur de moine dragen. Het gebruik van een stukje zeep lijkt mij juist dan meer dan heilig.

Dus wel

In Cambodja werd ik mij ervan bewust dat mijn vooringenomen ideeën vaak ongegrond blijken te zijn. Dat heb je wel vaker bij vooroordelen, heb ik me laten vertellen.
Zo was ik voorheen overtuigd van het feit dat ik geen liefhebber was van Aziatische landen. Waar dit op gebasseerd was weet ik niet, maar ik was er van overtuigd dat als ik in het verre Oosten langs een barbecue liep ik meteen als vanzelfsprekend een voedselvergiftiging zou oplopen. Ik weet nu dat dit niet zo is en ik weet ook dat ik ooit weer naar het verre Oosten zal afreizen.
Zo was ik voorheen ook helemaal geen liefhebber van massages. Dat gekneed in je nek vond ik eerder irritant dan dat ik het aangenaam vond. Wanneer mij werd gevraagd om mee te gaan naar een spa of ander ‘wellness-gebeuren’ haakte ik bij voorbaat af.
Toen mij laatst in Siem Reap een massagebehandeling werd aangeboden, dacht ik: je had het al mis over de Aziatische landen, misschien moet je nu maar eens met de billen bloot en op de massagetafel gaan liggen.
Ik ben om! Hoewel ik nog geen groot liefhebber ben van het gekneed in mijn nek, is de rest me enorm meegevallen. Ik heb genoten dat anderhalf uur! Binnenkort maar eens kijken voor een fijne behandeling in Nederland.
Overigens blijft mijn vooringenomen aversie tegen het parachutespringen en het bungeejumpen gewoon van kracht, en ook zal ik niet in een slangennest of in een stalen kooi springen om onder water een witte haai van dichtbij te zien. Dat is geen vooroordeel. Dat is gewoon gezond verstand.

Kampot

In een tienpersoonsbusje met airco zitten we onderweg van de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Pengh naar het stadje Kampot, in het zuiden van Cambodja. Het is een bekende stad voor mijn neef Jasper en zijn echtgenoot sinds een week, Nichy. Zij brengen hier vaak de spaarzame vrije weekenden door. Hier zullen we 3 dagen in de omgeving van de rivier Preaek Tuek Cchu doorbrengen.

We hebben meer dan 10,000 kilometer per vliegtuig afgelegd om zo’n 40 jaar terug in de tijd te (be)landen. Het straatbeeld in Cambodja geeft me het beeld van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Iedereen doet maar wat en dat gaat hen allemaal verrassend goed af. Kleine kinderen die zonder valhelm, geklemd tussen de ouders, op een scooter zitten en roken is bijna overal op straat toegestaan.

Wanneer we in Kampot over de zandwegen naar onze plaats van bestemming rijden, word ik er aan herinnerd dat er enorme armoede heerst. Welke prima samengaat met de decadente levensstijl van de financieel beter gesitueerde landbewoners van het Aziatische land. Het blijft iets raars, en ik weet niet of ik er aan kan wennen. Nadat we plaats nemen op het terras van Villa Vedici, sta ik weer voor de moeilijke keuze. Biertje, smoothie of cocktail?

Ritjes

Het was vorig jaar in Amsterdam op een terras dat ik getuige was van een gesprek tussen een mollige, destijds aantrekkelijke vrouw en haar tafelgenoot. Ze zei tegen hem: ‘De meeste hier zijn best tof, maar er zitten een paar zure exemplaren tussen. Ik herinner me een nacht… Je ken je Knappe Klaas toch wel herinneren?’
‘Nou,’ zei de tafelgenoot, met ogen als schoteltjes, alsof hij alle verhalen over Knappe Klaas kon.
‘Er zit nu geen smaak meer aan hem,’ zei de vrouw.
‘Getrouwd. En hij mag niets meer. Enorm onder de plak. Ik zag ‘m laatst met dat wijf van ‘m. Hij zag er niet uit! Vreselijk. Terwijl het vroeger zo’n bink was. Ik weet nog, een avond gingen we de kroegen af. Na sluitingstijd namhij me mee naar zijn huis. Daar nog wat gedronken tot de vogeltjes weer begonnen met zingen. Tijd om te gaan, maar ik had geen cent te makken! Knappe Klaas ook niet. Het was nog voor de tijd dat je bij de flappentap geld kon pinnen, en ik moest wel met de taxi want het goot van de regen en ik had al een aardige slok op. Knappe Klaas zei: ‘Bel een taxi. De chauffeur rijdt je wel op de pof. Die doen niet zo moeilijk.’
De taxi komt, ik stap in en ik denk: da’s mis. Het was zo’n stil type. Goed, hij brengt me thuis. Een tientje. Ik zeg: ‘Moet je luisteren, momenteel heb ik geen geld, maar morgenochtend wel. Ik zal mijn gouden oorringen als pand geven en als je morgen om 12 uur komt, krijg je je tientje, plus wat extra.’ Dat was toch een royaal gebaar?
Hij begint met schelden. Alsoftie er dagen op had geoefend. Ik zeg: ‘Als je ’t doet, dan mag je met me naar bed.’ Maar hij bleef maar doortetteren. Dat ie geld wilde zien. Nou woonde ik in de buurt van een politiebureau, waarvan ik bijna iedereen kende. Ik zeg dat ik binnen wel geld kon lenen. Dat bleek niet te kunnen, maar de jongens zeiden dat ik de chauffeur maar even naar binnen moest brengen. Zo gezegd, zo gedaan. Legt de politie uit dat zijn poen wel safe is. De chauffeur vertrekt, scheldend en tierend.
De volgende ochtend tegen 12 uur beltie aan. Ik had geld gehaald en stond ermee in mijn hand bij de voordeur. En toen zegt die chauffeur: ‘Kan ik nu dan met je naar bed?’ Ik zeg: ‘Nee, nou heb ik geen zin meer.’ Waarop hij zegt: ‘Maar ik heb er een vrije dag voor genomen.’ Ik druk hem die 15 gulden in zijn hand en ik zeg: ‘Er is kermis op de Dam. Hier. Daar kan je wel 10 keer voor in de botsautootjes.’

Cambodian Living Arts

Vrijdagavond in Pnomh Pen. In het theater bij het Nationaal Museum van Cambodia wordt de dansvoorstelling “Traditional Dance Sow” door de Cambodian Living Arts uitgevoerd. Samen met familieleden en vrienden neem ik met een persoonlijk lichte vooringenomen instelling plaats naast een Franssprekende man. Hij kijkt nors voor zich uit alsof hij liever op zijn hotelkamer zit. Gezellig.

Enkele leden van de Cambodian Living Arts lopen vlak voor de voorstelling nog druk heen en weer. Ze dragen oortjes in die ik herken van de kassieres bij de Jumbo in Almere. Het is volgens mij iets Columbiaans: druk doen met druk bezig zijn. Maar ik kan het mis hebben. Ik ben ook maar een gemiddelde Nederlander.

Wanneer de dansers beginnen aan het eerste optreden -een dans waarin de succesvolle oogst van de landbouwers wordt uitgebeeld, ben ik aangenaam verrast. Vol overgave en plezier worden tradities, rituelen en dagelijkse gebeurtenissen uitgebeeld. Een volgend optreden is de traditionele Cambodiaanse Apsara-dans.

Het is duidelijk. De vooringenomen instelling was geheel misplaatst. De schoonheid en het enthousiasme van de Cambodiaanse kunstenaars weten me te ontroeren. Als je leert dat tijdens het genocide regime van Pol Pot, 90% van alle artiesten in het land zijn vermoord, en het cultureel erfgoed door enkele overlevenden is doorgegeven, besef je hoe belangrijk cultuur is.

De voorstelling duurt een uur. In deze 60 minuten dansen de dertig dansers de diverse culturele dansen uit alle streken van Cambodja. Van traditionele khmer-dansen tot optredens van de verschillende ethnische minderheden van het land. Mocht je ooit in Pnomh Penh zijn, dan is een bezoek aan de Cambodian Living Arts (http://www.cambodianlivingarts.org/show/) eigenlijk een must.

Sneeuwval

Het was op aandringen van goede vriendin Corine dat Elsemieke het voorstel durfde te doen aan vriend Ronald. Een weekendje skiën met z’n tweeën in Winterberg, Duitsland. Tot haar aangename verrassing reageerde Ronald positief. Hij reageerde het tegenovergestelde wat ze eerst had verwacht. Hij vond het een prima idee. De kinderen waren al groter en volgend jaar zouden ze zeker met z’n viertjes naar de wintersport kunnen gaan. ‘Leer jij maar alvast hoe je op de latten moet staan,’ zei Ronald enthousiast. Elsemieke was er helemaal blij van geworden. Zelf werd ze nog meer enthousiast toen Ronald had voorgesteld dat ze ook meteen maar naar een mooie outfit voor het weekend moest uitkijken.

Het was een feestje op zich om een middag lang op zoek te gaan naar het perfecte skipak. Elsemieke wilde er niet te veel geld aan uitgeven, maar ze wilde ook geen tweedehandsje. Via een collega had ze een adres gekregen van een sportwinkel gespecialiseerd in wintersportkleding. Toen Elsemieke het wit met blauwe pak zag hangen, wist ze dat dit het pak was wat ze in Winterberg zou dragen. Ze had er nog bijpassende handschoenen bij gekocht en een degelijke helm. Corine vroeg zich in de winkel hardop af of een helm echt nodig was, maar Elsemieke hield vol dat veiligheid voor alles ging. ‘Dan maar een weekendje geen fashionista,’ was haar antwoord.

Bij de sleeplift stond de eerst uitdaging voor Elsemieke haar op te wachten. Onervaren, ondanks een luchtige instructie van vriendin Corine, pakte Elsemieke de sleeplift vast. Verrast door de snelheid en de kracht van de lift verloor ze haar evenwicht en viel voorover in de sneeuw. Verward doordat haar gezicht in de sneeuw lag en de kracht van sleeplift bleef ze de sleeplift stevig vasthouden, waardoor ze als een menselijke sneeuwschuiver de berg opsteeg. Ondanks het ‘loslassen!’ van Duitse bijstanders hielden haar handen de lift  stevig vast. Na een paar minuten van sneeuwhappen en happen naar adem liet ze eindelijk los. Haar verwarde gezicht was nat en wit van de sneeuw.

Eenmaal op de latten, bovenop de piste zag Elsemieke wat het skiën precies inhield. Het was niet anders dan naar beneden glijden. In een duizelingwekkende vaart. Vriendin Corine, met jaren ski-ervaring, had Elsemieke geïnstrueerd vooral kalm naar beneden te gaan. Ze wilde nog uitleggen dat ze veel achterom moest kijken voor andere skiërs, maar Elsemieke was al met een lichte gil aan haar afdaling begonnen. Corine riep haar na: ‘Pizzapunt! Pizzapunt!’ om duidelijk te maken dat ze haar skilatten naar elkaar moest steken, maar Elsemieke hoorde haar niet meer. Met een gil liet ze zich vallen, rolde verder in de sneeuw en voor een tweede keer die dag zat haar mond vol sneeuw. Ze vroeg zich serieus af of ze volgend jaar weer zou gaan.

Stralen

Vrijdagochtend. Het is 7 uur in de ochtend wanneer ik de voordeur achter me sluit. Ik vertrek lopend naar het station in Almere Centrum. De zon staat laag aan de hemel te schijnen, alsof het universum me wil zeggen dat het vandaag dan wel de laatste werkdag voor mijn vakantie is, maar dat ze er alles aan doet om het mij zo aangenaam mogelijk te maken. Het universum is een mooie plek om aanwezig te zijn, lijkt me. Ik zou zo ook niet weten wat er nog buiten het universum bestaat.

De vrijdag loopt vervolgens ook vlot en aangenaam. Wanneer ik rond de klok van half 5 het pand verlaat schijnt de zon nog steeds. Een dag gevuld met zonneschijn heeft een positieve invloed op de mensen. Tijdens de wandeling naar het metrostation zie ik de mensen weer glimlachen. Een enkele fietser neuriet een vrolijk deuntje mee met de muziek die uit de oordopjes komen en schoolgaande tieners lachen vrolijker wanneer ze zon hen in het gezicht schijnt.

Onderweg in de metro en de trein valt het me op dat mensen meer vrolijkheid uitstralen. De chagrijnige hoofden, eerst nog verstopt in meterslange shawls en diepe kragen laten weer een nek zien. Terug in Almere hoor ik mensen lachen en ouders hebben weer meer geduld met het aanwezige gedrag van hun kinderen. Wanneer ik een kwartier later in mijn hardloopschoenen een kleine 10 kilometer weg ren zijn de mensen nog steeds blij. De zon gaat langzaam onder en ik begin aan de laatste kilometers van mijn hardlooprondje.

Ik heb via een nieuws-app de positieve weersvoorspelling voor de komende dagen gelezen: een korte periode van aangenaam voorjaarsweer is ons aangekondigd, en ik weet dat hiermee dagen van vrolijkheid en meer verdraagzaamheid aanbreken. Je kunt er maar aan wennen. Zelf zal ik op een andere manier aan de weersverandering moeten wennen, want vanaf aankomende woensdag heb ik, een kleine 9.675 kilometer ten oosten van Nederland, te maken met zomerse temperaturen, rond de 30 °C.

Koffers

De koffers zijn na vierenhalf jaar weer eens uit de garage gehaald. Ze mogen vanaf volgende week weer dienst doen voor datgene waar ze jaren geleden zijn aangeschaft: het maskeren van onze eigendommen als bagage tijdens onze reis. Nadat we vorig weekend beide koffers hebben opgefrist, staan ze nu op zolder klaar om gevuld te worden met kleding en andere benodigdheden om zo volgende week met ons mee te reizen naar Schiphol.

Na maanden van voorpret begint het nu echt spannend te worden. Ik probeer zoveel mogelijk rekening te houden met de dingen die ook echt meegenomen moeten worden, zoals contactlenzen of een oplader voor een elektrisch apparaat. Toch weet ik dat wanneer we in het vliegtuig zitten, ik opschrik en realiseer dat ik  dan toch iets ben vergeten in te pakken. Dat is dan jammer, want ik heb me voorgenomen dit maar te zien als gewoon pure pech is. Soit.

Al het nodige voor een geslaagde trip is inmiddels wel geregeld. Wat ons de komende dagen nog rest is de bekende, figuurlijke puntjes op de ‘i’ te zetten. De e-reader, camera’s en andere gadgets zijn stand by. De andere zaken verdeeld over de koffers en onze handbagage. Het enige wat we helemaal niet kunnen inpakken is ‘goede zin’, maar dat is niet nodig, want dat hebben we vanaf volgende week sowieso wel bij ons.

Geheime Boodschap

Er wandelen rare mensen op deze wereld. Zo heb je meneer van Dalen. Op het eerste gezicht is hij een vriendelijk man. Inclusief een vriendelijk uiterlijk. Meneer is 65-plusser en kijkt altijd serieus de wereld in. Niet per se nors. Meneer groet de mensen met een vriendelijke glimlach en bijna iedereen groet hem net zo vriendelijk terug. Verder valt hij niet op. Maar ik kan niet zeggen dat hij een grijze muis is. Meneer van Dalen doet nu bijna wekelijks iets wat niet voor iedereen geheim is, maar waarvan niemand weet dat het meneer is, die achter deze actie zit.

Zijn geheim begon ooit op een dinsdagochtend, een paar jaar geleden. Meneer was net een paar maanden aan zijn pensioen begonnen en bij zijn afscheid kreeg hij van zijn collega’s een Gazelle fiets. Een degelijk exemplaar. Stevig, maar licht genoeg om er lange afstanden mee af te leggen en dat deed meneer van Dalen. Vanuit het schuurtje in Julianadorp stapte hij altijd enthousiast op de fiets om door de duinen van Noord-Holland te rijden of voor een rondje om het Amstelmeer. Het was tijdens een rondje om dit meer dat meneer van Dalen voor het eerst zijn geheime boodschap achterliet.

Meneer van Dalen was bij het gehucht Van Ewijcksluis begon met het rondje om het Amstelmeer. Tegen de klok in. Op de terugweg, na 45 minuten, in de buurt van de Haukessluis voelde meneer van Dalen een enorme aandrang. Het was er geen die hij kon negeren tot zijn thuiskomst. Hevige krampen gaven een ondraaglijke pijn in de onderbuik . Bij Westerland besloot meneer zich van de pijn te ontdoen. Hij wierp voorzichtig zijn fiets in het hoge gras en sloop voorovergebogen naar de struiken. Snel trok meneer fietsbroek en onderbroek naar beneden en ging gehurkt zitten. Met veel lucht kwam de ontlasting naar buiten. De verlichting werd als hemels ervaren.

Schichtig keek meneer om zich heen om of niemand getuige was van deze situatie. Er werden pollen gras geplukt. Bij het opstaan werden onderbroek en korte broek in een keer opgetrokken. Hij schudde even met de heupen om alles op zijn plaats te krijgen en liep naar zijn fiets om zijn rondje te vervolgen. Meneer had nu een glimlach op zijn gezicht staan. Een glimlach als je iets stiekem hebt gedaan en waar je zonder problemen bent mee weggekomen. Toen meneer van Dalen de Amsteldiepdijk opreed werd zijn glimlach breder.

Meneer van Dalen had nooit gedacht dat het stiekem in het wild poepen hem zo een kick kon geven. Hij was van mening dat alleen jongeren nog een kick konden krijgen. Niet de mensen van zijn leeftijd. Onderweg naar huis, op de Balgweg bij Breezand wist meneer van Dalen dat hij dit vaker wilde gaan doen. De adrenalineboost die door hem was gegaan toen hij weer op zijn fiets sprong, deed hem verlangen naar meer ervaringen. De erectie in zijn broek van het idee om binnenkort weer in het wild te poepen, overtuigde hem dat dit voornemen een juiste was.

Oud

Mijn grootvader, mijn vaders vader, heeft zijn laatste dagen in een bejaardenhuis doorgebracht. Dit tot groot ongenoegen. Het is meer dan eens voorgekomen dat hij uit zijn kamer ontsnapte en dat de bejaardenverzorgers hem uit de aanliggende tuin konden plukken. Om hem vervolgens weer terug op zijn kamer te krijgen. Gelukkig werd er destijds niet zo op verzorgend personeel bezuinigd, want vandaag de dag was mijn grootvader na een ontsnapping nog uren zoek zijn geweest. Een ‘amber alert’ zou hem niet eerder teruggevonden hebben.

Ik ben een beetje als mijn grootvader. Ik heb niet veel op met oudere mensen. Het is niet dat ik een hekel heb aan oude mensen. Integendeel! Maar de wetenschap dat ik met de leeftijd van 50 jaar dichter bij deze senioren sta, dan bij de jeugd die nog een toekomst voor zich heeft, doet me pijn. Geen constante, ondraaglijke pijn die me de hele dag bezig houdt, maar het zijn de pijnscheuten wanneer je er even aan denkt. Maar daar wil ik verder niet over zeuren, want anders denk je nog dat ik met mijn gezeur gegrond bij de senioren onder de bevolking thuis hoor.

Ik zie me over een ruime tijd in een seniorenflat met een gemeenschappelijke ruimte wonen. Ik zit daar in mijn meest comfortabele, dus afzichtelijke, broek te wachten tot de verjaardagsvisite me komt verblijden. Ik ga er vanuit dat het de kinderen en kleinkinderen van familieleden zijn. Ik zou niet weten wie mij anders zou visiteren wanneer ik mijn 90+ verjaardag kan vieren. Misschien dat een oud-collega die ruim 25 jaar jonger is dan ik, mij komt bezoeken. Die als blakende zestigplusser na het bibberend handenschudden en te vochtige verjaardagskussen op een stoel bij het raam plaatsneemt. Om vervolgens akelig stil blijven.

De visite die met de armen over elkaar naar buiten zit te staren en zeer oncomfortabel een, door het personeel aangeschafte slagroomsoes netjes naar binnen probeert te werken. Een opmerking over de smaak of kwaliteit van de verjaardagstraktatie is het hoogtepunt van de conversatie. Steevast ben ik in december jarig, dus men kan enige diversiteit in het gesprek aanbrengen door over de aanschaf van een kerstboom te beginnen. Waarop ik antwoord dat ik vroeger altijd een boom had staan, maar nu in de seniorenflat helaas niet meer. De visite zal reageren met: ‘Dat heb je vorig jaar ook al verteld.’ Ik begrijp nu waarom mijn grootvader af en toe ‘kwijt was’ om later in de aanliggende tuin teruggevonden te worden.

Konijntje

Het blonde jongetje huppelde de wachtkamer van de dokter binnen, samen met zijn opa. Althans het kind liep aan de hand van een enorme homp onaardig stuk mensenvlees. Ik maak deze enigszins nare opmerking, omdat de man het aardige en vriendschappelijkheid miste, daar waar echte opa’s in behoren uit te blinken. In zijn ogen fonkelde geen blijdschap toen hij commandeerde: ‘Ga zitten en blijf overal van af.’
Het jongetje, dat een klein pluchen konijntje onder zijn arm had geklemd, nam gehoorzaam op de hem aangewezen plek plaats, maar aan zijn oogjes zag je, dat het vertrek verschillende voorwerpen bevatte, die hij graag eens met zijn vingers wilde onderzoeken.
Op een kast liepen een aantal stenen olifantje netjes in een rij, die zich zo aardig door elkaar zouden laten zetten, en het tafeltje naast de deur, die was bedekt met stapels tijdschriften en stripboeken. Daar moesten wel hele mooie plaatjes in staan.
‘Opa, mag ik. ..’
‘Zitten blijven. En je mond houden.’
Wie was die man? Een Judas, vermomd in grootvaders pak? Kritische blikken in de wachtkamer keken de grootvader aan, maar het deed hem helemaal niets.
‘Opa, waar zijn die olifantjes voor?’
‘Die zijn voor afblijven.’
Een corpulente dame met een oude Margriet in haar handen begon kreeg een rood hoofd van moeizaam bedwongen verontwaardiging, maar het jongetje zelf bleef aanmerkelijk wijsgerig van aard. Hij nam zijn konijntje op de knie en sprak op verraste toon:
‘Opa!’
‘Ja?’
‘Konijntje praat tegen me.’
‘Zo.’
Meer kon er blijkbaar niet af. Maar de enorme verwondering van het jongetje over het onverwachte spraakvermogen van zijn knuffeldier, was niet te vernielen.
‘Weet u wat konijntje zegt?’
‘Nee.’
Zachtjes, maar niet zonder triomf kwam het stemmetje:
‘Hij zegt: rót opa.’

Toerist

Het is maandagochtend en vanmorgen vroeg vertrekt de trein op tijd, volgens schema, vanuit Almere. Na een kleine 20  minuten rijden we voorbij station RAI, om over luttele momenten Amsterdam-Zuid binnen te rijden. Ik loop naar het balkon van de trein. Het is er druk. Veel reizigers willen de aansluiting met een andere trein, metro of bus halen. Ongeduldige gezichten kijken naar buiten om zo snel mogelijk naar de volgende vervoerder te gaan. Een vrouwelijke reiziger wil eerst zien aan welke kant ze moet uitstappen. Als zij een beetje oplet, kan ze zien dat alle andere reizigers bij de andere deuren klaarstaan.

Schuin achter mij staat een dikke medereiziger. Het is het type Amerikaanse toerist. Iets te dik en daarmee ook iets te aanwezig. Het is half 8 ‘s-ochtends en de man staat al overdadig bezweet op zijn mobiel te tikken. Ik kijk onopgemerkt achterom. Hij is aan het whatsappen. Zijn dikke worstenvingers glijden over het scherm van zijn telefoon. Ik weet niet wat zijn eindbestemming is, maar ik denk dat hij er hier ook uit moet. Hij wordt onrustig en begint zich op te dringen. Lomp duwt hij zijn dikke , vette lijf tegen me aan. Ik word er een beetje knorrig van. Wat denkt die Amerikaanse vetklomp wel? Onpasselijk doe ik een stap opzij en de toerist een stap naar voren.

De trein komt tot stilstand en het balkon loopt vol met reizigers. Iedereen lijkt de trein met haast te moeten verlaten. De deuren van de intercity gaan langzaam open en het balkon begint leeg te stromen. De dikke Amerikaanse toerist blijft staan en haalt zijn mobiele telefoon weer tevoorschijn. Hij beweegt niet. Om mijn aansluiting met lijn 50 te halen stoot ik hem per ongeluk aan. Om te bewijzen dat ik wel fatsoen heb, zeg ik bij het passeren in mijn beste Engels: ‘I’m so sorry sir,’ en verlaat de trein. De Amerikaanse toerist roept me na. Met een plat Amsterdams accent. ‘Je mot uit je doppen leren kijken, stomme buitenlander.’

Catootje

In mijn fictieve verleden woonde er vroeger een oudere dame bij ons in de straat. Ze had de middelbare leeftijd al jaren achter zich gelaten, maar ze stond nog hartstikke positief in het leven. Deze oudere dame heette Gateau, van achteren. Door iedereen mevrouw Catoo of Catootje genoemd. Deze dame uit mijn straat werd vroeger door de buurtbewoners een beetje met de nek aangekeken. Velen vonden juist haar uit de hoogte doen, want ze had een paar jaar in het buitenland gewoond en alles leek haar voor de wind te gaan.

Succesvol zijn is in Nederland niet per definitie een positief ding. Vaak zijn er mensen die plezier halen uit het neerhalen van andere mensen. Zo zijn er groepen die anderen het geluk niet gunnen. Zij die ongelukkig worden wanneer ze enig geluk bij anderen zien. Zo stond men vroeger met luiermanden bij het stadhuis te demonstreren, wanneer een jong koppel moest trouwen. Omdat nog geen 9 maanden na trouwdatum een eerste kind geboren zou worden. De mens, en niet Facebook, is de oorzaak van alle ellende.

Weer terug naar mevrouw Catoo, de buurvrouw uit de straat van mijn fictieve verleden. Er werd destijds geroddeld en er was achterklap. Men sprak valselijk over de jongemannen die haar na 8 uur ‘s-avonds bezochten. Dit kon echt niet. Welk voorbeeld was ze voor de anderen in de buurt? Zelfs de dominee nam deel aan de gesprekken over mevrouw Gateau. Op een dag kwam deze zielenherder met een recente foto van de buurvrouw. Hierop stond mijn buurvrouw onbedekt afgebeeld.

De foto werd door alle buurtbewoners gedeeld en iedereen sprak er schande van. Dat een vrouw van haar leeftijd zich nog zo naakt liet fotograferen! Men liet de buurvrouw op een ongezouten manier weten dit niet te dulden. Zo werden er eieren tegen haar ramen stuk gegooid. Uiteindelijk is ze verhuisd naar een andere buurt. Waar ze jaren lang anoniem en op haar manier gelukkig heeft geleefd. Mij heeft het vooral verbaasd dat niemand zich afvroeg hoe de dominee aan de naaktfoto van mevrouw Gateau was gekomen.

Trommelaar

Als kind ben ik een blauwe maandag lid geweest van een drumband. De plaatselijke turnvereniging met de toepasselijke naam Turnlust had eind jaren 60 -waarschijnlijk voor de muzikaal ingestelde sportievelingen, een drumbandvereniging opgericht met dezelfde naam als de gymnastiekvereniging.  Mijn zus had al eerder als majorette bij de drumband met haar stokje mogen zwaaien en als logisch gevolg mocht ik enkele jaren daarna met de stokjes in de weer. De drumstokken.

Zo zat ik voor een tijdje iedere vrijdagavond bij mijn vader achterop de fiets, onderweg naar de gymzaal ‘De Draaikolk’. Dat was de thuisbasis van de drumband, en op die locatie leerde ik het trommelen. En ik was slecht. Ik kon er echt niets van. Ik trommelde wel altijd vrolijk en in de maat met de andere trommelaars mee, maar wanneer ik iets alleen moest voorspelen raakte ik van de wijs. Letterlijk. Ik trommelde maar wat weg, wat alleen maar verbijsterde gezichten opleverde.

Ik weet nog dat mijn toenmalige zwager, tevens een gevierd tamboer bij de drumbandvereniging, een hele avond bij ons thuis met mij heeft zitten oefenen. Het trommelen kwam ondanks het drammen er bij mij niet in. Op het laatst had ik er helemaal geen zin meer in. Tot grote frustratie van mijn toenmalige zwager. Die kon niet begrijpen dat ik zo slecht en ongemotiveerd was. Ik kon niet begrijpen wat er nu zo leuk was om diverse marsen uit je hoofd te kunnen spelen. Ik trommelde liever op het gehoor met de anderen mee.

Het gezellig samen met anderen meetrommelen was niet voldoende en na een toelatingsexamen werd besloten dat ik niet in uniform met de andere drumbandleden op straat mocht paraderen. Het was voor iedereen duidelijk. Een carrière als trommelaar was niet voor mij weggelegd. Ik was er ook niet rouwig om. Mijn vader overigens ook niet. Die had de vrijdagavonden weer voor zichzelf. Ik heb me niet lang verveeld. De week na mijn muzikaal examen ben ik lid geworden van de padvinderij en daar heb ik jarenlang met kinderlijk plezier mijn tijd doorgebracht.

Zomer 1976

Als kind ben ik in drijfzand terechtgekomen. Ik moet een jaar of 9 zijn geweest en ik was met een groepje buurtkinderen aan het spelen op een stuk grond dat toen werd klaargemaakt voor een toekomstige woonwijk in Den Helder. Jaren later ben ik er nog gaan samenwonen met mijn huidige echtgenoot. Het moet een mooie zomerdag geweest zijn, want ik kan me herinneren dat ik die dag een korte broek aanhad.

We liepen elkaar al spelend uit te dagen over wat we allemaal wel, of juist niet durfden te doen. Een soort van truth or dare. Nog voordat het in Nederland een algemeen begrip was. Op een gegeven moment zal iemand hebben geroepen dat niemand in het drijfzand durfde te gaan staan. Ik was niet echt een stom of achterlijk kind, maar een uitdaging als deze ging ik niet uit de weg.

Avontuurlijk zoals een tienjarige jongen in de jaren 70 kon zijn besloot ik het drijfzand in te lopen. In het begin nog stoer met een houding van ‘mij maken ze de pis niet lauw’, maar een paar stappen verder zakte ik al ras in de modder. Toen ik het allemaal iets minder leuk begon te vinden zakte ik steeds verder de grond in. Ik wist toen nog niet dat wanneer je in drijfzand terecht komt, je niet te veel moet bewegen.

In paniek en als een bezetene begon ik aan en soort van traplopen in de modder, met als resultaat dat ik steeds dieper in de grond geraakte. Het groepje vrienden moedigde me aan om toch maar snel hun kant op te komen. Ze reikten handen en stokken uit om mij zo weer op het vaste land te krijgen. De stokken kreeg ik wel in mijn handen, maar bij iedere beweging raakte ik dieper in de grond.

Een toevallige passant zou ons te hulp zijn toegeschoten, want er was pure paniek in de gezichten van deze pre-tieners te lezen. Toen ik tot aan mijn middel in de modder vastzat, voelde ik iets stevigs onder mijn linkervoet. In mijn herinnering voelde het als iemand mij een zetje gaf. Wellicht was het een groot stuk rots. Of misschien een spirituele behoeder. Ik kan er tot op de dag van vandaag nog geen zinnig antwoord op geven.