17 mei 2017

Ik zit in de trein. Buiten bepalen de wazige, grijze geluidschermen het stadsbeeld. Het is warm vandaag. Zomers weer. We zijn de warmte nog niet gewend, want het is de eerste tropische dag van het jaar. In de trein is het lekker koel. Anderen vinden dat ook fijn. Een medereiziger zucht opgelucht: ‘Stel je toch voor dat het in de trein net zo benauwd en warm is als buiten.’ Het reisgezelschap zucht mee en knikt bevestigend van: ‘Nou , zeker!’

Klagen is een favoriete bezigheid van de mens en het favoriete onderwerp om over te klagen is sinds de pre-historie altijd het weer geweest. Ik denk dat de eerst gesproken zinnen van de moderne mens het weer als onderwerp betrof. Maar daar waar we vroeger pas na een aanhoudende hittegolf van een paar weken enig protest durfden te uiten, klagen we nu meteen en vooral luidkeels wanneer het kwik in de thermometer, als bij de kop-van-jut op de kermis, tegen de 30 graden aantikt. We zijn het wennen verleerd en het ongeduld is er voor in de plaats gekomen.

Ik luister niet langer naar het geklaag in de coupé en kijk weemoedig naar buiten. De trein is de randstad uitgereden en het uitzicht wordt niet langer belemmerd door  de grijze geluidsschermen of de strategisch geplante bomen. Het landschap van de lage landen rolt aan me voorbij en ik zie vooral de heldere blauwe lucht en het frisse voorjaarsgroen van de weilanden. In een fractie van een paar seconden zie ik een oud boertje in overall voorovergebogen bij een slootje, van wat ik denk, gemaaid gras weg te harken.

Enkele kilometers later zie ik een groep schoolkinderen op een verdwaald fietspad langs het spoor lekker gek doen zoals alleen kinderen dat kunnen. Afgezien van de hoge, tropische temperaturen zijn er mensen die wel genieten van dit vriendelijke weer. Het brengt een glimlach op mijn gezicht en ik bedenk dat we ondanks het figuurlijke warme bad dat we klagen noemen vooral afhankelijk zijn van de blije momenten in ons leven. Lachen, of genieten, zorgt ervoor dat we de moeilijke tijden doorkomen. Koester de mooie herinneringen en geniet vooral vanuit het hart.

De vorige zin klinkt als een tegeltekst, maar de reden van mijn reis deze middag, is een crematie. De moeder van een zeer dierbare vriend is overleden en uit bewondering voor zijn moeder, maar ook als troost voor deze vriend, wil ik er bij aanwezig zijn. Dat is vanzelfsprekend, en ik ben gelukkig niet de enige die er zo over denkt. Deze woensdagmiddag in mei is verdrietig. Voor de nabestaanden een droevige, zwarte dag. Ik hoop dat de aanwezigheid van vrienden en dierbaren enige troost biedt voor een glimlach. Dan heb ik de hoop dat het verdriet eens voorzichtig plaats maakt voor mooie, fijne herinneringen en een lach op het gezicht.

Nabeschouwing

Het Eurovisie-circus is de stad uit. De voorstelling voorbij. De tent is opgedoekt. De artiesten en het publiek zijn naar huis. De keuze is gemaakt: Portugal is de winnaar van het Eurovisie Songfestival 2017. Of dat terecht is weet ik niet. Het Portugese lied Amar pelos Dios is geen lelijk exemplaar, maar persoonlijk vind ik het niet zo bijzonder. Zeker niet het beste liedje van alle 42 inzendingen. Ik la-la dan toch liever mee met Eurovisie inzendingen van landen als Cyprus, Italië of Roemenië.

Qua muziek had het winnend lied niet misstaan op het Songfestival van 1958. Mijn grootmoeder had er vast en zeker glimlachend op zitten meedeinen. Wanneer ik er met mijn ogen dicht naar luister, en niet de iele, fragiele zanger Salvador Sobral voor me zie, doet het me denken aan een intermezzo in een zwart-witfilm waarin een verlegen jongen, gedumpt door de liefde van zijn leven, door de regen naar huis terugfietst. Ook past het lied prima bij een televisiecommercial voor chocolade bonbons.

Hoe kan het dat het winnende liedje van Eurovision 2017, die ik tijdens het afluisteren van de dubbel-cd constant wegdrukte, toch zo populair werd? Het kan zijn dat mijn muzikale smaak niet algemeen is, maar dat betwijfel ik. Mijn smaak op muzikaal vlak is enorm gemiddeld en doorsnee. Kan het zijn dat die-hard Eurovisionsfans er invloed op hebben gehad? Door de slechte gezondheid (hartproblemen) van Salvador Sobral kon hij de eerste repetities in Kiev niet uitvoeren.

Hierdoor viel de Portugese Salvador meteen op en werd hij wellicht de underdog van het festival. Dit werd al snel opgepakt door de bookmakers in Engeland, die helaas veel invloed hebben op het stemgedrag van de Europese songfestivalliefhebbers. Het blijkt dat, mits je echt wilt winnen, je moet opvallen tussen de andere inzendingen. Onderscheidend. Een goed lied is niet goed genoeg. De afgelopen 3 jaar hebben acts gewonnen die echt opvielen naast de andere inzendingen.

Daar kan een man in een apenpak (Italië) niets aan veranderen, want op hetzelfde festival stond er een man bovenop een ladder met een plastic paardenmasker op zijn hoofd (Azerbeidzjan). Dat is niet opvallen, dat is gekkigheid, en daar kennen we genoeg momenten van. Het kopiëren van de winnaar van het voorgaande jaar is ook geen optie, want je valt niet meer op. Hebben we hier ergens in Nederland een Siamese tweeling rondlopen die ook nog eens een mooi riedeltje kan zingen? Zo is het circus hartstikke compleet en wordt Eurovision 2019 zeker in The Netherlands gehouden.

Circus

In de jaren zeventig van de vorige eeuw, vond ik het als kind fantastisch wanneer het circus tijdens de zomermaanden neerstreek in Den Helder op het veld achter het bruggetje aan de Walvisvaardersweg. Het veld bestond uit een paar graspollen en enkele opgedroogde modderpoelen, waar stofwolken je het zicht ontnamen wanneer je aan het spelen was. Later werd het veldje geld waard, nadat het werd gevuld met appartementen. Maar daarvoor was het altijd een aangename afwisseling wanneer er in een warme zomer een grote felgekleurde circustent werd opgezet. Clowns, acrobaten in strakke pakjes en exotische dieren hadden een enorme aantrekkingskracht op mij. Ik kan me herinneren dat ik als pre-puber ‘s-avonds vaak heb liggen fantaseren om van huis weg te lopen en met het circus mee te reizen.

Jawel. Je beleeft het gras altijd groener aan de overkant. Maar dat terzijde. De exotische dieren van toen noemen we vandaag de dag bedreigde dieren. Tegenwoordig mag er bijna geen exotisch dier meer optreden in de piste van een grote circustent. En terecht. Dieren zijn er niet om ons, de verveelde mensen, te entertainen. Laat acrobaat en goochelaar maar in eigen persoon de kunstjes aan het publiek tonen. Ik twijfel er niet aan dat de dieren destijds, in de vorige eeuw, best goed werden verzorgd, maar een dier hoort te léven en niet alleen te bestaan in een omgeving van een beperkt aantal vierkante meters.

Overigens is het maar goed dat ik als kind niet van huis ben weggelopen en met een woonwagen de wereld ben ingetrokken. Het circuswereldje is er niet eentje waar ik gelukkig had kunnen worden. Niet dat het circusleven mij te slecht of te min is, maar nu ik iets rijper, qua leeftijd ben, is het fijn te beseffen dat je sommige keuzes juist niet gedaan hebt. Ook al was het nooit een serieuze overweging geweest om me aan te sluiten bij Circus Toni Boltini. Het circus van vandaag is als zwarte piet: Een relikwie, een gedachtenis aan vroeger. De ouderwetse circussen vind men niet meer leuk en het nieuwerwetse circus van dit millennium vindt niet meer plaats in een tent.

Een Cirque du Soleil heeft meer weg van een gala dan dat het op een circusvoorstelling van de vorige eeuw lijkt. Daardoor vind ik het zo grappig dat een specifiek chique gala dat in 1956 voor het eerst werd gehouden tegenwoordig meer op een circus lijkt. Het Eurovisie Songfestival begon ooit heel statig in Lugano te Zwitserland. Het is na jaren uitgegroeid tot één groot circus met vele circusacts. Mannen in hardrockmonsteroutfits, of rennend in een hamsterwiel. Een Ierse handpop achter een draaitafel en een leven draaiorgel. Er komt meer bij kijken dan alleen maar een liedje op het songfestival.

Gisteravond was de eerste halve finale van Eurovision 2017 en morgen, na een dag van rust op deze woensdag, is de tweede halve finale. De Brabantse zusjes Vol treden namen Nederland op, om ‘ons’ naar de finale op zaterdagavond te zingen, en zingen kunnen ze. Van die 10 finaleplaatsen zit er hoogst waarschijnlijk eentje voor Nederland bij. Een week met 3 avonden van Eurovisie Songfestival. Ik zit thuis heerlijk voor de televisie te genieten. Je mag me uitlachen, belachelijk maken. Mij maakt het niet uit. Ik geniet van het Eurovisie Songfestival sinds het circus nog jaarlijks bij ons vroeger in de woonwijk de olifanten en dromedarissen op het veldje lieten loslopen. En daar waar je van geniet, dat moet je niet verstoppen. Zo aan het einde van deze paar regels tekst weet ik, dat al sinds mijn kinderjaren ik toch altijd een beetje van het circus ben blijven houden.

Zorgen

Vandaag later dan verwacht schrijf ik hier enkele regels van woorden. Door een noodlottig moment in Dronten is mijn schoonmoeder in de nacht van donderdag op vrijdag ten val gekomen en heeft hierbij haar heup gebroken.

Hierop is ze meteen naar het ziekenhuis in Lelystad vervoerd om daar naast het verzorgend personeel opgevangen te worden door mijn echtgenoot en mijn schoonzus. Gelukkig is ze daar in goede handen, maar toen ik vrijdagavond ook even op ziekenbezoek was, zag ik toch wel enige wijzigen in het beleid van de verzorging. Ziekenhuizen zijn door de bezuinigingen van de afgelopen jaren gelijk aan musea en andere attracties waar veel mensen komen geworden. Bezoekers worden geacht pro-actief en vooral interactief deel te nemen. Bezoekuren duren zolang de bezoekers nodig zijn.

Bloedafname wordt voorlopig nog wel door het verplegend personeel gedaan, maar het is een kwestie van tijd dat bezoekers zelf de bloeddruk van de bezochte patiënten moeten meten. Het zal tegen die tijd ook meer dan normaal zijn dat ze door de bezoekers gewassen en gevoed worden. De mogelijkheden zijn in de moderne toekomst oneindig. Denk hierbij aan live-verbindingen tussen chirurgen en bezoekers, via Facebook, Twitter of Instagram. Door deze zogenaamde vooruitgang zal er zeer waarschijnlijk nog minder verzorgend personeel over de werkvloer van de ziekenhuizen lopen. Allemaal wegbezuinigd door de mensen, die wanneer zij ziek zijn, naar een privékliniek gaan.

Niets

Soms heb je gewoon even geen zin om iets te doen. Geen zin om een paar regels te tikken voor een stukkie tekst. Zoals vorige week. Ik kon me er niet toe brengen om het toetsenbord te roeren voor een blogberichtje. Het is niet dat ik geen tijd had. Op Koningsdag had ik even tijd kunnen maken, maar ik had iets van: Meh. Géén zin.

Het had ook niets te maken met gebrek aan inspiratie. Een werkweek van 40 uur en het dagelijks reizen van huis, naar het werk en vice versa leveren genoeg belevenissen op om aan het digitale scherm toe te vertrouwen. Zo hoorde ik het verhaal over een stukadoor die een paar maanden geleden op een vrijdagmiddag een ‘zwart klusje’ had. Nog voordat de klus was geklaard kreeg hij een goedgevulde emmer met pleisterwerk over zich heen. Doorweekt tot op zijn onderbroek moest hij de werkzaamheden stoppen.

Het nadeel van vloeibaar pleisterwerk is dat het snel uithardt. Om de klus die middag af te krijgen, ontdeed hij zich van alle natte kleding. De klus bevond zich in een leegstaand huis en daardoor kon de stukadoor ongezien in adamskostuum zijn werkzaamheden voortzetten. Toen het buiten te donker werd, waren de muren glad gestreken en kon hij op huis gaan. Zijn kleding was hard opgedroogd en niet meer te dragen. Het stucmateriaal kon hij op het adres achterlaten. Gekleed in werkschoenen en alleen een handdoek voor zijn edele delen, trok hij een sprintje naar zijn auto.

Eenmaal thuis zou hij de auto onder de carport parkeren en zo ongezien het huis ingaan. Onderweg had hij het thuisfront via een berichtje laten weten dat hij onderweg was en dat hem een snelle toegang naar binnen toegezegd moest worden. Opgelaten, maar opgetogen blij dat hij nu bijna thuis was, reed de stukadoor in vlot tempo naar huis. maar net voordat hij zijn woonwijk inreed, reed hij een politiefuik in. Controle. Een politieagente wenkte hem haar kant toe. Binnensmonds gevloek. Waarom nu. Waarom hij.

Met enige gêne zette hij de auto tot stilstand. De politieagente was verbaasd dat ze de stukadoor met bloot bovenlijf achter het stuur zag zitten. Naakt in de auto met een zielig handdoekje op de schoot. De vrouwelijke koddebeier corrigeerde haar verraste blik. ‘Het is ongebruikelijk om naakt in de auto te zitten, maar direct strafbaar is het niet,’ zei ze. ‘Kunt u mij de reden geven van uw huidige positie?’ Stotterend en met een rood hoofd vertelde de stukadoor zijn verhaal.

De politieagente vond het verhaal geloofwaardig genoeg. Vooral ook nadat ze enige navraag had gedaan bij haar aanwezige collega’s. die ze  bij zich had geroepen. Nadat de stukadoor in het blaaspijpje had geblazen en bleek dat hij zonder alcohol op achter het stuur zat, mocht hij zijn reis voortzetten. Wel kreeg hij nog een officiële waarschuwing en de tip om voortaan, wanneer hij weer een klus had, een extra setje kleding mee te nemen.

De Kwal

Met een gevoel van onterechte déjà vu liep Elsemieke van Buren, samen met haar vriend Ronald en de tweeling Luuk en Bram door het familiepark Drievliet in Den Haag. Elsemieke was er nooit eerder geweest, maar het voelde vertrouwd alsof ze hier vroeger uren had doorgebracht. Als een nummer op de radio die klinkt als een vertrouwde hit van vroeger, maar net is uitgebracht. Dat had ze destijds ook met de hit Rehab van Amy Winehouse. Een nieuwe ervaring die toch vertrouwd aanvoelt.

Nadat ze een paar uur door het park hadden gelopen en beide ouders geduldig alle kinderattracties zoals de Kakelcarrousel en de Jolly Jumper hadden meegemaakt, voelde Elsemieke’s voeten vermoeid aan. Ze wilde naar huis. Het was als een hele dag shoppen, met het verschil dat ze vandaag geen volle tassen mee naar huis zou nemen. Het weer werkte ook niet meer mee. Het miezerde. Niet hard genoeg om met een paraplu rond te lopen, maar het voelde niet prettig. De tweeling van 3 jaar was inmiddels ook aardig moe en hangerig geworden.

Nadat ze samen met Ronald had besloten om weer richting huis af te rijden, wilde ze nog een laatste attractie proberen. Het was een draaimolen die haar aan vroeger deed denken. ‘De Kwal’ heette deze attractie en in haar onschuld dacht Elsemieke aan de Octopus die vroeger op bijna iedere kermis in haar woonplaats onschuldig rondjes stond te draaien. In een opwelling van nostalgie liet ze haar vriend en kinderen achter. Het was niet druk bij de attractie en al snel zat ze in een  van de 20 bakjes. Ronald stond, samen met Luuk en Bram in de kinderwagens, op afstand te wachten.

In het bakje gezeten, dat bestond uit een rugleuning en wat ijzeren stangen, zocht Elsemieke naar een veiligheidsriem, maar deze kon ze niet vinden. Op het moment dat ze besloot om dan toch maar geen rondje mee te draaien kwam de attractie in beweging. Gelaten zat ze in de attractie die langzaamaan rondjes draaide. Ze wachtte haar tijd uit. Na een halve minuut begon de draaimolen sneller te draaien en bewogen de bakjes, ook die waarin ze zat, lichtelijk schuin naar buiten. Met beide handen greep ze de ijzeren stangen stevig vast.

Elsemieke had spijt van de beslissing om in de attractie plaats te nemen. Toen de draaimolen omhoog ging en zij een paar keer over de kop ging, wist ze dat dit ritje de rest van haar dag zou verpesten. Met haar 55 kilo kwam haar achterwerk los van het bakje en dacht ze dat ze uit de attractie zou vallen. Na een lange tweetal minuten, waarin ze zich paniekerig met voeten en handen vastklemde, kwamen ze weer tot stilstand. Ronald stond op afstand te lachen en te zwaaien. ‘Klootzak,’ sneerde ze binnensmonds naar hem toe. Ze stapte verward, net als haar kapsel, uit het bakje van De Kwal.

Beter

Meneer Barend zit een beetje chagrijnig op een houten bankje in de wachtruimte van het gezondheidscentrum. Samen met andere stadsgenoten die om een of andere reden, of juist om precies dezelfde reden, een bezoek aan de huisarts nodig vinden. Hij heeft het wachten nooit bovenaan een lijst van ‘dingen-die-ik-graag-doe’ willen plaatsen.

De mevrouw links van meneer Barend hoest wel heel veel. Het lijkt niet meer met een smeersel weg te hoesten, en de ontsteking aan het oor bij de man rechts van hem lijkt meneer Barend iets te besmettelijk.

Voorzichtig schuift hij iets naar links zijn billen over het bankje, maar let op dat hij niet te dicht in de buurt van de mevrouw met de aanhoudende hoest zit.

Hij probeert de adem in te houden, in deze ruimte gevuld met ziektekiemen en ander groots microscopisch kwaad. De afspraken lopen uit en met een gesloten mond ademt meneer Barend verder door zijn neus.

Na een half uur wachten mag hij naar de behandelkamer en neemt uiteindelijk plaats tegenover de huisarts. De ruimte is klein en de arts is nog druk achter de computer. Het bezoek van de voorganger van meneer Barend aan het afronden. Hij zit niet meer lekker tegenover de arts. De ziektekiemen van zijn voorganger hebben een spoor op de warme zitting achtergelaten. Of wellicht had deze bezoeker alleen last van een blessure. Die gedachte verzacht de ellendige kwelling van meneer Barend.

Aanhoudende koorts en pijn in zijn lichaam zijn de reden van zijn bezoek. Meneer Barend had er geen zin meer in om langer door te kwakkelen.

Na een korte overhoring over de klachten, luistert de dokter naar de longen van meneer Barend. De conclusie is dat er geen sprake is van een longontsteking. Het is zeer waarschijnlijk maar een luchtweginfectie.

Gelukkig!, denkt meneer Barend. Hij staat op, geeft de dokter een hand en zegt dank voor het genoegzame onderzoek.

Lopend door de wachtruimte kan hij niet wachten om weer buiten te staan. Om de gezonde stadslucht via zijn geïnfecteerde luchtwegen te inhaleren.

Buiten stapt meneer Barend op zijn fiets. Hij voelt zich stukken beter.

Lucht

    Al de hele middag loopt ze geïrriteerd door de woonkamer. Heen en weer. Als een ijsbeer. Af en toe diep door de neus te inhaleren.
    Haar vriend kijkt licht geërgerd op vanuit een folder van de IKEA.
    Nadat ze nog een paar keer op en neer loopt, wordt haar door de vriend de vraag gesteld wat ze toch in godsnaam aan het doen is.
    ‘Het stinkt hier,’ zegt ze ontstemd. ‘En ik kan het niet thuisbrengen.’
    ‘Wie kan je niet thuisbrengen?’
    ‘Niet wie, maar wat!’ roept ze. ‘Die stank! Alsof er iets ligt weg te rotten.’
    Haar vriend rolt nog net niet met zijn ogen. ‘Wat moet er dan liggen rotten? Wat ruik je precies?’
    ‘Een zoete, penetrante rottende lucht. Alsof er ergens een stuk fruit ligt weg te rotten.’
    ‘Dus geen half opgevreten muis,’ zegt de vriend en doelt daarmee op de jachttrofeeën van de twee huiskatten, die af en toe via het kattenluik mee naar binnen worden gebracht. Ze schudt haar hoofd. Hij sluit de folder van IKEA, staat op en loopt ook, diep inhalerend door de neus, naar diverse hoeken van de woonkamer. ‘Ja, nu ruik ik het ook,’ zegt hij met een gezicht van ontzetting.
    ‘Zie je wel? Ik verzin het niet,’ verdedigd ze.
    ‘Dat heb ik ook niet gezegd.’ De vriend loopt meteen door naar een bijzettafeltje naast de buffetkast en ontdekt de oorzaak.
    Een gekleurde luchtverfrisser van kunstzinnig glas staat er onschuldig een lucht van mango en papaja door de kamer te verspreiden.
    ‘Hier!’ zegt de vriend en wijst met de vinger naar de veroorzaker van de stank. ‘Het is de luchtverfrisser die je zelf van het weekend uit de supermarkt hebt meegenomen.’
    Ze loopt naar het bijzettafeltje, pakt de luchtverfrisser op en loopt naar buiten. ‘Die stank gaat naar waar het thuishoort. In de container.’
    Even uur later is de lucht opgeklaard.

Gebarentaal

‘Wij Nederlanders zijn toch maar een tolerant volk!’ Hoe vaak ik deze zin heb mogen horen? Ontelbaar. Op het werk. Op verjaardagsfeestjes. Op Twitter. In de trein. In de media. Ik kan zo blijven doorgaan. Iedere keer als ik die zin hoor, of lees, laat ik in gedachten mijn hoofd zakken en schud zachtjes nee.
    We zijn helemaal geen verdraagzaam volk. Alles wat afwijkt, keuren we absoluut af. Met tegenzin laten het toe. Het tolereren dus. Maar algehele acceptatie is nog ver te zoeken.
    Als apen doen we elkaar na wanneer er tot saamhorigheid wordt opgeroepen. Politici die hand in hand in Den Haag rondlopen. Voetbalkenners, die niets van homoseksualiteit willen weten, staan hand in hand gebroederlijk naast elkaar op een foto. Een mooi gebaar, maar er verandert niets.
    ‘Iedereen heeft het recht te zijn, wie ze zijn.’ Alleen zolang we ons er niet aan hoeven ergeren. Ik heb bijna 25 jaar samen met mijn echtgenoot een relatie. Wanneer wij hand in hand lopen zijn we onszelf niet, want jarenlange afwijzing heeft ons gemaakt tot wie we zijn.
    Daar brengt een actie als #allemannenhandinhand geen verandering in. Probeer als heteroseksueel eens in de schoenen van een homoseksueel te staan. De afwijzing is -bijna- dagelijks te voelen. Het is de instelling van mensen voor de afwijkende, niet alledaagse dingen.
    Toen vorig jaar september de donorwet werd doorgevoerd en ik me hardop afvroeg of homoseksuelen ook mochten doneren, omdat homoseksuelen nog steeds niet bloed mogen geven, verwachtte ik eerlijk gezegd dat men met de vuist op tafel zou slaan en in ongeloof zou roepen: ‘Wat? Hoezo niet!’ Maar al wat ik hoorde was een laf: ‘Goh, is dat nog steeds een dingetje?’ Dat ik wordt uitgesloten van bloedgeven, wat verder iedereen mag doen, omdat ik tot een specifieke mensengroep behoor, is voor velen een dingetje.
    Dat geldt gelukkig niet voor alle Nederlanders. Ik kan hier met trots schrijven dat mijn eigen zus een kennis de toegang tot haar woning heeft geweigerd, nadat de persoon in haar huis een negatieve preek hield over homoseksuelen in het algemeen. Dat vind ik een straffe actie! We hebben meer mensen nodig die opkomen voor anderen. Een actie die sterker is dan het delen een mening op Facebook (probeer op een zaterdagmiddag hand in hand met een persoon van gelijke sekse door de stad lopen).
    Ik heb nog hoop.

Nachtmerrie

Een vooraanstaande Russische krant berichtte begin april dat de Tsjetsjeense autoriteiten een heksenjacht hebben geopend op mannen die van homoseksualiteit worden ‘verdacht’. Er zouden honderden mannen zijn opgesloten in geheime gevangenissen. Ze werden gemarteld en onder druk gezet om namen te noemen van andere homoseksuelen. Dit meldden enkele vrijgelaten mannen. Zeker drie mannen zouden om het leven zijn gekomen.

President Kadyrov van Tsjetsjenië ontkent alle beschuldigingen. Hij beweert zelfs dat homoseksualiteit in Tsjetsjenië niet bestaat.

Amnesty roept de Russische autoriteiten op de verontrustende berichten te onderzoeken van het ontvoeren, martelen en vermoorden van homoseksuelen in de Russische deelrepubliek Tsjetsjenië. Ook vragen ze stappen te ondernemen om homoseksuelen in Tsjetsjenië te beschermen.

Vraag de Russische autoriteiten onmiddellijk onderzoek te doen naar meldingen dat homoseksuelen in Tsjetsjenië massaal worden opgepakt en gemarteld. Teken nu de petitie!
bron: Amnesty

Kastmensen

De kamer van ons hotel in Phnom Pen waar we de eerste dagen van onze vakantie doorbrachten, lag aan het einde van de gang. Wat zich ook aan het einde van die gang bevond was de voorraadkast van de schoonmaaksters van het hotel. Na een dag hadden mijn echtgenoot en ik al snel door dat deze kast niet alleen de voorraad verborg, maar tevens de woning van de 3 schoonmaaksters van het hotel.
Het blijkt dat het in de kast zitten niet alleen is voorbehouden aan de Harry Potters en closet gays.
Heel sneu was het allemaal niet voor deze 3 schoonmaaksters. Ze begroetten ons vriendelijk, en keken iedere ochtend altijd vrolijk de wereld in. Wanneer ze met de deur dicht in de voorraadkast woonden, hoorden we ze altijd op een vrolijke toon mompelen.
Het blijkt maar weer: wanneer je niet veel verwacht van het leven, dan valt het uiteindelijk allemaal wel mee.
Na een week, op de laatste ochtend van ons verblijf in het hotel hebben we een paar oude shirts en mijn bruine ‘nette’ schoenen -die ik voor de bruiloft had gepakt- in een prullenmandje achtergelaten. Ik kan  me de gedachte niet uit het hoofd zetten dat een kleine 10.000 kilometer ten oosten van Nederland, een schoonmaakster van zo’n anderhalve meter hoog, in onze XL-shirts en mijn bruine ‘nette’ schoenen, maat 44, rondklost in de hoofdstad van Cambodja.

In Geuren

Een goede kennis van ons die meer dan eens graag afreist naar het verre Oosten heeft het vaak over de heerlijke geuren van specerijen die in dat verre Oosten te ruiken zijn. Nu ik zelf in een grote Aziatische stad ben geweest, twijfel ik aardig over het functioneren van het reukorgaan van die kennis.
In Phnom Penh kreeg ik alleen maar de uitlaatgassen van de grote, luxe auto’s en de tweetakmotergeur van tuktuks in mijn neus. De geurcombinatie van olie en vlees op hete barbecues en een zweem van open riolering waren hierop een kleine variatie.
Wanneer ik echt lekker aan Oosterse geuren wil ruiken loop ik thuis de keuken in en ga dan even bij ons kruidenrekje staan. Daar ervaar ik op mijn eigen, aangename manier de geur van specerijen. Wellicht uit een potje, maar het zij zo.
Opvallend en aangenaam opmerkelijk vond ik -met de hoge temperaturen overdag- dat de onaantrekkelijke en penetrante lichaamsgeuren van de Oosterse burgers afwezig bleken te zijn. Waar je in Nederland in de zomer, tijdens een hittegolf van 5 dagen met tropische temperaturen, af en toe een zweem van lichaamsgeuren je in het gezicht slaat, heb je daar in Cambodja helemaal geen last van.
Dat is iets anders wanneer je in de buurt van een in oranje gewaad gewikkelde monnik komt. Bij hen blijkt zeep zeer waarschijnlijk een barbaars gebruiksvoorwerp. Het is me in die 2 weken van reizen door Cambodja meer dan eens opgevallen dat de heilige heren  van de tempels een eigen soort van odeur de moine dragen. Het gebruik van een stukje zeep lijkt mij juist dan meer dan heilig.

Dus wel

In Cambodja werd ik mij ervan bewust dat mijn vooringenomen ideeën vaak ongegrond blijken te zijn. Dat heb je wel vaker bij vooroordelen, heb ik me laten vertellen.
Zo was ik voorheen overtuigd van het feit dat ik geen liefhebber was van Aziatische landen. Waar dit op gebasseerd was weet ik niet, maar ik was er van overtuigd dat als ik in het verre Oosten langs een barbecue liep ik meteen als vanzelfsprekend een voedselvergiftiging zou oplopen. Ik weet nu dat dit niet zo is en ik weet ook dat ik ooit weer naar het verre Oosten zal afreizen.
Zo was ik voorheen ook helemaal geen liefhebber van massages. Dat gekneed in je nek vond ik eerder irritant dan dat ik het aangenaam vond. Wanneer mij werd gevraagd om mee te gaan naar een spa of ander ‘wellness-gebeuren’ haakte ik bij voorbaat af.
Toen mij laatst in Siem Reap een massagebehandeling werd aangeboden, dacht ik: je had het al mis over de Aziatische landen, misschien moet je nu maar eens met de billen bloot en op de massagetafel gaan liggen.
Ik ben om! Hoewel ik nog geen groot liefhebber ben van het gekneed in mijn nek, is de rest me enorm meegevallen. Ik heb genoten dat anderhalf uur! Binnenkort maar eens kijken voor een fijne behandeling in Nederland.
Overigens blijft mijn vooringenomen aversie tegen het parachutespringen en het bungeejumpen gewoon van kracht, en ook zal ik niet in een slangennest of in een stalen kooi springen om onder water een witte haai van dichtbij te zien. Dat is geen vooroordeel. Dat is gewoon gezond verstand.

Kampot

In een tienpersoonsbusje met airco zitten we onderweg van de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Pengh naar het stadje Kampot, in het zuiden van Cambodja. Het is een bekende stad voor mijn neef Jasper en zijn echtgenoot sinds een week, Nichy. Zij brengen hier vaak de spaarzame vrije weekenden door. Hier zullen we 3 dagen in de omgeving van de rivier Preaek Tuek Cchu doorbrengen.

We hebben meer dan 10,000 kilometer per vliegtuig afgelegd om zo’n 40 jaar terug in de tijd te (be)landen. Het straatbeeld in Cambodja geeft me het beeld van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Iedereen doet maar wat en dat gaat hen allemaal verrassend goed af. Kleine kinderen die zonder valhelm, geklemd tussen de ouders, op een scooter zitten en roken is bijna overal op straat toegestaan.

Wanneer we in Kampot over de zandwegen naar onze plaats van bestemming rijden, word ik er aan herinnerd dat er enorme armoede heerst. Welke prima samengaat met de decadente levensstijl van de financieel beter gesitueerde landbewoners van het Aziatische land. Het blijft iets raars, en ik weet niet of ik er aan kan wennen. Nadat we plaats nemen op het terras van Villa Vedici, sta ik weer voor de moeilijke keuze. Biertje, smoothie of cocktail?

Ritjes

Het was vorig jaar in Amsterdam op een terras dat ik getuige was van een gesprek tussen een mollige, destijds aantrekkelijke vrouw en haar tafelgenoot. Ze zei tegen hem: ‘De meeste hier zijn best tof, maar er zitten een paar zure exemplaren tussen. Ik herinner me een nacht… Je ken je Knappe Klaas toch wel herinneren?’
‘Nou,’ zei de tafelgenoot, met ogen als schoteltjes, alsof hij alle verhalen over Knappe Klaas kon.
‘Er zit nu geen smaak meer aan hem,’ zei de vrouw.
‘Getrouwd. En hij mag niets meer. Enorm onder de plak. Ik zag ‘m laatst met dat wijf van ‘m. Hij zag er niet uit! Vreselijk. Terwijl het vroeger zo’n bink was. Ik weet nog, een avond gingen we de kroegen af. Na sluitingstijd namhij me mee naar zijn huis. Daar nog wat gedronken tot de vogeltjes weer begonnen met zingen. Tijd om te gaan, maar ik had geen cent te makken! Knappe Klaas ook niet. Het was nog voor de tijd dat je bij de flappentap geld kon pinnen, en ik moest wel met de taxi want het goot van de regen en ik had al een aardige slok op. Knappe Klaas zei: ‘Bel een taxi. De chauffeur rijdt je wel op de pof. Die doen niet zo moeilijk.’
De taxi komt, ik stap in en ik denk: da’s mis. Het was zo’n stil type. Goed, hij brengt me thuis. Een tientje. Ik zeg: ‘Moet je luisteren, momenteel heb ik geen geld, maar morgenochtend wel. Ik zal mijn gouden oorringen als pand geven en als je morgen om 12 uur komt, krijg je je tientje, plus wat extra.’ Dat was toch een royaal gebaar?
Hij begint met schelden. Alsoftie er dagen op had geoefend. Ik zeg: ‘Als je ’t doet, dan mag je met me naar bed.’ Maar hij bleef maar doortetteren. Dat ie geld wilde zien. Nou woonde ik in de buurt van een politiebureau, waarvan ik bijna iedereen kende. Ik zeg dat ik binnen wel geld kon lenen. Dat bleek niet te kunnen, maar de jongens zeiden dat ik de chauffeur maar even naar binnen moest brengen. Zo gezegd, zo gedaan. Legt de politie uit dat zijn poen wel safe is. De chauffeur vertrekt, scheldend en tierend.
De volgende ochtend tegen 12 uur beltie aan. Ik had geld gehaald en stond ermee in mijn hand bij de voordeur. En toen zegt die chauffeur: ‘Kan ik nu dan met je naar bed?’ Ik zeg: ‘Nee, nou heb ik geen zin meer.’ Waarop hij zegt: ‘Maar ik heb er een vrije dag voor genomen.’ Ik druk hem die 15 gulden in zijn hand en ik zeg: ‘Er is kermis op de Dam. Hier. Daar kan je wel 10 keer voor in de botsautootjes.’