Distance: 10,5 kilometer
Time: 00:56:27 hours
Calories: 900
July: 43,5 kilometer
Berichten
Met zijn viertjes komen ze binnen lopen. Twee tienermeisjes, een jonge vrouw en een man. Luid en aanwezig zoeken ze een plaatsje. Het kind dat het eerst de trein inkomt valt op door een zwart kussentje op haar hoofd. Als ze met rechte rug had gelopen dacht je vast dat ze aan het oefenen was voor een baan als model op de catwalk. Het duurt even dat ik door heb dat het kussentje moet doorgaan voor het hoofddeksel die Amerikaanse geslaagden dragen wanneer ze hun High School hebben afgerond. Amerikaanse tradities vullen steeds vaker het Nederlands stadsbeeld.
Met zijn vieren nemen ze plaats ergens verderop achter me en het meisje met het zwarte kussentje, dat dus eigenlijk een mortarboard (mortelplank) heet, roept: ‘moet je nu toch horen! Stuurt die Jan mij een appje,’ ze neemt even pauze en spreekt in een stem die waarschijnlijk voor die van Jan moet doorgaan. ‘Hoi, ik vind het niet tof dat je mijn naam hebt genoemd toen er slecht over Bert werd gesproken.’ En weer terug in haar eigen stem: ‘Nou, wat vind je dáárvan?’ Ze roept het op een manier alsof ze van alle andere aanwezigen een antwoord verwacht.
De twee dames roepen ontzet en ontkennend, alsof ze niet kunnen geloven wat ze net hebben gehoord. De man schreeuwt bijna: ‘Weet je wat dit is? Dat stuurt Jan je gewoon om zichzelf in te dekken, zodat hij aan Bert deze app kan laten zien! Stuur maar meteen een reply dat je dit niet tof vind dat hij via WhatsApp zo zijn gezicht probeert te redden.’ Het klinkt als een bevel uit zijn mond. De twee dames zijn het met de man eens en sturen erop aan dat er gereageerd moet worden. Het meisje stuurt waarschijnlijk een berichtje naar Jan, want ze is even stil. Die stilte wordt overigens gevuld door de luide stem van de man. Hij praat alsof zijn mond niet helemaal in orde is. Een spraakgebrek. Of hij heeft eerder een alcoholisch drankje genuttigd.
Er wordt over en weer geroddeld over andere mensen uit de kennissenkring. De man heeft het nog even over die Irene. Een vrouw die hij, volgens hem niet echt kent. Hij zegt: ‘Ik kan niet echt een mening over Irene geven, want ik ken ‘r alleen via Facebook en een eenmalige ontmoeting, maar ik vind het een kutwijf.’ Het laatste woord wordt in lettergrepen uitgesproken. Sommige reizigers kijken verschrikt op. Laat het hen duidelijk zijn. Hij is geen liefhebber van Irene. Zo gaat het veroordelen even door. Ze hebben in hun enthousiasme niet door dat dit geroddel meer over hen zegt dan dat het iets meldt over Jan, Bert of over die Irene.
Bekenden
Ik reis nu langer dan drie maanden op en neer van thuislocatie naar werklocatie. Dit is een afstand van een kleine 50 kilometer en dat is weer goed voor 100 kilometer per dag, want aan het einde van de werkdag wil ik weer naar huis. Ja, toch wel. Dit doe ik met het openbaar vervoer en dat bevalt me prima. De vertragingen en andere obstakels op het spoorwegennet laat ik gemakshalve buiten beschouwing. Het aantal dagen met vertragingen per werkweek, zijn nog altijd op een hand te tellen.
Wat het reizen ook fijn maakt, of eerder interessant, zijn de mensen die je gaat leren kennen. Alleen van gezicht natuurlijk. Ik ben niet zo snel close met mijn medereizigers. Maar er zijn personen die met mij om 07:09 uur op de trein stappen en in Utrecht, richting Nieuwegein, nog een paar bushaltes meereizen. Dat maakt het voor mij, wanneer ik weer eens een ochtend vol zelfmedelijden op het perron sta, meer aangenaam. Tenslotte blijft gedeelde smart nog altijd halve smart. Dus voor de donkere bebrilde dame met haar altijd verzorgde weaves, die na station Utrecht Centraal nog 2 haltes met me meereist, tot aan bushalte Europaplein-Noord: ik mis je op een eigen manier wanneer je ’s ochtends niet op het perron in Almere op de trein stapt.
Dat geldt in mindere mate ook voor de corpulente mevrouw die samen met mij op station Almere-Centrum op de trein naar Utrecht Centraal stapt en uiteindelijk samen met mij uitstapt bij bushalte Martinbaan in Nieuwegein, omdat we op hetzelfde bedrijventerrein werken. Deze mevrouw werkt parttime en na al deze maanden weet ik nog steeds niet welke dagen ze werkt. Verder is er een man die op Almere-Poort meereist, en in Utrecht 4 haltes in de bus meereist. Hij stapt altijd netjes gekleed met zijn pilotenbril van het merk Ray Ban op het hoofd, uit bij de penitentiaire inrichting. Het is mij niet bekend of hij in de gevangenis werkt of dat hij bij Ballast Nedam werkt, het bouwbedrijf dat bij de gevangenis is gelokaliseerd.
Zo zijn er meerdere personen die me ondertussen een klein beetje bekend zijn geworden. De jongedame in haar All Star-gympies, die vanaf station Almere Muziekwijk meereist tot aan halte Kanaleneiland-Zuid in Utrecht (ik vermoed dat ze bij de IKEA werkt), en de kleine man die vanaf deze bushalte met me meereist naar Nieuwegein. Verder reis ik ook vaak met een Oost-Europese mevrouw mee, die altijd vrolijk kijkt en chique mantelpakjes draagt, met daaronder haar mooie, exclusieve schoenen. Laat ik vooral ook de Aziatische mevrouw niet vergeten. We reizen altijd 6 haltes lang naar onze bestemmingshalte. Ze is te herkennen aan haar zijden handschoenen die ze altijd draagt, en het bijkomstige eucalyptusluchtje.
Gisterochtend reisde ik vanaf station Utrecht Centraal helemaal alleen naar mijn werk. In de trein zag ik geen bekenden. Ik was niet de enige op reis, maar alle bovengenoemde personen ben ik gisteren in de trein of in de bus niet tegengekomen. Net toen we Utrecht uitreden en de zon achter een paar wolken schuil ging, voelde ik me voor een moment helemaal alleen in de overvolle bus.
Vrij
Een deel van de Nederlandse bevolking is momenteel aan het vakantievieren. Ik las het zojuist op het internet dat de regio Midden- Nederland vrij is, maar ik had gisterochtend eigenlijk het vermoeden al. In de trein naar Nieuwegein is het wel heel rustig. Ik kan met gestrekte benen reizen, zonder dat een andere reiziger gezellig naast me komt zitten om me vervolgens de gehele reis te negeren door op het scherm van het mobieltje te staren. Nee, ik voel me net ietsje meer vrij zonder al die medereizigers op het spoor.
De afwezigheid van de grote groep vakantievierders, die de vrijdagochtend waarschijnlijk nog op een oor liggen te slapen of te snoozen, terwijl de trein het station Hilversum Sportpark achter zich laat, doet me denken aan de vakantietrips die ik in het verleden heb gemaakt. Om financiële reden is het inmiddels een paar jaar geleden dat ik echt op vakantie ben geweest. Ik moet eerlijk toegeven: ondanks dat ik best wel van reizen houd, heb ik het niet echt gemist. Dat is het voordeel van een leven leiden waarvan je geen enorme behoefte hebt om op vakantie te moeten gaan.
Niet dat ik geen zin meer heb om Nederland te verlaten, want dat is niet zo. Sterker nog: wanneer je me vertelt dat ik vanmiddag op een terras in Parijs kan zitten met een glas rood in de hand, dan ga ik nu meteen op zoek naar een koffer. Of in ieder geval een tas, groot genoeg voor een paar schone onderbroeken en sokken. Helaas zal mij vandaag deze mededeling niet gedaan worden. Ik ga me niet verheugen op een stedentrip. Ik plan binnenkort zelf een weekendtrip naar Parijs. Wanneer een ander het niet voor me doet, dan doe ik het zelf wel.
Hoewel het geen vakantie betreft, ben ik sinds gisteravond toch iets mee vrij. Niet qua werk -oké, wel als je het weekend meetelt, maar sinds gisteren heb ik mezelf bevrijd van het fenomeen Facebook. De laatste tijd kon ik steeds minder lachen wanneer ik op Facebook was ingelogd. Om te voorkomen dat de glimlach verandert in een grimas heb ik de digitale banden met het ‘sociale’ medium verbroken. Het gewauwel over Europa of racisme, of de ongevraagde, schreeuwende teksten dat je niet in Nederland thuishoort, wanneer je een eeuwenoude Nederlandse traditie echt eeuwen oud vindt, dragen daarbij aan.
Wat me over de streep heeft getrokken -om de stekker er uit te halen, is dat ik meer dan eens een vriendenvoorstel kreeg van verschillende personen waarmee ik alleen zakelijk e-mailcontact heb gehad. In mijn ogen heeft Facebook aangetoond over te veel informatie te beschikken. Facebook en ik matchen niet meer. Ik zal het op momenten missen, want het koekeloeren op Facebook is in de afgelopen jaren een gewoonte geworden en niets is moeilijker dan het doorbreken van oude gewoontes, maar ik denk dat het me wel zal lukken. Ik hoef er tenslotte niets voor te doen, en dat kan niet zo moeilijk zijn.
Sushi
Ik zit samen met mijn echtgenoot in een van de vele sushirestaurants die Almere rijk is. Het interieur is simpel, maar wel typisch Japans ingericht. De eigenaar probeert de indruk te wekken dat er veel met rijstpapier is gewerkt, maar een beetje getraind oog ziet dat dit allemaal schijn is. Verder is de inrichting gewoontjes, zoals je van een Aziatisch restaurant kunt verwachten. Japanse afbeeldingen en idem beeldjes. Ik mis alleen nog de koi-karpers. Het is zondagavond en het is rustig. Dit komt waarschijnlijk door de vakantieperiode. De reguliere restaurantbezoekers zijn of onderweg naar-, of al aanwezig op het vakantieadres.
We zitten met maximaal twintig personen in het hele Japanse restaurant. Er is genoeg ruimte in het restaurant, maar de meeste bezoekers worden bij het raam aan de straatkant geplaatst. Zo ook wij twee. Ik vind dat een beetje jammer. Ik begrijp het wel: hierdoor lijkt het voor de wandelaars op straat nog druk in het restaurant, en hiermee wordt waarschijnlijk de weifelende restaurantbezoeker toch over de streep gehaald om binnen te komen. De eerste bestelronde is gedaan en we wachten geduldig op onze bestelling.
Naast ons zitten vier oudere mensen druk, maar gezellig te praten. De dames naast elkaar, de stoere mannen tegenover hen. Waar men zich voorheen nog een beetje netjes kleedde, wanneer ze uiteten ging, zit men de laatste jaren lekker casual in het restaurant te eten. Dat doen ze bij McDonalds namelijk ook. Dus gekleed in een tanktop en korte broek proppen ze zich met de eetstokjes in de handen vol. Tussen het eten door wordt gediscussieerd over beroemde Nederlanders die wel of niet in Almere wonen.
Een tafeltje verderop zit een jong gezin. Vader, moeder en twee broertjes. Ze schelen wellicht een paar jaar van elkaar, maar beiden zijn niet ouder dan acht. De ouders mogen trots zijn, want de kinderen weten zich netjes te gedragen. Ze eten netjes en met stokjes in de handen pikken ze het eten van tafel. De jongste heeft eetstokjes die bij elkaar worden gehouden met behulp van een elastiekje. ‘Zitten jullie lekker te genieten jongens?’ vraagt de vader glimlachend. De jongens knikken vol overtuiging. De monden zijn vol van de sushi.
Onze eerste bestelling wordt gereserveerd. Een rondje van sushi nigiri en sushi maki. De vleesgerechten en andere lekkernijen bestellen we in een latere bestelronde. Naast ons is men nog druk in discussie over een televisiepresentator, of deze nu wel of niet in Almere woont. Ik kijk mijn echtgenoot aan. Hij weet het ook niet. De oudste van de twee zoontjes, een tafeltje verder, zegt tegen zijn vader dat hij later sushikok wilt worden. Dan kan hij iedere dag sushi eten. Zijn jongere broer zegt rap, nadat hij eerst zijn mond heeft leeggegeten: ‘Ik ook!’
Wij zijn inmiddels toe aan het bestellen van ons tweede rondje sushi.
Angry Birds
In het leescafé van de Nieuwe Bibliotheek wordt het jongetje, dat hooguit vijf jaar is, aan de hand binnengevoerd door zijn moeder, een rank meisjesachtig type, dat de voorgeschreven mode met overtuiging draagt. In haar afgedragen Uggs gaat ze aan een tafeltje vlak bij me zitten en zegt tegen de dame achter de bar: ‘Eén cappuccino en een Fristi voor hem. Heb u ook ijs?’
‘IJs?’ vraagt de dame achter de bar, op een toon of haar een portie plutonium wordt besteld.’
‘Die mevrouw heb geen ijs,’ zegt ze tegen het jongetje. ‘Maar dan krijg je straks wel iets lekkers. Als we bij Angry Birds in de bioscoop zijn. Gaan we lekker naar toe hè? Ventje van me. Naar Angry Birds. Maar eerst tante Shirley en Tyrone ophalen. Die gaan ook mee. Hè? Moet je even stil zijn, dan kan mama even met tante Shirley bellen. Om te zeggen dat we d’r aankomen.’
De dame loopt vanachter de bar en plaatst de bestelling, een cappuccino en een Fristi, met een licht overdreven elan op het kleine vierkante tafeltje. De moeder krijgt verbinding met de andere kant van het gesprek:
‘Hoi Shirley, schat. Hè? Ja, ik ook. Helemaal in de kreukels. We hadden niet meer met Steve mee moeten gaan, natuurlijk. Maar ’t was wel lachen, hè? Heb jij al iets gelezen dan? Ik ook niet. Het zal wel helemaal mis zijn gegaan. Dit kun je toch niet meer maken, op toneel. Hè? Nee, de wagen heb ik terug. Hij was weggesleept, door de gemeente. Nou ja, ik had ‘m ook zomaar gedumpt daar. Niks kostte het. Gek hè? Zeker service of zoiets. Zeg, ik kom d’r nou an met het ventje van me, voor Angry Birds. Wat? En Tyrone dan? O ja? Wat maf van hem. De oliebol. Maar dan kom ik toch zeker helpen. Tuurlijk. Hoe laat is die opening? Hebben we nog alle tijd. Tot dadelijk dan. Ciao.’
Haar aandacht ging weer naar het jongetje, dat zuinig zijn Fristi door het rietje dronk. ‘Gaan we nou naar Angry Birds?’ vraagt hij.
‘Nee, we gaan morgen naar Angry Birds,’ antwoordt ze. ‘Mamma moet vanmiddag even met tante Shirley gaan helpen om de schilderijen op te hangen van Ome Sjon, en stukjes kaas snijden en zo. En dan krijg jij een grote rol drop en dan brengt tante Lucia jou en Tyrone naar de kapper om je haartjes te laten knippen. Je weet wel, die aardige kapper, vlak bij tante Shirley. Leuk hè? Drink je Fristi nou maar lekker op. O, kijk eens wie daar loopt? Ome René.’
Ze staat op en wuift enthousiast. Een jongeman blijft bij de tijdschriften stilstaan, kijkt naar haar en loopt het leescafé binnen.
‘Hey René, schat,’zegt ze, en sluit hem in de armen. De jongen draagt een rode trainingsbroek met het kruis ter hoogte van zijn knieën en kijkt met grote, donkere ogen droevig de wereld in.
Wanneer hij ook aan het tafeltje zit zegt ze: ‘Stel je toch voor. Sjon is zijn hele tentoonstelling vergeten. De oliebol. Ik zou met Shirley en Tyrone en dit ventje van me hier naar de bioscoop, maar nou ga ik helpen hangen en de catering voor de borrel klaarmaken. Anders kan ’t niet eens open om vijf uur als de bobo’s komen.’
De jongeman heeft zijn hand liefkozend op het hoofd van het jongetje gelegd. Daarna kijkt hij haar aan en mompelt iets onverstaanbaars.
‘O, maar dat zou picobello zijn,’roept ze. En tegen het kind: ‘Weet je met wie je nou mee mag, ventje van me? Met ome René.’
‘Naar de kapper?’ vraagt het jongetje.
‘Nee schat. Naar Angry Birds. Je zou toch naar Angry Birds? Nou gaat ome René met jou naar Angry Birds. Leuk he`?’
Het kind duwt het pakje Fristi met uitgestrekte armen voor zich uit en knikt.
‘Nou gaat mamma even de bioscoop bellen om plaatsjes te bestellen,’ en ze haalt haar mobieltje tevoorschijn. ‘Hallo? Ik wou graag twee mooie plaatsen voor Angry Birds vanmiddag. Wat? Helemaal? O, de vakantie. Ja, daar is dan niks aan te doen. Ciao.’
Het kind zucht lichtjes. De vrouw bergt haar mobieltje op.
‘Zeg, ventje van me, alle plaatsjes zijn uitverkocht, zegt de meneer van de bios. Jammer hè? Maar dan gaan we morgen naar Angry Birds. En dan mag jij vanmiddag lekker met Tyrone naar de kapper. Die aardige kapper, bij tante Shirley, weet je wel? Leuk hè?’
Naar een kronkel van Simon Carmiggelt
Geurig
Op het treinstation in Almere-Muziekwijk komt een mevrouw naast me zitten. Niets bijzonders, want in de trein gaat er wel vaker iemand naast je zitten. Vooral tijdens de ochtendspits. De mevrouw in kwestie had niets bijzonders. Dit zeg ik niet omdat ik nu onaardig wil zijn, maar ze zag er alledaags en gewoontjes uit. Wat haar echter wel opmerkelijk maakte was haar parfum.
Ik weet niet welk merk parfum ze droeg, maar de geur bracht me meer dan 40 jaar terug, naar het moment dat ik net op de basisschool zat. Het was hetzelfde luchtje dat mijn lerares juffrouw Kapitein uit de eerste klas droeg. Een niet onwelriekende geurigheid, maar wel eentje weeïg genoeg om me weer terug te brengen naar De Torpschool in Den Helder van de vorige eeuw.
Een professor waarvan de naam me nu is ontschoten, alsook de expertise waarin hij deskundig was, heeft het ooit eens heel mooi gezegd: ruiken is tot op heden nog de enige manier om in de tijd te kunnen reizen. Wanneer je een specifieke geur je bereikt kan je ineens een ervaring of een moment herbeleven, alsof je ergens weer bent. Deze geurervaring is sterker dan beelden op foto of film.
Ooit had ik op het werk een trappenhuis met marmeren trappen waar dagelijks een andere geur hing. Dan heb ik het niet over etensluchten of luchtjes afkomstig van het menselijk lichaam, maar echte trips naar momenten van toen. De ene dag kon ik in het trappenhuis weer terug zijn op de kleuterschool, waar de toiletten een altijd beetje hardnekkige vochtlucht had.
Ook hing er soms een lucht in het trappenhuis die me deed denken aan het oude verenigingsgebouw van Scoutingvereniging ‘Jutters Willemsoord’ in mijn oude woonwijk, de Schooten. Als tienjarige jongen heb daar fantastische momenten beleefd. Het oude gebouw had een aparte oude geur. Een combinatie van oud hout en ouderwetse linoleumvloertjes.
Ik vind het interessant dat je naar aanleiding van het ruiken van een specifieke geur weer helemaal terug kan gaan naar een moment in je leven. Het heeft iets bijzonders en totaal iets anders dan het herzien van oude beelden. Foto’s geven mooie herinneringen, maar een geur laat het je herbeleven. Soms verlang ik nog wel eens naar dat oude trappenhuis.
Kruimels
De duif wipt wat onzeker om me heen. Het plekje op het eerste perron van Utrecht Centraal is rustig. De meeste reizigers staan elders, waar over enkele minuten de trein het station zal inrijden. Ik sta lekker in de schaduw. Laat de rest maar in de zinderende hitte zitten. Ik wacht wel tot ik in de trein met airconditioning plaats kan nemen. Ik neem een hap van mijn broodje. De duif begint nu zenuwachtig heen en weer te wippen. Hij gaat ervan uit dat er in no time een paar eetbare kruimels op de tegels van het perron vallen.
Ik heb een hekel aan duiven. Sowieso aan vogels. Dat fladdert maar met de vleugels zo vlak langs je hoofd en ze ontlasten zich wanneer en waar het hen maar uitkomt. Daarnaast vind ik duiven ook lelijk. De exemplaren die ik op verschillende stations in Nederland zie, lijken wel te zijn gemuteerd tot gedrochten. Met hun te kleine kopjes en afschuwelijk mismaakte vogelpootjes. Ik zie sommige duivenexemplaren voorbij strompelen die niet anders kunnen dan waggelend rondlopen. De pootjes zijn vergroeid en mismaakt.
De duif, in afwachting van de kruimels van mijn broodje, heeft echter nog perfecte duivenpootjes. Het geduldige beestje op het perron van Utrecht Centraal lijkt op het duivenexemplaar van het ‘Aap Noot Mies leesplankje’. Als het dier het wenst, kan het statig over de tegels rondlopen. Ik voel al bijna enige binding met het gevederde ongedierte. Hoe cliché, en waar: de mens laat zich het liefst omringen door perfectie. Daarbij zichzelf immer wegcijferend in dat perfecte beeld.
In de verte zie ik dat mijn trein het station inrijdt en ik neem snel een paar flinke happen. Grote kruimels vallen omlaag en de duif doet een dansje van vreugde. Hij wipt gulzig van kruimel naar kruimel. Voordat ik naar de trein loop laat ik de laatste hap van het broodje uit mijn hand vallen. Enthousiast begint het dier aan het feestmaal. Twee andere duiven komen aanvliegen. Ze strompelen met vergroeide pootjes naar de restjes en happen gezellig wat kruimels mee. Ik laat de dieren achter voor wat ze zijn.
Kleine operatie
Het is maandagavond, kwart voor zeven. Ik heb over 10 minuten een afspraak in de agenda staan bij de dermatoloog. Na een wandeling door een hevige regenbui kom ik natter dan gewenst aan in het Flevoziekenhuis. Een kleine zoektocht door het ziekenhuis (linksaf, schuin oversteken, rechtdoor, rechtsaf, de lift naar de tweede etage en dan vervolgens de aan het plafond bevestigde wegwijsbordjes volgen) brengt me bij de afdeling dermatologie. Bij de receptie word ik begroet door een jongedame met een vrolijk gekleurde hidjab op haar hoofd en een net zo vrolijk gezicht. Ze vraagt me om mijn geboortedatum en vervolgens om mijn ID-kaart, die ik haar overhandig. Ze voert wat gegevens in, geeft me mijn kaart terug en verzoekt me te wachten tot ik door de dokter word geroepen.
Ik neem plaats. Een paar wachtenden kijken afwezig naar hun smartphones. Een ouder meisje heeft waarschijnlijk een minder leuk berichtje op haar mobieltje ontvangen, want ze kijk chagrijnig naar het schermpje. Op een televisiescherm aan de wand van de wachtkamer is middels een afdelingspresentatie te zien dat er veel dermatologen in opleiding zijn. Ik duik ook maar even in mijn mobieltje en laat via de Swarm-app aan mijn volgers weten dat ik ben ingecheckt bij het Flevoziekenhuis. Nog voordat ik andere apps kan checken word ik al door de dermatoloog in opleiding opgehaald. Ze leidt mij naar een behandelkamer en vraagt me plaats te nemen.
Er volgt in een soort van intakegesprek. Ik doe eigenlijk het zelfde verhaal zoals ik al een paar weken geleden bij de huisarts heb gedaan. De dermatoloog in opleiding neemt de moedervlek nog eens grondig onder de loep en stelt dezelfde vraag als de huisarts: of ik de moedervlek wil laten verwijderen. Ik zeg wederom dat ik dit wil. Ik vertel met een glimlach wel klaar te zijn met het weg photoshoppen van de moedervlek op selfies. Ze hinnikt een beetje. Het is niet echt lachen. Ze zegt even in overleg te gaan over het hoe en wanneer de moedervlek te verwijderen. Ik geef toch even aan dat in de verwijsbrief een melding staat dat bij dit bezoek de moedervlek meteen verwijderd zou worden. Ze neemt dit op met de dermatoloog mét opleiding en vertrekt uit de behandelkamer.
Na anderhalve minuut op de behandeltafel te hebben gewacht komt de dermatoloog in opleiding terug met nog een leerling dermatoloog en de dermatoloog zelf. We geven elkaar de hand. Gekleed in steriel wit staan ze om me heen. De dermatoloog zegt tegen niemand in het bijzonder dat de moedervlek makkelijk is weg te lepelen, zonder de lederhuid te beschadigen. De tweede dermatoloog in opleiding gaat met de verdovingsprik in de weer en de dermatoloog zelf geeft me een ijzeren stang in mijn handen. Dit is om mij te aarden. Ze gaan vast iets met elektriciteit doen en ik vraag verbaasd hardop of ik mijn mobiel dan niet moet uitzetten. Ik zie mezelf al schokkend en op mijnt tong bijtend op de behandeltafel liggen. ‘Dat is niet nodig’, zegt de dermatoloog lichtelijk lachend.
Het verdovend prikje dat volgt is even geniepig, maar als snel voel ik niets meer en begint de eerste dermatoloog in opleiding met het wegschrapen van de moedervlek. Uiteindelijk duurt deze kleine operatie nog geen 5 minuten en nadat de dermatoloog in opleiding mij een pleister op de wond legt, mag ik weer rechtop gaan zitten. De dermatoloog mét opleiding en de tweede dermatoloog in opleiding vertrekken weer nadat ze me de hand hebben geschud. De eerste dermatoloog in opleiding praat me even bij over wat er nu gaat gebeuren. Terwijl ze een sticker op een potje met daarin de weggesneden moedervlek plakt, zegt ze dat ze mij over 2 weken zal bellen met de uitslag van de moedervlek op kweek. Of het goedaardig of kwaadaardig is. Ik ga er maar vanuit dat het goedaardig is, anders duren de komende 2 weken wel heel erg lang. We schudden elkaar de hand en nog eens een paar minuten later sta ik buiten. Het is gestopt met regenen.
Reunietje
Een oudere vrouw in de trein kijkt de vrouw schuin tegenover haar aan. Ze buigt voorover en zegt: ‘Ik ken jou.’ De toegesproken vrouw kijkt een fractie van een seconde naar links, naar haar medereizigster, en kijkt de andere vrouw nu aandachtig in het gezicht. De oudere vrouw wacht niet op een antwoord en vertelt: ‘Ja, ik ken jou anders dan dat jij mij kent. Onze moeders hebben destijds in hetzelfde verzorgingshuis gelegen.’ Het gezicht van de aangesproken vrouw klaart op en weet de oudere vrouw schuin tegenover haar te plaatsen.
‘Och ja, nu zie ik het! Hoe is het met u?’ De oudere vrouw geeft vervolgens een uitgebreid antwoord op de vraag (het gaat goed met haar, ze is inmiddels 62 jaar oud en geniet van het leven: kinderen en kleinkinderen). Ze begint herinneringen van -naar wat ik later verneem, meer dan 30 geleden op te rakelen en de verdere treinreis worden mijn medereizigers en ik overspoeld met verhalen van toen. Vergeten herinneringen van weekenden en schoolvakanties die ze met elkaar hebben doorgebracht worden door de oudere vrouw opgerakeld en door de jongere vrouw ontvangen met een sentimenteel ‘och-ja’.
De oudere vrouw haalt de ene herinnering na de ander op en wanneer de trein het station van Hilversum inrijdt, zegt de oudere vrouw halvelings geschrokken dat ze er hier uit moet. Er wordt afscheid genomen en er moeten groetjes overgebracht worden. Deze worden beloofd, want vanavond gaat ze naar de verjaardag van haar zus -die al eerder in de herinneringen werd aangehaald, en ze zal de groetjes zeker overbrengen. De jongere vrouw knikt tevreden.
Wanneer de oudere vrouw de trein heeft verlaten kijkt de achtergebleven jonge vrouw haar medereizigster aan en verklaart het hartstikke leuk te vinden dat ze de oudere vrouw weer heeft gesproken. Het is nu stil in de trein. De medereizigster -die de gehele reis geen moment aan het woord is gekomen verklaart dat de oudere vrouw wel een enorme kletsmajoor is. De jongere vrouw glimlacht en antwoordt met: ‘Ja, dat was ik dus niet vergeten.’
Dorpsgek
De dorpsgek. Het is natuurlijk een denigrerende bijnaam voor een persoon die zich niet schikt naar de normale gedragsnormen in een dorp of stad. Maar vaak gedragen ze zich ze luid en roepen ze rare dingen. Ze sluiten zich op deze manier buiten de groep. Het lijkt dat iedere dorpsgek een verhaal heeft. Het is in ieder geval een aardige bijkomstigheid.
Vroeger had je in Den Helder de ‘gek’ Pietje de Teller. Een van de dorpsgekken die deze stad rijk was. Pietje telde alles wat los en vast zat. In mijn herinnering kwam hij nooit verder dan het getal 50 en begon hij iedere keer opnieuw met tellen. Of het werkelijk ook zo gebeurde, is me te wazig in herinnering. Naast Pietje de Teller hadden we in Den Helder nog een Pietje rondlopen. Pietje Lont. Hij was een altijd aanwezig persoon.
Jodelend en in beschonken toestand liep hij door de straten van Den Helder. Volgens de overlevering was Pietje de kleinzoon van de laatste Duitse keizer Wilhelm. Ik heb geen idee of dit ook zo was. Pietje Lont was de altijd dronken -bijna- Duitse monarch en hij was vaak in het gezelschap te vinden van de kleurrijke en vooral altijd luid lachende Antilliaanse Carmalita. Tegenwoordig lijkt iedere stad in Nederland bevolkt door gekken.
In de stad Almere is dat zeker het geval. Vandaag was er weer zo een idioot die het nodig vond om een ruit van een vertrekkende stadsbus in te slaan. Alleen omdat de bus vertrok zonder deze dorpsgek. Ik ga niet zeggen dat het me doet verlangen naar vroeger, maar een aantal jaren geleden was het aantal dorpsgekken nog te overzien. Vandaag zijn er te veel mensen die buiten de standaardnorm van de samenleving vallen.
Hitte
Het is lekker koel in de trein. De afgelopen dagen waren buitengewoon warm. Momenten dat je alleen maar onderuitgezakt in de schaduw wilt liggen, omdat alleen het inhaleren van zuurstof je al te veel energie kost. De twintig minuten durende busrit van Nieuwegein naar Utrecht lijkt een rit door de hel. Het is in de bus waarschijnlijk nog warmer dan het in de hel kan zijn. De airco draait voor niets. Veel kabaal. Totaal geen verfrissing, noch verlichting. Dat is ook aan de medereizigers te zien. Uitgeput en moedeloos kijken we voor ons uit. De natte plekken op ruggen en in oksels negerend.
Nee, in de trein is het prima vertoeven. Lekker fris. Het is heimelijk aangenaam genieten om de fietsers buiten verhit over de fietspaden te zien gaan. Bij het station van Hilversum stappen meerdere reizigers in de trein. Aangenaam verrast ervaren ze de door de airco gekoelde lucht op het lichaam, en met een welgemeende glimlach nemen ze opgelucht plaats. De trein vertrekt en in gedachten ben ik al een kwartier verder op de dag. Aangekomen in Almere. In de achtertuin lommerrijk onder de walnotenboom, genietend van een Radler, een biertje met citroensmaak. Eigenlijk is het allemaal zo slecht nog niet.
Moedervlek
Zo’n twee jaar geleden verkondigde zich uit het niets, en spontaan een moedervlek boven mijn wenkbrauw aan. Toen ik vorige maand het idee had dat het ding groter groeide, verloor ik het vertrouwen in de vlek en besloot ik de huisarts er naar te laten kijken. Een afspraak was snel gemaakt en daarom mocht ik afgelopen woensdagmiddag de huisarts in de huisartsenpost in Almere-Filmwijk met een bezoek vereren.
Ik was al vroeg in de middag van het werk vanuit Nieuwegein vertrokken om in ieder geval op tijd te zijn voor het bezoek dat voor 16:00 uur in Almere was ingepland. Een kwartier van te voren was ik thuis aangekomen. Door het klamme en benauwde weer besloot ik me eerst om te kleden om in ieder geval representatief (in droge kleren) bij de dokter te zijn. Tien voor vier sloot ik de voordeur achter me en liep ik naar de huisartsenpost.
Ruim op tijd melde ik me bij de receptioniste, nadat een zeer boze en chagrijnige meneer zijn ongenoegen had geuit omtrent het lange wachten in het gebouw. Met een bezweet hoofd zei hij met luide stem dat hij het zeer vreemd vond dat de dame achter de balie niet kon vertellen hoe lang hij nog moest wachten. Als er echte medische pilletjes voor vrolijkheid bestaan, dan is deze meneer er zeker aan toe. Wat een bullebak.
Nadat ik nog geen 5 minuten heb zitten wachten werd ik al snel door dokter Betlem opgehaald. Ik mocht plaats nemen. Ze verontschuldigde zich voor het feit dat ik vandaag niet mijn vaste huisarts te spreken kreeg. Ik wimpelde de verontschuldiging weg met de opmerking dat ik vaker een vervanger te spreken krijg, dan mijn eigenlijke huisarts. Je kan er boos om worden, maar ik heb liever dat iemand die mij nog niet kent een onderzoek verleent.
Nadat de dokter de moedervlek letterlijk onder de loep heeft genomen kan ze me geruststellen. De vlek heeft alle eigenschappen van een onschuldige moedervlek. Het heeft niets bedreigends. Dokter Betlem vraagt me of ik de vlek wil laten weghalen en ik reageer hier positief op. De laatste tijd is het ding, in mijn beleving, ook meer aanwezig. Weg ermee! Ik krijg een doorverwijzingsbrief om een afspraak te maken met de dermatoloog en om kwart over vier sta ik weer buiten.
Verdorie
De eindeloze discussie over Zwarte Piet, die al sinds november 2012 bijna iedere maand met gedrevenheid in het nieuws wordt bericht, is -helaas- nog steeds een geliefde bezigheid in Nederland. Ook op 1 juni 2016 wil iedereen zijn of haar mening spuien. Voor- en tegenstanders staan tegenover elkaar en iedere nuance is als Sinterklaas op 6 december: verdwenen. Ik denk dan enigszins weemoedig aan de sinterklaasmomenten van toen. Zonder een schreeuwende discussie. Gemoedelijk, zoals Simon Carmiggelt het zo’n veertig jaar geleden zo mooi kon vertellen.
In de hal van Madame Tussauds’ in de Kalverstraat zat Zwarte Piet gehurkt voor drie zeer kleine jongetjes en vroeg: ‘Kunnen jullie zingen van Sinterklaas kapoentje?’ – ‘Ja, Piet,’ antwoordde een van de drie geïmponeerd. Je kon zien dat hij ervan overtuigd was met de enige echte Zwarte Piet te doen te hebben, terwijl de mensen die eromheen stonden duidelijk zagen dat deze Piet gespeeld werd door een meisje. ‘Nou, zing ’t dan maar,’ zei ze. Ze deed zelfs geen moeite haar sopraan wat neer te drukken. ‘Sinterklaas kapoentje…’ hieven de jongetjes braaf aan.
Het wassen duplicaat van de portier naast de kassa keek onbewogen, maar het origineel bij de deur glimlachte net als wij. Toen het liedje uit was, kregen de jongetjes een handje snoep en verdween Zwarte Piet in het wassenbeeldenspel als enige bewegende attractie tussen de verstarde groten der aarde. De jongetjes maakten zich met hun buit uit de voeten en de toeschouwers voegden zich in de rijen der winkelende Amsterdammers.
Ik liep tegelijk op met een oude man, die niet veel meer te winkelen had. ‘Het Was een meisje,’ zei hij tegen me. ‘Ja, dat hoorde ik ook,’ antwoordde ik. Hij glimlachte. ‘Ik heb laatst een vrouwelijke Sinterklaas gezien,’ zei hij. ‘Een lachertje. Voor mij tenminste. Maar voor de kinderen niet. Als je klein bent, geloof je wat je geloven wilt. Nou ja, als je groot bent ook. Maar dan gaat het om andere dingen.’
Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd. 1920. Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort. En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet, waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een liedje, waar hij om vroeg.
‘Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk,’ zei de oude man. ‘Tegenwoordig hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de tv. Maar toen… Wanneer was het?’ Hij dacht even na. ‘De winter van 1915,’ vervolgde hij. ‘Ja, ik was toen zes. En m’n broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in Amsterdam. En we hadden ’t niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes riep ik: ‘Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent.’ Maar toch was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Mijn moeder heeft me later verteld hoe we daar binnenkwamen. Als je voor minstens ’n gulden kocht, mocht één van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven. En dan kreeg zo’n kind een presentje.’
Hij keek me van opzij aan. ‘Een presentje,’ zei hij. ‘Een afgestorven woord. Net als versnapering. Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en zomen. Dat kostte net genoeg voor zo’n heilige kassabon. Mijn broertje van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje kreeg. En zo’n kleurboekje van één cent. Dat bestond toen – iets van één cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder meegemaakt. ‘En?’ vroeg mijn moeder, ‘heeft Sinterklaas nog iets gezegd?’ Hij knikte, en op een eerbiedige toon antwoordde hij: ‘Ja, moe. Hij zei: ‘Verdorie, wat ’n rij nog.’

