In Phnom Penh kreeg ik alleen maar de uitlaatgassen van de grote, luxe auto’s en de tweetakmotergeur van tuktuks in mijn neus. De geurcombinatie van olie en vlees op hete barbecues en een zweem van open riolering waren hierop een kleine variatie.
Wanneer ik echt lekker aan Oosterse geuren wil ruiken loop ik thuis de keuken in en ga dan even bij ons kruidenrekje staan. Daar ervaar ik op mijn eigen, aangename manier de geur van specerijen. Wellicht uit een potje, maar het zij zo.
Opvallend en aangenaam opmerkelijk vond ik -met de hoge temperaturen overdag- dat de onaantrekkelijke en penetrante lichaamsgeuren van de Oosterse burgers afwezig bleken te zijn. Waar je in Nederland in de zomer, tijdens een hittegolf van 5 dagen met tropische temperaturen, af en toe een zweem van lichaamsgeuren je in het gezicht slaat, heb je daar in Cambodja helemaal geen last van.
Dat is iets anders wanneer je in de buurt van een in oranje gewaad gewikkelde monnik komt. Bij hen blijkt zeep zeer waarschijnlijk een barbaars gebruiksvoorwerp. Het is me in die 2 weken van reizen door Cambodja meer dan eens opgevallen dat de heilige heren van de tempels een eigen soort van odeur de moine dragen. Het gebruik van een stukje zeep lijkt mij juist dan meer dan heilig.
