Hemel

Zouden ongelovigen ooit ook naar de Hemel kunnen gaan?
Of is deze plek alleen gereserveerd voor de ‘goeden’.
Voor mensen die Heilig lezen, maar anderen laten bloeden.
Ik heb er nooit zo over nagedacht en kan alleen vermoeden,
dat, als dit zo is, de Hemel voor mij niet hoeft te bestaan.

Wie beslist er over de toegang naar het hemelse bestaan?
Is dat God, of beslissen de mensen hier op aarde,
over de anderen en veroordelen op normen en waarden.
Want wie let op de hoge priesters en eerwaarden?
Als die in hemel komen, hoef ik niet meer te gaan.

Ik wil me niet omringen met mensen die over God praten,
maar er vervolgens voor kiezen niet in te grijpen,
die heel stiekem de kat in het donker knijpen.
Nee, geen verlangen die mensen te willen begrijpen.
Dan heb ik liever dat ze me na mijn dood bij de hemelpoort achterlaten.

Slaapmuts

Van de week vond ik in de gang een klein fluwelen puntmutsje dat door niemand werd opgeëist. Toen ik de volgende nacht in bed lag en mij al een paar uur in dromenland bevond, werd ik plotseling gewekt door een aan aanhoudende pijn in mijn linkerschouder. Ik deed het nachtlampje aan en zag hoe dit kwam: er werd tegen mijn schouder gestompt door iemand die naast mijn bed stond. Een klein mannetje. Het droeg een mooie, witte baard en was gekleed in een groen fluwelen jasje en kanariegeel brokje van ouderwets kwaliteit.
‘Meneer,’ zei het ventje, ‘mag ik mijn muts terug?’
‘Maar u bent een kabouter!’ riep ik verrast.
‘Inderdaad meneer,’ luidde zijn antwoord. ‘Ik ben kabouter met honoraire titel, met de rang van dwerg eerste klasse. Maar als ik mijn muts niet terugkrijg, word ik gedegradeerd tot ongeschoold aardmannetje en dan is mijn pensioen naar de haaien. En dat is niet makkelijk meneer, als je er al zo lang voor gewerkt hebt.’
‘Maar natuurlijk krijgt u ‘m terug!’ zei ik, uit bed springend. ‘Hoe kwam ie eigenlijk in de gang’- als ik niet te vrijpostig ben?’
‘O, ik was even op bezoek in uw keuken,’ zei de kabouter. ‘Een van uw katten gaf een etentje, u weet wel…’
‘Ik weet dat niet echt,’ antwoordde ik. ‘Maar was het gezellig?’
‘Och, zoals zo’n avondje is…’ zei hij blasé. ‘Je bent nog niet binnen, of ze beginnen over de duurste blikvoer of hun angst voor blaffers, want al mauwen ze nog zo, ze hebben allemaal belang bij de maatschappij. Tegen het eind van de avond werd het pas echt leuk. Toen hebben we nog een paar honden in de straat voor de gek gehouden.’
‘En toen bent u uw puntmuts verloren?’ veronderstelde ik.
‘Nou, ik was een beetje ver heen, ziet u,’ zei de kabouter met een glimlach. ‘Ik had flink wat beukennoten op en ik herinner me niet zo precies meer hoe ik thuis gekomen ben. In het bos heb ik wel een paar uur staan zoeken naar waar mijn ondergronds huisje was. En pas de volgende dag miste ik mijn muts, en u was toen al uit bed en dan mogen wij, kabouters, ons niet meer laten vertonen door de kabouterbond.’
De kabouter zette zijn mutsje weer op.
‘Nou, ik zal maar zeggen, het beste met alles,’ sprak ik.
Hij verdween weer stilletjes.
Ik ging weer liggen en dacht: Wedden, dat ze morgen allemaal zeggen dat ik het gedroomd heb?

vrij bewerkt naar een stukje van Simon Carmiggelt

Druk

Haar naam is Elsemieke van Buuren. Een vrouw van net 30 jaar. Vernoemd naar haar beide oma’s, Els en Mieke. Ze is moeder van 2. Luuk en Bram. Een tweeling van 3 jaar oud. Elsemieke woont samen met Ronald van Leeuwen en 32 uur per week is ze werkzaam op kantoor. Naast haar drukke baan doet ze graag aan hardlopen en geniet ze van de ‘high wine-middagen’ met haar beste vriendinnen.

Gewoon wijn drinken bij haar vriendinnen, daar houdt ze ook van en wijn drinken zonder haar vriendinnen vindt Elsemieke ook prima. Als er maar wijn is. Ze doet het huishouden samen met vriend Ronald, maar inmiddels weet ze dat de meeste taken op haar schouders rusten. Ze heeft er vrede mee. Het overreden om de huishoudelijke taken uit te voeren vergt meer energie dan die paar handelingen zelf.

De derde woensdagmiddag van de maand doet ze steevast de maandelijkse boodschappen. Dit uitje staat vast in de agenda. Het hele jaar door. Het is geen opgave, zoals het jaren geleden was. Het is inmiddels onderdeel van het leven. En ze vindt het heerlijk. Niet meer zo vaak sjouwen met luiers en andere noodzakelijke artikelen. Boodschappen doet ze samen met haar beste vriendin Corine, want met 2 kleine kinderen redt ze dat niet alleen.

Elsemieke heeft een druk hoofd. Dan malen haar gedachten maar door. En door. Zo ook deze derde woensdag van de maand. Ze betrapt zich erop dat ze op de automatische piloot de boodschappen heeft gedaan, want ondanks een boodschappenlijstje zijn er toch een paar dingen vergeten. Ze vertelt haar vriendin of ze de boodschappen en de kinderen maar alvast in de auto moet zetten.

Na een snelle wandeling door de gangpaden van de supermarkt heeft ze haar mandje bijna vol. Ze vraagt zich af hoe ze deze artikelen heeft kunnen vergeten en dwaalt verder af naar de werkzaamheden die nog op haar wachten. Nadat ze de boodschappen heeft afgerekend loopt ze met de armen vol, want een plastic tasje heeft alleen nadelen, naar de auto van haar vriendin. Ze stapt in en zegt: ‘Rijden maar.’

Corine zegt niets en de auto komt niet in beweging. Als ze wilt vragen wat er loos is, hoort ze een mannenstem. ‘Mevrouw ik denk dat u in de verkeerde auto zit.’ Elsemieke draait haar hoofd naar links en kijkt in de blauwe ogen van een oude, gezette man. Langs het hoofd van de man, in de auto ernaast ziet ze de tweeling op de achterbank zitten en haar vriendin kijkt haar onbegrijpend aan.

Onbezittelijk

Ik ben van mening dat ik wel weer een rondje kan hardlopen. Het is droog weer. De temperatuur is laag, en het hardloop-animo hoog. Een rondje met een petje op het hoofd en de hardlooplegging tot onder de knie. En daar ga ik.

Na een kilometer heb ik de pas er goed in. Nog een kilometer en ik ben in het Beatrixpark. Geen moment denk ik dat ik beter thuis had kunnen blijven. De schoenen zitten perfect om de voeten. Er zijn momenten geweest dat ik dacht dat de hardloopschoenen de oorzaak zijn van alle blessure-ellende. Vandaag niet.

Ik passeer de stadsgrens. Ik heb inmiddels 4 kilometers door de stad gelopen. Ik loop het natuurgebied Pampushout in. De zon schijnt in de rug en laat een rennende schaduw zien. Het lage land om is wit, mistig en hier en daar ligt een bevroren plas. Weer een kilometer verder, sla ik het Michelinpad op.

In aanhoudende tempo loop ik in Noord-Oostelijke richting. De wind is stil. Net als de schaduw die links van me meerent. Even later sla ik linksaf het bos in. De bodem is er niet vlak en ik loop van richel naar kuil. Ik draai me om en sla later weer linksaf. Het Michelinpad op. Een man met een Indiana Jones-hoed en de hond aan de lijn groet me wanneer ik hem passeer. Ik groet terug.

Het hardlopen gaat lekker. Nog geen pijntjes in de voeten of benen. Ik sla rechtsaf, het Gerrie Knetemannpad op en ik loop weer de bewoonde wereld in. Door de Muziekwijk, langs het kerkhof weer terug naar het Beatrixpark. Bij het stadspark loop ik over het specerijpad door de Kruidenwijk. Ik heb inmiddels 8 kilometer gelopen. Nog ruim 2 kilometer te gaan en dan ben ik thuis.

De laatste kilometers gaan perfect. De gemiddelde hardloopsnelheid ligt laag en langzaamaan bedenk ik wat we vandaag allemaal gaan doen. Er zijn genoeg leuke dingen om de dag mee door te brengen. Het zijn niet te veel dingen, dus alles kan in een relaxt tempo. gebeuren. Weekenden als deze blijven toch wel favoriet.

Huisdier

‘Een huisdier? Nou, denk daar nog maar een goed over na!’
    De blonde moeder reageert op een mededeling van haar buurvrouw. Ze is een jonge zelfverzekerde vrouw die midden in het leven staat. Ze is vrolijk en niet het type waarvan de rol van moeder haar is overkomen. Eerder een bewuste keuze. Blijheid straalt van haar gezicht.
    De buurvrouw, met donkere en treurige ogen als Sanne Wallis de Vries, kijkt beteuterd naar grond. Samen zitten ze op een bankje in het stadspark. Hun beide kinderen, buurjongens, spelen op het veldje. Het is te koud om relaxt op een bank in het park te zitten. Beide vrouwen zitten diep verscholen in hun winterjas. De jonge blonde moeder kijkt om haar heen op zoek naar haar zoon. Wanneer ze beiden buurjongens ziet leunt ze weer achterover. Ze neemt een trek van haar sigaret en blaast snel de rook uit.
    ‘Zo’n jaar geleden leek het me leuk om een dier voor Kevin in huis te nemen. Geen hond of kat. Gewoon een dier in een kooitje. Zo’n beestje dat af en toe wat aandacht nodig heeft. Wij dus op een ochtend op de fiets naar de dierenwinkel. Ongelooflijk wat een keuze! muizen, ratten, marmotten en cavia’s. De hele reutemeteut.’
    De blonde moeder neemt snel een haal van haar sigaret en checkt iets in haar tas. De buurvrouw kijkt zwijgend toe.
    ‘Het werd dus een cavia. Kevin vond het een leuk beestje en ik vond het prima. Nog mooier toen bleek dat het dier in de aanbieding was. Geen geld voor dat bedrag! Dus snel gekocht en naar huis. Dat was nog een uitdaging. Wat een ellende. Ik was op de fiets, dus Kevin in het zitje zien te krijgen en de cavia in kooi, in zo’n grote gele boodschappentas van de Jumbo. En dat dier in die tas maar piepen. Gek werd ik ervan.’
    Ze neemt nog een haal van haar sigaret en gooit de peuk in een sierlijke boog op de grond.
    ‘Nou, eenmaal gesetteld bleek het plezier voor maar even. Nadat we het best ruim een week hadden begon Kevin het benauwd te krijgen en ikzelf werd er ook niet vrolijker van. Het roken ging me tegenstaan. En je kent me: Ik rook nog door als ik een bronchitisaanval heb.’
    De buurvrouw knikt glimlachend.
    ‘Maar Kevin kreeg het op het laatst zo benauwd, dat ie begon te piepen. De cavia zou jaloers worden op het piepen van Kevin. Wat dacht je, de volgende dag? Allebei onze ogen dicht. Zware allergische reactie. Zo erg dat ik uiteindelijk met Kevin naar het ziekenhuis ben gegaan, want dat kind lag zowat op apegapen. Zo benauwd was ie. Moest Kevin nog een nachtje voor observatie in het ziekenhuis blijven ook.’
    De buurvrouw slaat de hand voor haar mond.
    ‘Dus de volgende dag, toen Kevin aan de beterende hand was en weer naar huis mocht, heb ik die cavia bij mijn ouders gedumpt. Ik was als de dood, dat Kevin er in zou blijven.’
    Ze pakt een sigaret uit het pakje.
    De buurvrouw kijkt haar bezorgd aan en zegt: ‘Nou, dat wordt dan geen Cavia voor Noah.’
   ‘Geloof me. Van een cavia wordt je echt niet gelukkig,’
    De buurvrouw knikt.
    De blonde moeder steekt haar sigaret op. ‘Tenzij je van je kind af wilt. Maar dat is een ander verhaal’

Bloemlezing

Het was in de zomermaand van vorig jaar toen tiener Tim, een zoon van een bekende Nederlander, tijdens een vakantiebaantje bij de plaatselijke bioscoop een heel mooi meisje ontmoette. Ze had blonde haren en blauwe ogen, als uit een sprookjesfilm ontsnapt. Het was rond de klok van 3 uur dat ze bij zijn loket kwam staan en hem vroeg om een kaartje met 5 Euro korting voor de hoofdfilm voor die avond. In een opwelling vroeg Tim haar waarom ze niet met hem naar de film wilde gaan.

Verlegen vertelde ze hem dat ze dit toch eerst naar haar moeder moest whatsappen. Tim kon zijn oren niet geloven. Later zweerde hij bij zijn vrienden dat ze dat echt had gezegd. Zonder te lachen ook. Tim vroeg haar naar haar naam en leerde dat ze Annemarie heette. Waarop hij haar aankeek en zei: ‘Even naar mijn moeder whatsappen? Dat is toch uit de tijd meid, je kunt het ook aan mij kwijt!’ Annemarie keek hem even aan en het wat meteen gedaan. De dingen werden met een kus geregeld vanaf toen.

Ze maakten een afspraak voor de volgende zaterdagavond, waarbij ze aan het begin van de avond meteen duidelijk maakte dat ze wel weer voor 12 uur ‘s-nachts thuis moest zijn. Tim kon eerst zijn oren niet geloven, maar het werd een gezellige avond. De volgende dag, na het eerste afspraakje, bedacht hij dat je zoiets nog weinig tegenkomt. Tegen vrienden vertelde hij: ‘Zo’n meid verdient alle zegen.’ Tim was verliefd en in gedachten zong hij haar naam als in een chant.

Het is Tim nu duidelijk dat zijn Annemarie geen alcohol drinkt en geen sigaretten rookt. Op muzikaal vlak houdt ze meer van de oldies dan van hedendaagse top-40-muziek, maar het kan Tim allemaal niets schelen. Hij is heel blij met een vriendin als Annemarie. Iedere deur houdt hij voor haar open en er zijn dagen dat hij best een rondje met haar hondje wilt lopen. Altijd een glimlach op het gezicht bij de gedachten aan Annemarie. En iedere dag wordt bezegeld met een zoen.

db-logo-red

Vluchtweg

Zondagmiddag. Tijdens mijn hardlooprondje loop ik langs de sportvelden van Almere en hierbij passeer ik ook de bushalte ‘FBK Sportpark’. Het is de bushalte waar asielzoekers in Almere moeten uitstappen wanneer ze naar hun verblijf in Nederland lopen. Een paar meter voor mij loopt een man van nog geen 30 jaar met ingetrokken schouders en het hoofd diep in de kraag van zijn zomerjack. Ik kan me voorstellen waarom hij er zo moedeloos bijloopt. Het is koud buiten. De lucht is grijs en grauw en de aanhoudende, miezerige regen spoelt alle blijheid van de mensen weg.

Door het nare weer loop ik snel door naar huis en open haard. Wanneer ik de man tientalle meters achter me heb gelaten, kan ik de gedachte niet verzetten dat deze man niet echt gelukkig in Nederland kan zijn. Volgens mij is hij liever op de plek waar thuis is. De plek waar hij is opgegroeid. Een omgeving waar alles bekend voor hem is en waar de temperatuur ook aangenamer is. Hier in Nederland is het koud en helaas niet alleen wat betreft het weer.

Als ik nog maar 2 kilometer van huis ben, vraag ik me af hoe het voor westerse mensen moet zijn om op de vlucht te zijn. Zal er een moment in ons land komen waarin Nederlanders gevaar lopen en elders een veilige plek moeten zoeken? Zal ik ooit, als openlijk homoseksuele man, niet meer veilig in Nederland kunnen blijven? Wanneer je kijkt naar de wet op privacy, is er al zo veel informatie over het volk verzameld. In wezen vind ik dat prima, met als motto: Als je niks te verbergen hebt, dan zit het met je privacy wel oké.

Maar stel je voor dat door een onverwachte situatie Nederland niet langer een seculiere staat is, en het geloof aan de macht komt, waardoor idioot strenge wetten als een sharia worden geïntroduceerd. Dan wordt het een dagelijkse evenement dat homoseksuele inwoners van Nederland voor straf van de Martinitoren worden afgegooid. Razzia’s zijn niet langer nodig, want alle geregistreerde homoseksuelen zijn openbaar. Gelukkig is het nu nog zo dat de geaardheid van een inwoner van Nederland geen geheim hoeft te zijn.

Ik ben niet het type mens die afwachtend de dingen zal aanzien. Ik ga niet zonder slag of stoot geblinddoekt mijn ondergang tegemoet. Ik sla op de vlucht. Dan vertrek ik met tientallen, misschien honderden andere homoseksuelen, in onze goede goed en met de beste bedoelingen op de vlucht naar een veiliger oord. Naar een land waar homoseksuelen wel welkom zijn. Ik hoop dat die er dan zijn. Naar Afrika hoeven we niet af te reizen. Daar belanden we in de meesten landen in de gevangenis.

In Rusland of in veel Oost-Europese en Arabische landen zijn homoseksuele mensen verschoppelingen, uitgestotenen of gewoon uitschot. Perverse mensen die niet welkom zijn. Die alleen maar op zoek zijn naar het eigen geluk. Viezeriken die niets bijdragen aan de maatschappij. Het klinkt misschien hard, maar het zou best kunnen dat er groepen mensen zijn die het liefst zien dat de eigen grenzen worden gesloten en er alles aan zullen doen om de vluchtenstroom tegen te houden.

db-logo-orange

Vrouwenpraat

Donderdagmiddag. Mijn trein komt met 10 minuten vertraging aan in Almere. De meteorologen hebben een sneeuwstorm voor de avond aangekondigd en de regen die op alle mensen in het centrum van Almere neervalt, moet een voorbode zijn. Echt niets om naar uit te kijken.

Ik loop langs de Primark richting thuis. De stoep wordt compleet geblokkeerd door een vijftal corpulente dames die allen naast elkaar lopen richting de parkeergarage. Ik moet de straat oplopen om er langs te kunnen. Met een ‘dames het hoeft niet zo breeduit over de hele stoep’, loop ik hen voorbij.

De zin ‘en wanneer ik jullie heupen zo zie, blokkeren je in je eentje al een halve stoep’, slik ik maar in. Het klinkt niet aardig en zo stoer ben ik nu ook weer niet. Mijn opmerking geeft al genoeg ophef. Ze roepen me iets na, maar ik hoor het niet. Met dit gure weer heb ik mijn hoofd in de kraag van mijn jas verstopt en kijk ik niet om.

Als ik doorloop zie ik dat verderop het verkeerslicht voor voetgangers op groen springt. Ik versnel mijn pas richting het parkeerterrein aan het koolzaadveld en stap stevig door. Een dame met capuchon met idiote bontkraag aan haar synthetische jas loopt achter me aan in het zelfde tempo. Ze heeft Willem aan de telefoon.

Dat is duidelijk te horen. De mevrouw met de foute capuchon heeft een ver dragend stemgeluid. Als een misthoorn op een schip. Het klinkt als gekras op een schoolbord. C’est le ton qui fait la musique: Het is de toon die de muziek maakt, een uitdrukking in Frankrijk. Het kan ook de toon zijn die het bloed je uit de oren doet lopen.

De vrouw praat en práát. Arme Willem aan de andere kant van het gesprek. Hij krijgt er geen woord tussen. Aan een stuk door blijft ze maar ratelen en dat in hetzelfde looptempo als ik. Wanneer ik de looppas versnel doet zij hetzelfde, en ze praat maar dóór. Ze lacht geamuseerd om haar eigen grappen. De combinatie van haar lach en het afschuwelijke stemgeluid, het is een marteling!

De haren in mijn nek staan overeind. Ik overweeg me om te draaien en de vrouw met een uithaal te vloeren. In gedachten zie ik haar al op straat liggen. Gepijnigd, maar wel stil. Ach, ik zei het al. Ik ben niet stoer, en anderen slaan is gewoon niet aardig. En ondertussen práát ze maar door. Wanneer de regen iets toeneemt besluit ik een sprintje te trekken. Ik vlucht niet voor de regen. Ik kan die stem niet meer aanhoren.

db-logo-yellow

Simon 

Toen Simon zaterdagavond alleen thuis was en een boek van Edgar Allan Poe las, werd er aan de voordeur gebeld. Hij opende de deur en zag een lange, dunne man met een porky pie-hoedje op.
‘Goede avond,’ zei hij. ‘Is de heer Anders thuis?’
‘Nee,’ antwoordde Simon.
‘Wanneer zou ik hem dán kunnen treffen,’ vroeg het hoedje.
‘Nooit,’ sprak Simon. ‘Hij woont hier niet.’
De man met het hoedje streek over zijn baardje. Meteen deed hij een stapje achteruit, en liet zijn licht op het huisnummer schijnen.
‘Tweeëntwintig!’ riep hij opgelucht. ‘Ziet u wel, ik wist wel dat ik goed was. Anders woont op tweeëntwintig.’
Simon schudde ontkennend zijn hoofd.
‘Zeker wel,’ vervolgde de man. ‘Anders is zo’n dikkerd, met een wit hondje.’
Uit beleefdheid deed Simon of hij nadacht, maar tenslotte verklaarde Simon noch de heer, noch zijn huisdier te kennen.
Het hoedje werd er ongeduldig van.
‘Hij heeft zo’n dikke kop, Anders! Ik ben al zo vaak bij hem geweest!’
‘Echt niet, meneer,’ riep Simon. ‘Als ik u toch vertel dat. ..’
Op dat ogenblik ging de deur van de huiskamer open en trad een dikke man met een opgeblazen gezicht de gang in. Hij droeg een wollen vest, en een wit hondje liep bij zijn benen. Met uitgestoken hand liep hij op het hoedje af en riep: ‘Ha die Koen! Leuk dat je even aankomt!’
‘Ziet u nou wel,’ sprak de bezoeker, terwijl hij Simon verwijtend aankeek.
Simon was natuurlijk nogal verbaasd, maar later is de zaak hem duidelijk geworden. Die Anders woont al anderhalf jaar in het huis, dat door een administratief misverstand bij woningstichting niet alleen aan Simon, maar ook aan Anders is verhuurd. Door een merkwaardig toeval hebben ze elkaar nooit eerder opgemerkt, omdat Anders altijd net in de achterkamer was, wanneer Simon vóór huisde. Liep Simon de achterkamer in, dan moest Anders net even de gang op of op het toilet zitten. Zo hebben ze elkaar al die tijd misgelopen, maar nu is de zaak door het bezoek aan het licht gekomen. Ze zullen er iets op moeten vinden. Gelukkig vindt Simon Anders geen kwade vent. Misschien een beetje te dik.

db-logo-green

Sneeuw & Snobs

De kerstspullen en andere decemberversierselen zitten weer in de dozen. Weggestopt achter de knieschotten van de zolderetage. Net voor het moment dat Moeder Natuur heeft besloten de gronden van de Nederlandse bodem te bedekken met witte sneeuw en ijzig ijzel, worden de winterse versierselen weggemoffeld. Het woord ironie had niet beter omschreven kunnen worden.

Winter. Ik kan er niet van genieten. Niet van de koude temperaturen en niet van de ijzige wind, die je ook voelt wanneer je een muts draagt en een sjaal om je hoofd wikkelt. Op zonnige winterdagen wil ik er nog wel voorzichtig van genieten, maar niet te uitbundig. Sneeuw. Ik kan er pas van genieten in een 2e dimensie: op een kerstkaart of in een winterse film. Het innerlijke kind dat vroeger dol was op sneeuw en ijs heb in de loop der jaren eigenhandig de nek omgedraaid.

Maar omdat ik het winterse weer als kind wel leuk heb gevonden, kan ik enige empathie opbrengen voor die mensen die helemaal uit hun dak gaan als er een paar sneeuwvlokken vallen. Die mensen die bij het zien van een ademwolkje dat ze uitblazen, meteen de adem inhouden om te weten of de rayonhoofden in Friesland bij elkaar komen om over een Elfstedentocht te praten. Of deze er dan wel, of niet zit aan te komen. Enthousiasme dat in mijn ogen iets te dicht bij verdwazing ligt.

Door de mindere, winterse temperaturen worden hier alle activiteiten naar binnen verplaatst. Daar waar ik in de zomer in korte broek in de tuin kan genieten van een boek en een glaasje rood, geniet ik nu binnen bij het knapperend vuur in de open haard van een film of televisieprogramma op tv. Een programma als Wie is de Mol is hier thuis favoriet. Na het kijken van de uitzending gaan we meteen nog eens kijken om te zien of er dingen ons zijn ontgaan of juist zijn opgevallen. Ik weet het: een enthousiasme dat veel op verdwazing lijkt.

Ongeacht waar je enthousiast over kan zijn, is het leuker om ergens blij van te worden dan andersom. Er zijn genoeg mensen die met gewichtigdoenerij het plezier van anderen verpesten en zich met bitse, bittere opmerkingen op sociale media superieur voelen boven het klootjesvolk. Ze voelen zich zo overtreffend, dat ze de bijtende en pinnige teksten niet zelf kunnen verzinnen, maar van anderen moeten lenen. Het zelfgecreëerde imago van originaliteit komt niet eens in de buurt van hun eigen gedrag, en dat is dan wel leuk.

db-logo-blue

 

Music & Miles

Allereerst, de beste wensen voor het nieuwe jaar! Zo wil ik graag mijn eerste blogbericht in het jaar 2017 beginnen. Een jaar met veel nieuwe ervaringen. Dat mag ik hopen. Ik ben niet van mening dat sleur een vies woord is, het betekent niets meer dan gewoonte of gewenning, en daar kan toch niets mis mee zijn? Maar het is natuurlijk net zo leuk, of misschien nog leuker, om nieuwe dingen te doen. Dat behoeft geen extreme maatregel te zijn.

Zo ben ik dit jaar het hardlopen begonnen met een nieuwe afspeellijst op mijn smartphone. Een lijst van liedjes waarop ik lekker kan hardlopen. Ik hoor het de anderen bijna denken: Is dat nu zo bijzonder? ‘Nee,’ zal dan mijn respons zijn. ‘Totaal niet, maar na een paar jaar een beetje dezelfde hardloopsongs aan te horen, is het wennen om dan rats op andere melodieën de kilometers af te moeten leggen.’

Ik heb niet gekozen voor een cold turkey-methode. Geen compleet andere nummers om op te hardlopen. Ik hou een paar oude bekende hardloopliedjes in mijn afspeellijst staan, want op sommige nummers loop ik gewoon heel prettig. Of juist zeer snel (met ‘The Obvious Child’ van Paul Simon, bijvoorbeeld). In 2017 staan er wat modernere hits op mijn hardloopafspeellijst en wat minder songs van vroeger.

Je moet soms met je tijd meegaan, en ik doe dat vooral in mijn eigen tempo. De een is na een maand moe van een afspeellijst en de ander (lees: ik) pas na ruim 5 jaar. Veranderen om het veranderen heb ik sowieso nooit echt kunnen begrijpen. Ik ben tenslotte ook maar een mens, en geen boom dat iedere herfst de bladeren moet verliezen.

db-logo-purple

 

Stappen

Vandaag is de laatste dag van het jaar en ik vind het leuk om op de laatste dag van het jaar met anderen te delen hoe vaak en hoe ver ik het afgelopen jaar heb hardgelopen. Een jaar geleden beschreef ik mijn hardloopactiviteiten over het jaar 2015 en vandaag een overzicht van mijn hardloopprestaties van de afgelopen 12 maanden van 2016.

Ik heb dit jaar 123 keer mijn hardloopschoenen aangetrokken om te gaan hardlopen (in tegenstelling tot voorgaande jaren. 2015: 148 keer, 2014: 138 keer, 2013: 126 keer), met een gemiddelde afstand van 9,11 kilometer. In totaal is dit een afstand van 1.110 kilometer over het afgelopen jaar (2015: 1835 kilometer, 2014: 1.714 km, 2013: 1.553 km). Dat is over de weg een afstand van Almere naar de Franse stad Bordeaux (dus niet hemelsbreed). Met de auto doe je daar 11 uur en 36 minuten over, maar ik heb 97 uur en 56 minuten over deze afstand gedaan.

Het afgelopen jaar liep ik minder dan de voorgaande jaren. Dit om de reden dat ik sinds februari van dit jaar het werklozenleger heb verlaten om weer full-time te gaan werken. De maand januari is dan ook de meest belopen maand en in november heb ik het minst aantal kilometers afgelegd. Het afgelopen jaar heb ik toch zo’n 75.580 calorieën weggerend. Dat lijkt misschien veel, maar het is ruim 50% minder dan dat ik vorig jaar heb verbrand. Ineens  voel ik dan toch een soort van ‘goed voornemen’ voor het nieuwe jaar opborrelen.

hardloopoverzicht2016

Oh, Danny Boom

In een land hier ver vandaan, in de buurt van de poolcirkel, staat een grote groep sparrenbomen als onderdeel van een enorm groot bos. Deze bomengroep is de familie Pinaceae, met aan kop van de familie een oude reuzenboom en directe nageslacht. Deze bestaat uit honderden sparren, en één van de jongere bomen, de 15 jaar jonge Danny, staat bekend om zijn uitzonderlijke karakter.

Danny is een buitengewoon sparrenboompje. Waar alle andere sparren dagenlang kunnen sparren en stoer praten over hoe zij -in tegenstelling tot de andere bomenfamilies in het bos, het hele jaar hun naalden houden, is Danny altijd stil. Hij is daarom vaak mikpunt van spot. Danny is altijd ergens anders met zijn gedachten. Voor de andere bomen in het bos is hij altijd afwezig. In de gedachten van Danny leeft hij in zijn eigen wereld.

In deze wereld is Danny geen spar. In deze wereld beleeft hij zijn droom en is hij een dennenboom. Daar bestaat geen sneeuw en is er geen koude wereld. Hier mag hij zijn die hij wenst te zijn. Hier mag hij zeggen wat hij denkt, zonder uitgelachen te worden. In de zelfgecreëerde droomwereld van Danny vindt niemand hem anders. Of abnormaal. In die gelukkig wereld is Danny alledaags.

Danny verlangt er naar onopvallend te zijn. Dan is hij voor de andere bomen in het bos geen uitzonderlijk type meer. Dan is hij geen boom, maar onderdeel van het bos. Maar in werkelijkheid ziet het woud hem toch als een uitzonderlijke boom. Een exemplaar die niet past tussen de andere sparren. Het is voor niemand een verrassing wanneer er begin december is besloten wat ze met Danny gaan doen.

Tijdens het jaarlijks familieberaad over wie als kerstboom in de brute mensenwereld mag optreden heeft de familie Pinaceae al snel beslist dat Danny, nu hij 15 jaar oud is, geofferd mag worden. Danny krijgt niets van dit besluit mee. Ondanks de koude, droomt hij dat hij is omringd door warmte en liefde. Als dan de grote dag aanbreekt en de kerstelfjes in het bos tussen de sparrenbomen staan, is het snelle afscheid van Danny verleden tijd.

Danny weet niet wat hem overkomt. Met geweld wordt hij van de plek verwijderd waar hij al 15 jaar heeft staan wortel schieten. Hij komt los van de grond en in horizontale toestand wordt hij vervoerd naar een andere plek. De zwaartekracht doet rare dingen met zijn geest en wanneer hij met een klap op de laadbak van een truck terechtkomt, verliest hij het bewustzijn. Hij merkt niet dat hij kilometers ver wordt vervoerd.

Danny voelt dat het leven uit hem is weggezakt wanneer hij langzaam bijkomt. De stam waarop hij jarenlang heeft gestaan voelt pijnlijk aan, maar wanneer hij om zich heen kijkt, ziet hij dat hij is waarvan hij altijd heeft gedroomd. Hij is versiert met zilveren ornamenten en er hangen slingers tussen zijn takken. Hij begint nog meer te stralen als hij ziet dat er een paar strengen van lichtjes zijn naalden laten glimmen.

De jonge Danny is eindelijk gelukkig. Ondanks dat het leven uit hem stroomt, is het allemaal goed. Danny is geworden waar hij al jarenlang naar verlangde. De spar is eindelijk de dennenboom van zijn droom geworden, en het kan hem niet schelen dat hij binnenkort zijn naalden zal verliezen. En niet kort daarna het leven. Wanneer Danny straks in januari buiten wordt gezet en zijn stam met hars is bedekt, dan zijn deze tranen van hars, ook tranen van geluk.

3.26 Miles

Uiterlijk vertoon

In de trein zitten twee oudere mannen tegenover elkaar. Ouder dan ik. Zeker 20 jaar ouder. Dat sowieso. De man schuin tegenover me draagt een jeugdig baseballpetje met de naam van een Amerikaanse honkbalploeg er op. De man naast me, tegenover zijn reisgenoot, heeft geen petje op. Hij heeft wel een flinke klodder haargel in het grijze, modern gemodelleerde kapsel.

Ze praten over vroeger. Niet op een negatieve toon, over dat het vroeger allemaal zo veel beter was. Over dat het tegenwoordig allemaal zo snel gaat. Iedereen lijkt volgens de twee mannen haast te hebben, en vooral bang om maar iets te moeten missen. Volgens hen rent tegenwoordig iedereen van hot naar her, met een constante blik op het kleine scherm van de smartphone.

Twee tienermeiden lopen langs, druk in gesprek. Een van hen kauwt gedreven haar kauwgom. De ander ziet iets heel belangrijks op haar smartphone. ‘Luister dan,’ zegt de kauwgom kauwende tiener. ‘Sharon heeft nepwimpers laten zetten en haar ouders hebben haar er zelf voor laten betalen.’
‘Niet cool,’ antwoordt de ander. ‘Die van mij gelukkig wel.’
Dan zijn ze alweer voorbij gelopen.

De man met het baseballpetje op het hoofd kijkt de meisjes na. Dan zegt hij resumerend: ‘De enige diepgang die de meisjes van tegenwoordig hebben is hun oppervlakkigheid. De man met de grijze haren in de haargel lacht erom. Ik kijk nog eens naar deze twee oude mannen. De een met de modieuze baseballpet en de ander met klodders haargel in het grijze haar. Het uiterlijk vertoon van de mens is van alle generaties, bedenk ik, terwijl ik met mijn vingers door mijn bijgekleurde baard ga.

elvis-nixon

Vandaag in de geschiedenis van de entertainment.

Op 21 december 1970 bezoekt Elvis Presley The Oval Office op het Witte Huis in Washington. Hij ontmoet daar president Richard Nixon. Presley zegt zich in te willen zetten voor de strijd tegen het drugsgebruik in de Verenigde Staten. President Nixon benoemt de zanger tot  special agent van het narcoticabureau van de FBI.

Op de kortste dag van het jaar brengt Walt Disney de eerste tekenfilm met een speelfimlengte uit. Snow White and the Seven Dwarfs. In tegenstelling tot wat veel critici hadden verwacht, werd de film een groot succes. Zelfs veel mensen die aanvankelijk tegen Disney’s plan waren geweest om de film te maken, feliciteerden hem nadien met het resultaat.