6.83 Miles

Distance: 11 kilometer
Time: 00:57:35 hours
Calories: 941
July: 11 kilometer

Angry Birds

In het leescafé van de Nieuwe Bibliotheek wordt het jongetje, dat hooguit vijf jaar is, aan de hand binnengevoerd door zijn moeder, een rank meisjesachtig type, dat de voorgeschreven mode met overtuiging draagt. In haar afgedragen Uggs gaat ze aan een tafeltje vlak bij me zitten en zegt tegen de dame achter de bar: ‘Eén cappuccino en een Fristi voor hem. Heb u ook ijs?’
‘IJs?’ vraagt de dame achter de bar, op een toon of haar een portie plutonium wordt besteld.’
‘Die mevrouw heb geen ijs,’ zegt ze tegen het jongetje. ‘Maar dan krijg je straks wel iets lekkers. Als we bij Angry Birds in de bioscoop zijn. Gaan we lekker naar toe hè? Ventje van me. Naar Angry Birds. Maar eerst tante Shirley en Tyrone ophalen. Die gaan ook mee. Hè? Moet je even stil zijn, dan kan mama even met tante Shirley bellen. Om te zeggen dat we d’r aankomen.’

De dame loopt vanachter de bar en plaatst de bestelling, een cappuccino en een Fristi, met een licht overdreven elan op het kleine vierkante tafeltje. De moeder krijgt verbinding met de andere kant van het gesprek:
‘Hoi Shirley, schat. Hè? Ja, ik ook. Helemaal in de kreukels. We hadden niet meer met Steve mee moeten gaan, natuurlijk. Maar ’t was wel lachen, hè? Heb jij al iets gelezen dan? Ik ook niet. Het zal wel helemaal mis zijn gegaan. Dit kun je toch niet meer maken, op toneel. Hè? Nee, de wagen heb ik terug. Hij was weggesleept, door de gemeente. Nou ja, ik had ‘m ook zomaar gedumpt daar. Niks kostte het. Gek hè? Zeker service of zoiets. Zeg, ik kom d’r nou an met het ventje van me, voor Angry Birds. Wat? En Tyrone dan? O ja? Wat maf van hem. De oliebol. Maar dan kom ik toch zeker helpen. Tuurlijk. Hoe laat is die opening? Hebben we nog alle tijd. Tot dadelijk dan. Ciao.’

Haar aandacht ging weer naar het jongetje, dat zuinig zijn Fristi door het rietje dronk. ‘Gaan we nou naar Angry Birds?’ vraagt hij.
‘Nee, we gaan morgen naar Angry Birds,’ antwoordt ze. ‘Mamma moet vanmiddag even met tante Shirley gaan helpen om de schilderijen op te hangen van Ome Sjon, en stukjes kaas snijden en zo. En dan krijg jij een grote rol drop en dan brengt tante Lucia jou en Tyrone naar de kapper om je haartjes te laten knippen. Je weet wel, die aardige kapper, vlak bij tante Shirley. Leuk hè? Drink je Fristi nou maar lekker op. O, kijk eens wie daar loopt? Ome René.’
Ze staat op en wuift enthousiast. Een jongeman blijft bij de tijdschriften stilstaan, kijkt naar haar en loopt het leescafé binnen.
‘Hey René, schat,’zegt ze, en sluit hem in de armen. De jongen draagt een rode trainingsbroek met het kruis ter hoogte van zijn knieën en kijkt met grote, donkere ogen droevig de wereld in.

Wanneer hij ook aan het tafeltje zit zegt ze: ‘Stel je toch voor. Sjon is zijn hele tentoonstelling vergeten. De oliebol. Ik zou met Shirley en Tyrone en dit ventje van me hier naar de bioscoop, maar nou ga ik helpen hangen en de catering voor de borrel klaarmaken. Anders kan ’t niet eens open om vijf uur als de bobo’s komen.’
De jongeman heeft zijn hand liefkozend op het hoofd van het jongetje gelegd. Daarna kijkt hij haar aan en mompelt iets onverstaanbaars.
‘O, maar dat zou picobello zijn,’roept ze. En tegen het kind: ‘Weet je met wie je nou mee mag, ventje van me? Met ome René.’
‘Naar de kapper?’ vraagt het jongetje.
‘Nee schat. Naar Angry Birds. Je zou toch naar Angry Birds? Nou gaat ome René met jou naar Angry Birds. Leuk he`?’

Het kind duwt het pakje Fristi met uitgestrekte armen voor zich uit en knikt.
‘Nou gaat mamma even de bioscoop bellen om plaatsjes te bestellen,’ en ze haalt haar mobieltje tevoorschijn. ‘Hallo? Ik wou graag twee mooie plaatsen voor Angry Birds vanmiddag. Wat? Helemaal? O, de vakantie. Ja, daar is dan niks aan te doen. Ciao.’
Het kind zucht lichtjes. De vrouw bergt haar mobieltje op.
‘Zeg, ventje van me, alle plaatsjes zijn uitverkocht, zegt de meneer van de bios. Jammer hè? Maar dan gaan we morgen naar Angry Birds. En dan mag jij vanmiddag lekker met Tyrone naar de kapper. Die aardige kapper, bij tante Shirley, weet je wel? Leuk hè?’

Naar een kronkel van Simon Carmiggelt

Geurig

Op het treinstation in Almere-Muziekwijk komt een mevrouw naast me zitten. Niets bijzonders, want in de trein gaat er wel vaker iemand naast je zitten. Vooral tijdens de ochtendspits. De mevrouw in kwestie had niets bijzonders. Dit zeg ik niet omdat ik  nu onaardig wil zijn, maar ze zag er alledaags en gewoontjes uit. Wat haar echter wel opmerkelijk maakte was haar parfum.

Ik weet niet welk merk parfum ze droeg, maar de geur bracht me meer dan 40 jaar terug, naar het moment dat ik net op de basisschool zat. Het was hetzelfde luchtje dat mijn lerares juffrouw Kapitein uit de eerste klas droeg. Een niet onwelriekende geurigheid, maar wel eentje weeïg genoeg om me weer terug te brengen naar De Torpschool in Den Helder van de vorige eeuw.

Een professor waarvan de naam me nu is ontschoten, alsook de expertise waarin hij deskundig was,  heeft het ooit eens heel mooi gezegd: ruiken is tot op heden nog de enige manier om in de  tijd te kunnen reizen. Wanneer je een specifieke geur je bereikt kan je ineens een ervaring of een moment herbeleven, alsof je ergens weer bent. Deze geurervaring is sterker dan beelden op foto of film.

Ooit had ik op het werk een trappenhuis met marmeren trappen waar dagelijks een andere geur hing. Dan heb ik het niet over etensluchten of luchtjes afkomstig van het menselijk lichaam, maar echte trips naar momenten van toen. De ene dag kon ik in het trappenhuis weer terug zijn op de kleuterschool, waar de toiletten een altijd beetje hardnekkige vochtlucht had.

Ook hing er soms een lucht in het trappenhuis die me deed denken aan het oude verenigingsgebouw van Scoutingvereniging ‘Jutters Willemsoord’ in mijn oude woonwijk, de Schooten. Als tienjarige jongen heb daar fantastische momenten beleefd. Het oude gebouw had een aparte oude geur. Een combinatie van oud hout en ouderwetse linoleumvloertjes.

Ik vind het interessant dat je naar aanleiding van het ruiken van een specifieke geur weer helemaal terug kan gaan naar een moment in je leven. Het heeft iets bijzonders en totaal iets anders dan het herzien van oude beelden. Foto’s geven mooie herinneringen, maar een geur laat het je herbeleven. Soms verlang ik nog wel eens naar dat oude trappenhuis.

Kruimels

De duif wipt wat onzeker om me heen. Het plekje op het eerste perron van Utrecht Centraal is rustig. De meeste reizigers staan elders, waar over enkele minuten de trein het station zal inrijden. Ik sta lekker in de schaduw. Laat de rest maar in de zinderende hitte zitten. Ik wacht wel tot ik in de trein met airconditioning plaats kan nemen. Ik neem een hap van mijn broodje. De duif begint nu zenuwachtig heen en weer te wippen. Hij gaat ervan uit dat er in no time een paar eetbare kruimels op de tegels van het perron vallen.

Ik heb een hekel aan duiven. Sowieso aan vogels. Dat fladdert maar met de vleugels zo vlak langs je hoofd en ze ontlasten zich wanneer en waar het hen maar uitkomt. Daarnaast vind ik duiven ook lelijk. De exemplaren die ik op verschillende stations in Nederland zie, lijken wel te zijn gemuteerd tot gedrochten. Met hun te kleine kopjes en afschuwelijk mismaakte vogelpootjes. Ik zie sommige duivenexemplaren voorbij strompelen die niet anders kunnen dan waggelend rondlopen. De pootjes zijn vergroeid en mismaakt.

De duif, in afwachting van de kruimels van mijn broodje, heeft echter nog perfecte duivenpootjes. Het geduldige beestje op het perron van Utrecht Centraal lijkt op het duivenexemplaar van het ‘Aap Noot Mies leesplankje’. Als het dier het wenst, kan het statig over de tegels rondlopen. Ik voel al bijna enige binding met het gevederde ongedierte. Hoe cliché, en waar: de mens laat zich het liefst omringen door perfectie. Daarbij zichzelf immer wegcijferend in dat perfecte beeld.

In de verte zie ik dat mijn trein het station inrijdt en ik neem snel een paar flinke happen. Grote kruimels vallen omlaag en de duif doet een dansje van vreugde. Hij wipt gulzig van kruimel naar kruimel. Voordat ik naar de trein loop laat ik de laatste hap van het broodje uit mijn hand vallen. Enthousiast begint het dier aan het feestmaal. Twee andere duiven komen aanvliegen. Ze strompelen met vergroeide pootjes naar de restjes en happen gezellig wat kruimels mee. Ik laat de dieren achter voor wat ze zijn.

Kleine operatie

Het is maandagavond, kwart voor zeven. Ik heb over 10 minuten een afspraak in de agenda staan bij de dermatoloog. Na een wandeling door een hevige regenbui kom ik natter dan gewenst aan in het Flevoziekenhuis. Een kleine zoektocht door het ziekenhuis (linksaf, schuin oversteken, rechtdoor, rechtsaf, de lift naar de tweede etage en dan vervolgens de aan het plafond bevestigde wegwijsbordjes volgen) brengt me bij de afdeling dermatologie. Bij de receptie word ik begroet door een jongedame met een vrolijk gekleurde hidjab op haar hoofd en een net zo vrolijk gezicht. Ze vraagt me om mijn geboortedatum en vervolgens om mijn ID-kaart, die ik haar overhandig. Ze voert wat gegevens in, geeft me mijn kaart terug en verzoekt me te wachten tot ik door de dokter word geroepen.

Ik neem plaats. Een paar wachtenden kijken afwezig naar hun smartphones. Een ouder meisje heeft waarschijnlijk een minder leuk berichtje op haar mobieltje ontvangen, want ze kijk chagrijnig naar het schermpje. Op een televisiescherm aan de wand van de wachtkamer is middels een afdelingspresentatie te zien dat er veel dermatologen in opleiding zijn. Ik duik ook maar even in mijn mobieltje en laat via de Swarm-app aan mijn volgers weten dat ik ben ingecheckt bij het Flevoziekenhuis. Nog voordat ik andere apps kan checken word ik al door de dermatoloog in opleiding opgehaald. Ze leidt mij naar een behandelkamer en vraagt me plaats te nemen.

Er volgt in een soort van intakegesprek. Ik doe eigenlijk het zelfde verhaal zoals ik al een paar weken geleden bij de huisarts heb gedaan. De dermatoloog in opleiding neemt de moedervlek nog eens grondig onder de loep en stelt dezelfde vraag als de huisarts: of ik de moedervlek wil laten verwijderen. Ik zeg wederom dat ik dit wil. Ik vertel met een glimlach wel klaar te zijn met het weg photoshoppen van de moedervlek op selfies. Ze hinnikt een beetje. Het is niet echt lachen. Ze zegt even in overleg te gaan over het hoe en wanneer de moedervlek te verwijderen. Ik geef toch even aan dat in de verwijsbrief een melding staat dat bij dit bezoek de moedervlek meteen verwijderd zou worden. Ze neemt dit op met de dermatoloog mét opleiding en vertrekt uit de behandelkamer.

Na anderhalve minuut op de behandeltafel te hebben gewacht komt de dermatoloog in opleiding terug met nog een leerling dermatoloog en de dermatoloog zelf. We geven elkaar de hand. Gekleed in steriel wit staan ze om me heen. De dermatoloog zegt tegen niemand in het bijzonder dat de moedervlek makkelijk is weg te lepelen, zonder de lederhuid te beschadigen. De tweede dermatoloog in opleiding gaat met de verdovingsprik in de weer en de dermatoloog zelf geeft me een ijzeren stang in mijn handen. Dit is om mij te aarden. Ze gaan vast iets met elektriciteit doen en ik vraag verbaasd hardop of ik mijn mobiel dan niet moet uitzetten. Ik zie mezelf al schokkend en op mijnt tong bijtend op de behandeltafel liggen. ‘Dat is niet nodig’, zegt de dermatoloog lichtelijk lachend.

Het verdovend prikje dat volgt is even geniepig, maar als snel voel ik niets meer en begint de eerste dermatoloog in opleiding met het wegschrapen van de moedervlek. Uiteindelijk duurt deze kleine operatie nog geen 5 minuten en nadat de dermatoloog in opleiding mij een pleister op de wond legt, mag ik weer rechtop gaan zitten. De dermatoloog mét opleiding en de tweede dermatoloog in opleiding vertrekken weer nadat ze me de hand hebben geschud. De eerste dermatoloog in opleiding praat me even bij over wat er nu gaat gebeuren. Terwijl ze een sticker op een potje met daarin de weggesneden moedervlek plakt, zegt ze dat ze mij over 2 weken zal bellen met de uitslag van de moedervlek op kweek. Of het goedaardig of kwaadaardig is. Ik ga er maar vanuit  dat het goedaardig is, anders duren de komende 2 weken wel heel erg lang. We schudden elkaar de hand en nog eens een paar minuten later sta ik buiten. Het is gestopt met regenen.

Reunietje

Een oudere vrouw in de trein kijkt de vrouw schuin tegenover haar aan. Ze buigt voorover en zegt: ‘Ik ken jou.’ De toegesproken vrouw kijkt een fractie van een seconde naar links, naar haar medereizigster, en kijkt de andere vrouw nu aandachtig in het gezicht. De oudere vrouw wacht niet op een antwoord en vertelt: ‘Ja, ik ken jou anders dan dat jij mij kent. Onze moeders hebben destijds in hetzelfde verzorgingshuis gelegen.’ Het gezicht van de aangesproken vrouw klaart op en weet de oudere vrouw schuin tegenover haar te plaatsen.

‘Och ja, nu zie ik het! Hoe is het met u?’ De oudere vrouw geeft vervolgens een uitgebreid antwoord op de vraag (het gaat goed met haar, ze is inmiddels 62 jaar oud en geniet van het leven: kinderen en kleinkinderen). Ze begint herinneringen van -naar wat ik later verneem, meer dan 30 geleden op te rakelen en de verdere treinreis worden mijn medereizigers en ik overspoeld met verhalen van toen. Vergeten herinneringen van weekenden en schoolvakanties die ze met elkaar hebben doorgebracht worden door de oudere vrouw opgerakeld en door de jongere vrouw ontvangen met een sentimenteel ‘och-ja’.

De oudere vrouw haalt de ene herinnering na de ander op en wanneer de trein het station van Hilversum inrijdt, zegt de oudere vrouw halvelings geschrokken dat ze er hier uit moet. Er wordt afscheid genomen en er moeten groetjes overgebracht worden. Deze worden beloofd, want vanavond gaat ze naar de verjaardag van haar zus -die al eerder in de herinneringen werd aangehaald, en ze zal de groetjes zeker overbrengen. De jongere vrouw knikt tevreden.

Wanneer de oudere vrouw de trein heeft verlaten kijkt de achtergebleven jonge vrouw haar medereizigster aan en verklaart het hartstikke leuk te vinden dat ze de oudere vrouw weer heeft gesproken. Het is nu stil in de trein. De medereizigster -die de gehele reis geen moment aan het woord is gekomen verklaart dat de oudere vrouw wel een enorme kletsmajoor is. De jongere vrouw glimlacht en antwoordt met: ‘Ja, dat was ik dus niet vergeten.’

Dorpsgek

De dorpsgek. Het is natuurlijk een denigrerende bijnaam voor een persoon die zich niet schikt naar de normale gedragsnormen in een dorp of stad. Maar vaak gedragen ze zich ze luid en roepen ze rare dingen. Ze sluiten zich op deze manier buiten de groep. Het lijkt dat iedere dorpsgek een verhaal heeft. Het is in ieder geval een aardige bijkomstigheid.

Vroeger had je in Den Helder de ‘gek’ Pietje de Teller. Een van de dorpsgekken die deze stad rijk was. Pietje telde alles wat los en vast zat. In mijn herinnering kwam hij nooit verder dan het getal 50 en begon hij iedere keer opnieuw met tellen. Of het werkelijk ook zo gebeurde, is me te wazig in herinnering. Naast Pietje de Teller hadden we in Den Helder nog een Pietje rondlopen. Pietje Lont. Hij was een altijd aanwezig persoon.

Jodelend en in beschonken toestand liep hij door de straten van Den Helder. Volgens de overlevering was Pietje de kleinzoon van de laatste Duitse keizer Wilhelm. Ik heb geen idee of dit ook zo was. Pietje Lont was de altijd dronken -bijna- Duitse monarch en hij was vaak in het gezelschap te vinden van de kleurrijke en vooral altijd luid lachende Antilliaanse Carmalita. Tegenwoordig lijkt iedere stad in Nederland bevolkt door gekken.

In de stad Almere is dat zeker het geval. Vandaag was er weer zo een idioot die het nodig vond om een ruit van een vertrekkende stadsbus in te slaan. Alleen omdat de bus vertrok zonder deze dorpsgek. Ik ga niet zeggen dat het me doet verlangen naar vroeger, maar een aantal jaren geleden was het aantal dorpsgekken nog te overzien. Vandaag zijn er te veel mensen die buiten de standaardnorm van de samenleving vallen.

Hitte

 

Het is lekker koel in de trein. De afgelopen dagen waren buitengewoon warm. Momenten dat je alleen maar onderuitgezakt in de schaduw wilt liggen, omdat alleen het inhaleren van zuurstof je al te veel energie kost. De twintig minuten durende busrit van Nieuwegein naar Utrecht lijkt een rit door de hel. Het is in de bus waarschijnlijk nog warmer dan het in de hel kan zijn. De airco draait voor niets. Veel kabaal. Totaal geen verfrissing, noch verlichting. Dat is ook aan de medereizigers te zien. Uitgeput en moedeloos kijken we voor ons uit. De natte plekken op ruggen en in oksels negerend.

Nee, in de trein is het prima vertoeven. Lekker fris. Het is heimelijk aangenaam genieten om de fietsers buiten verhit over de fietspaden te zien gaan. Bij het station van Hilversum stappen meerdere reizigers in de trein. Aangenaam verrast ervaren ze de door de airco gekoelde lucht op het lichaam, en met een welgemeende glimlach nemen ze opgelucht plaats. De trein vertrekt en in gedachten ben ik al een kwartier verder op de dag. Aangekomen in Almere. In de achtertuin lommerrijk onder de walnotenboom, genietend van een Radler, een biertje met citroensmaak. Eigenlijk is het allemaal zo slecht nog niet.

Moedervlek

Zo’n twee jaar geleden verkondigde zich uit het niets, en spontaan een moedervlek boven mijn wenkbrauw aan. Toen ik vorige maand het idee had dat het ding groter groeide, verloor ik het vertrouwen in de vlek en besloot ik de huisarts er naar te laten kijken. Een afspraak was snel gemaakt en daarom mocht ik afgelopen woensdagmiddag de huisarts in de huisartsenpost in Almere-Filmwijk met een bezoek vereren.

Ik was al vroeg in de middag van het werk vanuit Nieuwegein vertrokken om in ieder geval op tijd te zijn voor het bezoek dat voor 16:00 uur in Almere was ingepland. Een kwartier van te voren was ik thuis aangekomen. Door het klamme en benauwde weer besloot ik me eerst om te kleden om in ieder geval representatief (in droge kleren) bij de dokter te zijn. Tien voor vier sloot ik de voordeur achter me en liep ik naar de huisartsenpost.

Ruim op tijd melde ik me bij de receptioniste, nadat een zeer boze en chagrijnige meneer zijn ongenoegen had geuit omtrent het lange wachten in het gebouw. Met een bezweet hoofd zei hij met luide stem dat hij het zeer vreemd vond dat de dame achter de balie niet kon vertellen hoe lang hij nog moest wachten. Als er echte medische pilletjes voor vrolijkheid bestaan, dan is deze meneer er zeker aan toe. Wat een bullebak.

Nadat ik nog geen 5 minuten heb zitten wachten werd ik al snel door dokter Betlem opgehaald. Ik mocht plaats nemen. Ze verontschuldigde zich voor het feit dat ik vandaag niet mijn vaste huisarts te spreken kreeg. Ik wimpelde de verontschuldiging weg met de opmerking dat ik vaker een vervanger te spreken krijg, dan mijn eigenlijke huisarts. Je kan er boos om worden, maar ik heb liever dat iemand die mij nog niet kent een onderzoek verleent.

Nadat de dokter de moedervlek letterlijk onder de loep heeft genomen kan ze me geruststellen. De vlek heeft alle eigenschappen van een onschuldige moedervlek. Het heeft niets bedreigends. Dokter Betlem vraagt me of ik de vlek wil laten weghalen en ik reageer hier positief op. De laatste tijd is het ding, in mijn beleving, ook meer aanwezig. Weg ermee! Ik krijg een doorverwijzingsbrief om een afspraak te maken met de dermatoloog en om kwart over vier sta ik weer buiten.

Verdorie

De eindeloze discussie over Zwarte Piet, die al sinds november 2012 bijna iedere maand met gedrevenheid in het nieuws wordt bericht, is -helaas- nog steeds een geliefde bezigheid in Nederland. Ook op 1 juni 2016 wil iedereen zijn of haar mening spuien. Voor- en tegenstanders staan tegenover elkaar en iedere nuance is als Sinterklaas op 6 december: verdwenen. Ik denk dan enigszins weemoedig aan de sinterklaasmomenten van toen. Zonder een schreeuwende discussie. Gemoedelijk, zoals Simon Carmiggelt het zo’n veertig jaar geleden zo mooi kon vertellen.

In de hal van Madame Tussauds’ in de Kalverstraat zat Zwarte Piet gehurkt voor drie zeer kleine jongetjes en vroeg: ‘Kunnen jullie zingen van Sinterklaas kapoentje?’ – ‘Ja, Piet,’ antwoordde een van de drie geïmponeerd. Je kon zien dat hij ervan overtuigd was met de enige echte Zwarte Piet te doen te hebben, terwijl de mensen die eromheen stonden duidelijk zagen dat deze Piet gespeeld werd door een meisje. ‘Nou, zing ’t dan maar,’ zei ze. Ze deed zelfs geen moeite haar sopraan wat neer te drukken. ‘Sinterklaas kapoentje…’ hieven de jongetjes braaf aan.

Het wassen duplicaat van de portier naast de kassa keek onbewogen, maar het origineel bij de deur glimlachte net als wij. Toen het liedje uit was, kregen de jongetjes een handje snoep en verdween Zwarte Piet in het wassenbeeldenspel als enige bewegende attractie tussen de verstarde groten der aarde. De jongetjes maakten zich met hun buit uit de voeten en de toeschouwers voegden zich in de rijen der winkelende Amsterdammers.

Ik liep tegelijk op met een oude man, die niet veel meer te winkelen had. ‘Het Was een meisje,’ zei hij tegen me. ‘Ja, dat hoorde ik ook,’ antwoordde ik. Hij glimlachte. ‘Ik heb laatst een vrouwelijke Sinterklaas gezien,’ zei hij. ‘Een lachertje. Voor mij tenminste. Maar voor de kinderen niet. Als je klein bent, geloof je wat je geloven wilt. Nou ja, als je groot bent ook. Maar dan gaat het om andere dingen.’

Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd. 1920. Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort. En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet, waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een liedje, waar hij om vroeg.

‘Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk,’ zei de oude man. ‘Tegenwoordig hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de tv. Maar toen… Wanneer was het?’ Hij dacht even na. ‘De winter van 1915,’ vervolgde hij. ‘Ja, ik was toen zes. En m’n broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in Amsterdam. En we hadden ’t niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes riep ik: ‘Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent.’ Maar toch was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Mijn moeder heeft me later verteld hoe we daar binnenkwamen. Als je voor minstens ’n gulden kocht, mocht één van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven. En dan kreeg zo’n kind een presentje.’

Hij keek me van opzij aan. ‘Een presentje,’ zei hij. ‘Een afgestorven woord. Net als versnapering. Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en zomen. Dat kostte net genoeg voor zo’n heilige kassabon. Mijn broertje van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje kreeg. En zo’n kleurboekje van één cent. Dat bestond toen – iets van één cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder meegemaakt. ‘En?’ vroeg mijn moeder, ‘heeft Sinterklaas nog iets gezegd?’ Hij knikte, en op een eerbiedige toon antwoordde hij: ‘Ja, moe. Hij zei: ‘Verdorie, wat ’n rij nog.’

Op weg

Dinsdagavond. Wederom reis ik vanaf Utrecht Centraal met een kleine omweg via station Amsterdam Duivendrecht naar huis. Onderweg naar Almere stopt de trein in Weesp. Een jonge vrouw met een vriendelijk en vooral lief gezichtje stapt in. ‘Reist u tot Almere Centrum of verder?’ hoor ik haar aan andere reizigers in de trein vragen. Ontkennend gemompel is het repliek van mijn medereizigers.

De mevrouw kijkt mij nu vriendelijk, bijna verlegen, aan en herhaalt haar eerder gestelde vraag. Ik antwoord dat ik zeker tot Almere Centrum in de trein zit. Het blije gezichtje wordt nog vrolijker. ‘Mag ik met u meereizen?’vraagt ze me. ‘Ik heb een meereiskaartje, maar de persoon met wie ik vanmorgen mee op reis was, kon vanmiddag een trein eerder nemen.’ Ze kijkt erbij alsof ze zich verontschuldigt voor haar pech. ‘Natuurlijk,’ zeg ik, en ik vertel haar dat ze tot Almere Centrum met me mee kan reizen.

Ze lacht, bedankt me en gaat schuin tegenover me zitten. Ze kijkt me nog even glimlachend aan, maar al snel verlies ik het qua aandacht van haar mobiele telefoon. Wanneer de trein meerdere stations heeft aangedaan, stopt deze nu ook op Almere Centrum. We stappen beiden uit de trein. Voordat we bij de poortjes aankomen kijkt ze me nog even vriendelijk aan. Ik wens haar een fijne avond en ze kijkt een laatste keer glimlachend om.

Verderop in de stationshal staat een blonde vrouw heel moeilijk op haar mobiele telefoon te kijken. Ze kijkt me een beetje hopeloos aan. Ik glimlach terug. Opgelucht stelt ze de vraag: ‘Excuse me sir, can you tell me where I can find the bus stations?’ Het Engels met zeer zware Z-klanken onthult dat de vrouw -naar mijn mening, in het oosten van Europa is opgegroeid. Ik leg haar uit dat het busstation buiten is en ik wijs naar de uitgang aan de westzijde van de stationshal. Opgelucht en in versnelde pas loopt ze naar de bushaltes.

Vooruitzicht

Soms heeft het leven momenten dat je constant wordt verrast. Dat kan natuurlijk positief of negatief zijn. Soms lijkt er minder Yin, en meer Yang te zijn. Of andersom. Dan zijn er momenten dat je jezelf in de figuurlijke tunnel bevindt. Soms lijkt het erop dat er dan toch licht aan het einde van de tunnel is. Alleen weet je op dat moment nog niet of het ook daadwerkelijk het einde van de tunnel is, of dat er een denderende trein op je afkomt.

Soms heb je in het leven van die wegen vol bobbels en gaten. Het zijn dan de onverwachte momenten waarvan je even uit het evenwicht wordt gehaald. Momenten waarbij je denkt: gaat het nog eens een keer gewoon lekker van een leien dakje? Kunnen we gewoon doorgaan met de dingen in het leven? De heerlijke momenten dat je eens geen rekening hoeft te houden met de obstakels en de valkuilen onderweg in die lange tunnel waarin je ongewild aanwezig bent.

Ik heb de stiekeme hoop dat het licht aan het einde van de tunnel dit keer toch geen sneltrein blijkt te zijn. Dat het daadwerkelijk een nieuw begin is. Het aanbreken van een nieuwe periode meldt zich. Voordat het zonlicht mijn ogen zal verblinden zal ik wellicht een paar keer een hobbel of kuiltje moeten trotseren, maar ik vind dat ik er vanuit mag gaan dat ik binnenkort met een zonnebril voor mijn ogen door het leven mag gaan. Help je mee positieve gedachten te denken?

Die

In de trein zitten twee dames tegenover elkaar -net hun tienerjaren ontgroeid, en druk in gesprek. Een van hen drinkt koffie uit een thermosbeker. Het lijkt op een kinderbeker met een deksel en drinktuit. Ze neemt een flinke teug uit de beker en spoelt de koffie eerst door haar mond voordat ze de slok koffie wegwerkt. Ze trekt er ook een raar gezicht bij. Ze is al een echte jongedame, en toch nog een beetje een klein kind.

Ik heb geen zicht op de andere jongedame, maar ik kan haar wel horen praten. Ze probeert haar gesprekspartner met de thermosbeker te overreden dat het Nederlandse woord die een negatief woord is. Niet 100% negatief, maar wanneer het woord die als een bijvoeglijk voornaamwoord wordt gebruikt, in plaats van een aanwijzend voornaamwoord, dan heeft het volgens haar vaak een negatieve lading. Ze vertelt de andere vrouw er eens op te letten.

Wanneer mensen over een persoon praten en het woord die wordt voor de naam geplaatst, dan heeft men vaak geen hoge pet op van de persoon. Ze vertelt over een ex-manager die op het werk was vertrokken. De persoon in kwestie werd door anderen die Manager genoemd. Door het toevoegen van het woord die voor de naam, wist ze dat de persoon niet helemaal in gelukkige toestand bij het bedrijf was vertrokken.

De koffie spoelende jongedame zegt dat ze zichzelf er soms op betrapt dat ze ook ik wel eens het woord die gebruikt in negatieve zin. Zo wordt ze hartstikke moe van al die mensen met een mening over haar vriendje. Ikzelf denk er ook even over na. Men zegt nooit dat ze dolblij van die mensen worden. Het woord die wordt dan dikwijls vervangen door het woord deze. Van een bijvoeglijk naamwoord, weer terug naar het aanwijzend voornaamwoord.

Omweg

Donderdagmiddag. Met een omweg ga ik met de trein, op huis aan.  Niet geheel vrijwillig, want dankzij de vertraging van een bus in Nieuwegein heb ik op Utrecht Centraal mijn gebruikelijke, vaste trein gemist. Op het station trek ik nog een sprintje, waarbij andere reizigers gehaast aan de kant moeten springen, maar helaas rijdt de trein vlak voor mijn neus weg. In gedachten zie ik de mensen gniffelen om mijn pech.
Ik besluit een trein op een ander perron te nemen. Deze belooft mij met een kleine omweg naar mijn woonplaats te brengen. Gezien alle andere reizigers bezit hebben genomen van de zitplaatsen blijf ik op het balkon zitten op een uitklapzitje. Na een minuut komt de trein in beweging. Tegenover mij zit een oude man, iets ouder dan ik. Hij kijkt me even vluchtig aan, staart vervolgens een beetje afwezig naar buiten en buigt zich lichtjes naar voren, naar mij toe.
‘Is dit de trein naar Amsterdam Centraal?’, vraagt de man.
‘Jazeker. De trein stopt eerst nog in Amsterdam Zuid en Amsterdam Sloterdijk en daarna op Amsterdam Centraal.’ informeer ik de man.
‘Da’s mooi.’ zegt hij opgelucht.
Ik knik en met een vriendelijke glimlach op mijn gezicht kijk ik weer naar buiten waar het landschap met een toepasselijke sneltreinvaart aan mij voorbij gaat.
Ik voel dat de man een gesprek wilt beginnen, maar eerlijk gezegd heb ik daar even geen zin in. De vertraging, het sprintje op het station en de teleurstelling, maken me niet de vriendelijkste persoon. Op een onverwacht ogenblik en om een voor mij onduidelijke reden vraag ik toch of hij iets leuks gaat doen. Vervolgens begint de man te vertellen over een bezoek die hij aan zijn kleindochter in Utrecht heeft gebracht. Dat hij van de dag en het bezoek heeft genoten, maar dat hij Utrecht toch een vreemde stad vind. Als een rasechte Amsterdammer kan hij nooit aarden in de Domstad. Hij is liever alleen in zijn flatje in Amsterdam, dan dat hij is omringt door mensen in een andere stad.
De man zit op de figuurlijke praatstoel en vertelt me over zijn familie en de andere mensen in zijn leven. Hij weet dat ze er zijn, maar hij ziet en spreekt ze bijna nooit. De achterstand in het converseren heeft hij tijdens deze rit aardig weten te compenseren. De tijd vliegt voorbij en voordat ik het door heb, staat de trein stil op station Amsterdam Zuid, waar ik moet overstappen voor de trein naar Almere. Met een ‘goedenavond’ laat ik de man in de trein achter.

Eurovisionair

Deze week wordt het Eurovisie Songfestival voor de 61e keer georganiseerd. Gisteravond konden we beleven hoe Douwe Bob zich naar de finale zong met Slow Down. Sinds mei 1956 is het circus dat Eurovisie Songfestival heet, tegenwoordig nog grotesker geworden. Na jaren van rare, gekke en opvallende vertoningen, is het sinds 2004 dat er in een week 3 avonden zijn waarin deelnemende landen meedoen. Ook Australië is dit jaar weer van de partij. Waar het vorig jaar eenmalig mee mocht doen, doet het continent morgenavond gewoon mee in de tweede halve finale. Een reden hiervoor is niet gegeven. Dus onder het mom van the more, the merrier, doen nu niet alleen Europese landen mee.

Het circus verliest steeds minder het Europees tintje. Waar het in 1958 in 7 landen werd uitgezonden, zal dit jaar voor het eerst in de geschiedenis van het Eurovisie songfestival de grote finale in de Verenigde Staten van Amerika live uitgezonden worden. Mede dankzij dit gegeven geeft wereldster Justin Timberlake een optreden tijdens de finale op zaterdagavond (vanzelfsprekend ook ter promotie van zijn nieuwe single). Wat mij betreft mag het Eurovisie Songfestival de komende jaren alleen maar groter worden, waarbij het uiteindelijk een wereldwijd evenement wordt. Don’t slow down..!