Achtergronden

Ik ken de man al een tijdje. Ik weet niet hoe hij heet, maar ik kom hem vaak tegen. Af en toe in de trein op de heen- en terugreis tussen Almere en Amsterdam-Zuid, maar ook zie ik hem soms in het weekend in het centrum van Almere wandelen. Hij kijkt me dan glimlachend aan. Ik glimlach beleefd terug. Hij is, denk ik, ouder dan ik. Een grote man met een dikke neus in het gezicht, welke wordt geaccentueerd door een zilverkleurige bril. De man is niet lelijk. Wel een beetje opzichtig.

Fred van Leer, de -naar mijn mening- altijd aanwezige stylist, zal de man zeer waarschijnlijk omschrijven als een vitrinekast-homo: iedereen ziet dat hij in de kast zit, behalve de man zelf. En dat de kleding die de man draagt weliswaar van een duur merk is, maar er te verlept uitzien om nog iets uit te stralen. Dit omdat ze door de drager niet gewaardeerd worden. ’s Avonds stapt de man meer dan waarschijnlijk uit zijn pantalon, om deze op de slaapkamervloer te laten liggen, en deze de volgende dag weer aan te trekken.

Wanneer de man ’s ochtends in de trein zit, valt het op dat hij soms twee verschillende sokken aanheeft. Of hij is een verward persoon of hij vind het leuk om excentriek te zijn. Die mensen zijn er genoeg. Ik heb ooit dagenlang gympies in 2 verschillende kleuren gedragen. Mijn excuus is dat ik toen 15 jaar was en het was in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Een periode waarin 2 verschillende kleuren schoenen niet het meest excentrieke was dat je kon dragen.

Soms probeer ik te achterhalen wat het verhaal van de man is. Werkt hij net als ik in Amsterdam of reist hij voor de lol heen en weer met de trein? Het zal me niet verbazen wanneer het laatste het geval blijkt te zijn. Hij is volgens mij vermogend genoeg om de duurdere kleding te kopen, maar net niet rijk genoeg om een goede kledingadviseur in te huren. Ik ben niet nieuwsgierig genoeg om de man te achtervolgen waar hij woont. Of werkt.

Zo zijn er meer mensen met wie ik meereis van Almere naar Amsterdam (en andersom) die me  opvallen. Zoals de kalende man, altijd in joggingbroek, die steevast -wanneer we station Weesp passeren- zijn blikje Red Bull in een paar slokken leegdrinkt. Of die corpulente dame met dun haar en haar versleten schoenen, die iedere reis een aflevering van haar favoriete televisieserie op de tablet bekijkt. Waarom een blikje Red Bull? En welke serie bekijkt de dikke dame? Het is beslist geen comedy, want ze lacht nooit.

Een ontmoeting

Dinsdagavond. Ik loop van station Almere Centrum naar huis. Ik heb deze dinsdag het klokje rond gewerkt, van 8- tot 8 uur. Oké. Ik bedoel van kwart voor 8 ‘s-ochtends tot kwart voor 8 in de avond, als we dan toch gaan ziften. Ik vertrek een kwartiertje eerder, dat scheelt me een half uur om thuis te komen. Kortom, het is inmiddels al donker wanneer ik naar huis wandel. Op het Spoorbaanpad, een lang fiets- en voetpad net voorbij het station zie ik een man op een heuveltje van zand zitten. Een zielig hoopje. Ineengedoken, met de ellebogen rustend op zijn schoot en het hoofd treurig hangend. Ik wil in principe doorlopen en doen alsof ik niets zie, maar ineens komt de vraag ‘Is er iets?’ uit mijn mond. Ik verbaas mezelf. Hoort dit bij het ouder worden? Dat je dingen zegt voordat je besluit om ook maar iets te zeggen?

‘Och, hou maar op,’ zegt de man op de heuvel.
Ik weet niet wat me er toe drijft, maar ik loop in een rechte lijn naar de man op de heuvel.
‘Hoezo?’ vraag ik hem. De man ziet er vief, krachtig uit. Daarnaast toch ook gekrenkt.
‘Ik ben de duivel, en het is de laatste tijd niet leuk om mij te zijn.’
‘De duivel,’ itereer ik de man. ‘Als in Satan, Beëlzebub en de anti-Christ?’ Het voelt als een raar toneelstuk, waarin ik me bevind.
‘Die ben ik,’ en hij richt zijn rug.
Ik deins achteruit. Ik zie nu ook de kleine hoorntjes op zijn hoofd. Als van een jong geitje. Bijna vertederend. Maar ik blijf op mijn hoede. Het is toch een ontmoeting met een demon. Ik heb deze figuren niet eerder ontmoet, maar ik ken de huiveringwekkende verhalen. Ik heb meteen spijt dat ik het gesprek ben aangegaan.

‘Vroeger had ik er nog een beetje lol in om de psyche van argeloze mensen over te kopen. In ruil voor wat rijkdom en een beetje macht. Tegenwoordig met social media, voelt iedereen zich al machtig en rijkdom vinden ze in de vele ‘likes‘.
‘Ik denk dat jij, als duivel wel in je element moet zijn de laatste maanden. Zeker wanneer je het nieuws een beetje volgt,’ Ik ben een beetje stoutmoedig. ‘De Aarde staat in brand. Een perfecte plek waar de duivel zich thuis moet voelen!’
De duivel staat op en zijn lichaam torent zich boven mij uit. Ik schrik.
Niet dan?’ vraag ik hem met een trillende stem.
‘Nee,’ antwoord de duivel met een grom in de keel. ‘Ik heb er geen vat meer op. De verdorvenheid in deze wereld glipt me als los zand door de vingers. ‘
‘Is het zo erg?’ ik probeer het gesprek een beetje luchtig te houden. Het is tenslotte de duivel die voor me staat.
‘Wanneer de mens niet bang is voor de hel, en deze zelf creëert op deze planeet, heb ik er geen plezier meer in,’ de duivel kijkt beledigd voor zich uit. ‘Dan is voor mij de lol eraf, Dray.’

Nog voordat ik kan reageren, is de duivel weg. Ik sta alleen naast het zandheuveltje bij het Spoorbaanpad in Almere. Een schroeilucht vult mijn neus en ik kan niet bevatten wat me zojuist is overkomen. Was het een illusie? Een beleving of een dagdroom … Ik kom weer bij zinnen en loop door het zand terug naar het fietspad. Een fietser zonder fietsverlichting passeert mij. Ik kijk hem achterdochtig na. Na een paar honderd meter gelopen te hebben, wanneer ik bijna thuis ben, besef ik dat de duivel zojuist mijn naam noemde, en ik weet niet of ik daar blij mee moet zijn.

Moeder

Ik sprak mijn moeder afgelopen woensdagavond. Dat is voor mij en mijn moeder niet zo bijzonder, want ik telefoneer al jaren met haar op de woensdagavond. Eigenlijk sinds Edo en ik in augustus van 1998 naar Almere zijn verhuisd, hou ik wekelijks contact met mijn moeder over de telefoon. De eerste jaren was het standaard dat mijn vader, leuk bedoeld, het gesprek onderbrak om te vragen wie ze aan de telefoon had. Bijna iedere woensdag. Op het laatst was het niet altijd even leuk, maar sinds mijn vader in 2009 overleed, mis ik het nu wel eens.

Afgelopen woensdag sprak ik haar weer, als vanzelf. Ze had die ochtend het weblogbericht van 6 september j.l. gelezen. Ze volgt alles digitaal via haar iPad. Deze heeft ze via thuiszorg. Om praktische redenen die waarschijnlijk alleen voordeel heeft voor de thuiszorgvereniging, maar dankzij dit apparaat blijft mijn moeder ook op de hoogte van alles wat digitaal in de wereld gebeurt. Niet altijd een voordeel. Ze snapt nog niet alles. Wat ook niet hoeft, maar zo begrijpt ze niet dat op Facebook een oude kennnis van mij niet meer vindbaar is. Leg dan maar uit dat ze ontvriend is, en het waarom. Ik lieg maar dat de persoon van Facebook is gegaan (mam, als je dit leest: ik leg dit woensdag nog wel uit).

Maar ze heeft er plezier in. Ze ziet vakantiefoto’s van (achter)kleinkinderen en andere leuke berichten van kennissen en vrienden. Ze is er actief mee bezig. Zo deelt ze zelf ook -per ongeluk- foto’s en berichtjes van anderen. Waarschijnlijk heeft ze dan net iets verkeerds aangeklikt. Zo zie ik dat ze met een onbekend iemand Facebook-bevriend is geworden. Als ik dan verder klik, blijkt het een bekende van een van mijn zussen te zijn. Dat zegt iets over mij. Maar wanneer je de leeftijd van 86 jaar hebt gehaald vind ik het heel energiek dat ze nog zo digitaal in het leven staat. Alleen het reageren op berichten doet ze nog niet. Niet online. Wel aan de telefoon. Zo wilde ze afgelopen woensdagavond toch wel weten of ik die Damloop ga lopen, of niet. Ze eindigde de vraag met de woorden: Jawel toch?

Damn Loop

Het afgelopen weekend lag het papiertje, inclusief registratiechip, weer op de deurmat. Het startnummer voor de Dam tot Damloop. Voor mij een reality check, want dit betekent dat het niet al te lang  meer duurt dat ik in Amsterdam in een startvak mag gaan staan, om na het startschot 16 kilometers naar Zaandam te gaan hardlopen. Een opgave, want de laatste maanden heb ik in principe alleen maar rondjes van ongeveer 5 kilometer gelopen. Enkele blessures hielden mij, en mijn hardlooprondjes, kort. Nadat ik toch ben overgegaan tot de aankoop van hardloop-tights, loop ik nu zonder al te veel pijn en weet ik iets meer kilometers te maken. Heerlijk.

Meteen wilde ik afgelopen zondagochtend een rondje van 10 kilometer gaan hardlopen. Het begin ging lekker, maar na 3 kilometer achter me te hebben gelaten moest ik even een rustpauze inlassen. Balen. De rustpauze bestond uit een wandeling van 250 meter (ik heb het later gecheckt via afstandmeten.nl). Hierna kon ik weer verder met hardlopen. Kan ik die 16 kilometer afstand wel rennen over 2 weken? dacht ik. Ik besloot dat als ik over een week nog steeds moeite heb met hardlopen, ik mijn startnummer maar online moet aanbieden. Het hardlopen ging niet helemaal lekker, maar uit ervaring weet ik dat ik na het afleggen van 5 kilometer de pijn tijdens het hardlopen minder wordt. Dit bleek nu ook zo te zijn.

Wikken en wegen. Tijdens het rennen in tweestrijd zijn over ik wel of niet moet gaan hardlopen op 17 september. Nadenken en hardlopen. Voor mij een perfecte combinatie. In het verleden ben ik uit heel wat dilemma’s gekomen dankzij het hardlopen, en mijn antwoord kwam al snel. In de laatste kilometers van mijn hardlooprondje, langs de Hoge Vaart in Almere (een afstand van anderhalve kilometer) liep ik gelijk op met een motorboot in het water. De schipper van het vaartuig leek me in te willen halen, maar ik bleef de boot voor en als een Forest Gump liet ik iedereen achter me. Ik beweer altijd van niet, maar onbewust blijk ik toch hartstikke competitief te zijn.

Ik wilde de boot voorblijven, en dat is me gelukt. Tot ik rechtsaf het Humberpad insloeg. Ik besloot toen dat ik dit jaar wel de Dam tot Damloop ga doen. Misschien zal het gebeuren dat wanneer ik net de IJtunnel uitgelopen ben, ik een paar honderd meter moet wandelen, maar is dat nu zo erg? Ik vind van niet. Ik kijk het de komende week nog even aan. Mocht het hardlopen te pijnlijk worden, dan zal ik mijn startnummer moeten weggeven, maar zolang ik niets forceer en niet al te gek ga doen, moet het allemaal heel raar lopen dat ik niet mee kan doen aan de Dam tot Damloop van 2017.

img_4904

Hondje

Toen we laatst, Edo en ik, terugkwamen van een avondje uiteten bij de Griek zagen we aan de overkant van ons huis, aan de rand van het grote grasveld voor ons huis, een hondje aan een boom vastgebonden zitten. Mijn liefde voor dieren, of de hoeveelheid glazen wijn die ik deze avond tot me had genomen, liet zich gelden en ik stapte resoluut naar het beestje om het te bevrijden. Wederom verbaasde ik me over de slechtheid van de mens van vandaag de dag.

Het dagelijks nieuws volg ik niet meer, want wanneer je even op de hoogte wilt blijven van wat er mondiaal aan de hand is, wordt je -boem!- geconfronteerd. Teleurstellende en veroordelende tweets van de Amerikaanse president en uitspraken van andere machthebbers. Of de idiote vergeldingsdrang van aanstellerige losers die geen bommen kunnen laten afgaan en daarom dan toch maar aanzien denken te verkrijgen door op andere mensen in te rijden. Kansloze droeftoeters zijn het. Allemaal.

Maar mijn teleurstelling in de mens viel me verrassend mee op het moment toen ik dichtbij het hondje aankwam. Het arme beestje bleek helemaal niet vastgebonden te zijn. Het zat alleen maar een beetje rillerig en depressief om zich heen te kijken. Alsof het ook teleurgesteld was om alles in zijn korte hondenleventje. Misschien had het beestje wel een carrière als blindengeleidehond voor ogen, maar bleek het een verkeerde afkomst te hebben. Van het verkeerde ras. Hartstikke ongeschikt om immobiele mensen te begeleiden.

Daar zat het dier dan met zijn toekomstdroom. Niets van dit alles. Alleen een loopbaan als schoothondje lag hem in het verschiet. Een toekomstperspectief dat het dier niet zag zitten. Totaal geen uitdaging. Dan wil je de hondenkop wel even laten hangen. Honden blijken dus ook hondsmoe te kunnen zijn. Hartstikke teleurgesteld. Je weet het natuurlijk niet echt, want je kan het zo een zielig, rillerig en depressief beestje ook niet vragen. Ja, je kan het wel vragen, maar het dier zal je toch echt geen antwoord kunnen geven.

Edo opperde het idee om met het beestje langs de deuren te gaan. Hij had het hondje al bij de halsband vast. Ik kon alleen maar bedenken dat de mensen in mijn buurt hier totaal niet op zitten te wachten: Twee mannen met een hondje onder de armen die ‘s-avonds laat nog voor de deur staan. Geen weldenkend mens die op een laat tijdstip nog de deur opent. Nee, ik heb begrepen dat het tegenwoordig hot is om foto’s van gevonden voorwerpen als bankpasjes, bibliotheekkaarten en sleutelbossen op sociale media te plaatsen. Dat vind men leuk. Dat is kicken.

Dat is net zo leuk als de met smartphone geschoten foto’s waar iedereen tegenwoordig haarscherp op staat afgebeeld. Van die mensen die zogenaamd verdacht doen. We zijn achterdochtig en vertrouwen het niet, en maken een foto van die verdachte personen. Om het dan te kunnen delen op Facebook met een onderschrift waarin een handeling wordt verzonnen. Het doel om de foto zo veel mogelijk te delen. Om die ‘klootzakken’ op de foto voor eens en altijd een les te leren. Ik vind het eng, dit soort acties. Het klinkt als een moderne heksenjacht. De overtuigende veroordeling over onschuldige mensen.

Edo hoefde ik overigens niet te overtuigen om toch niet langs de deuren te gaan, want het rillende hondje vond dat namelijk ook geen goed idee. Op een gegeven moment draaide het even fanatiek raar met het koppie, waardoor het uit zijn halsband bevrijd werd. Het beest nam rap de benen, om niet meer terug te keren. Daar stonden we dan met onze goede bedoelingen, en Edo met een hondenhalsband in zijn hand. Iets waar we totaal niets mee kunnen, omdat we het niet bij onze eigen katten om kunnen doen. Naast mensen kunnen ook honden teleurstellen.

Herfst

Corine zit bij de kapper. Haar haar is net door haar favoriete kapster Christel, met verf aangepapt en in de aluminiumfolie gewikkeld. Ze is toe aan een herfstig kleurtje in haar lokken. De mussen buiten laten zich deze middag figuurlijk van het dag vallen, maar Corine wil al jaren in de laatste week van augustus een andere haarkleur. Zo weet ze voor haarzelf dat de zomer voorbij is en dat de herfst er aan kan komen. Het ontdekken van de zakken pepernoten en de chocoladeletters in de schappen van de supermarkt staat gelijk aan het veranderen van haar haarkleur. ‘Bye, bye blondje en welkom terug rode Corine,’ knipoogt ze naar kapster Christel.

Kapster Christel is druk met haar handen en met haar mond kwebbelt ze lekker door tijdens het kappen van Corines haar.
‘Hoe lang zet je deze traditie nu al zo voort? Dat kleuren van je haar in de laatste week van augustus? Volgens mij had je deze traditie al voordat ik hier kwam werken, en dat is toch al zo’n 15 jaar geleden,’ ze neemt snel een slok uit haar koffiemok. ‘Gets, het is al lauw geworden,’ en Christel plaatst de koffiemok weer terug op het planchet onder de spiegel,  om het deze middag te vergeten.
‘Nou, toch wel al een hele tijd hoor Christel.’
‘Wanneer heb je je haar ooit voor het eerst laten kleuren?’
‘Dat moet in de jaren 80 geweest zijn. Kleuren en touperen. Vooral dat laatste. Hoe hoger het haar, hoe beter.’
‘Oh meis, hou op. Ik weet er alles van! Hoog haar, honderd kleurrijke sieraden en schoudervullingen. Die schoudervullingen! Met het juiste jasje aan kon ik een compleet ontbijt met alleen mijn schouders opdienen!’

Oh, de eighties! Ik wou dat ik ze mee had kunnen maken,’ roept de stagiaire Demi enthousiast. Ze heeft even niets heeft te doen. De telefoon is stil en alle haarlokken zijn van de vloer weggeveegd.
‘Hoezo?’ vraagt kapster Christel.
‘Ongeacht hoe belachelijk je er uitzag, was het leven allemaal zo veel simpeler. Naast goede muziek had je geen mobieltjes en geen internet. Je kon jezelf zijn, zonder zorgen te maken of iemand je blunder online plaatste.’
‘Ja, dat is waar,’ geeft Corine toe. ‘De jaren 80 hadden toen alleen maar voordelen.’
‘Nou, niet echt alleen maar,’ reageert stagiaire Demi. ‘Als je de eighties bewust hebt meegemaakt moet je nu kapot oud zijn.’
‘In de herfst van je leven,’ zucht Christel en kijkt weemoedig naar Corine.

Wijn en wheelies

Gisteren ontving ik een berichtje op mijn telefoon. ‘Ben er met een half uur.’ Er moest een boek opgehaald worden. Een zeer lichte vorm van paniek nam bezit van me. Ik had niets in huis. Niets om een goede gastheer te kunnen zijn. Ik wist niet of de persoon op de bank ging blijven hangen. Gelukkig woon ik in een stad als Almere waar de 24 uurseconomie algemeen is. Dus snel op de fiets naar de supermarkt om daar een paar flessen te halen. Rode wijn en rosé. Niet dat de persoon die haar bezoek per whatsapp aankondigde een alcoholistisch orgel is, maar ik wil niet bekend staan als de zuinige Nederlander. Wijn moet geschonken en gedronken worden. Het moet vloeien. Niet druppelsgewijs zuinig worden uitgeschonken.

Het berichtje ontving ik rond 8 uur en de supermarkt die ik gebruikelijk bezoek is tot 10 uur ‘s-avonds open. Enige haast was niet geboden, behalve dat ik wel binnen een half uur met alcohol in de rugtas weer thuis moest zijn. Op de fiets, onderweg naar de supermarkt, mocht ik me nog heel even verbazen over een volwassen man van het formaat Hagrid (een bekende reus, uit de Harry Potter-boeken), die het een uitdaging vond om constant op zijn fiets een wheelie te rijden. Een volwassen man die zijn stuur omhoog trekt en zo balancerend, alleen op het achterwiel doorrijdt. Je moet het maar kunnen. Ik kan het niet eens leuk vinden. Maar die man wel, en hij was nog goed ook. Tientalle meters reed hij op zijn achterwiel weg.

In de supermarkt waren de gewenste artikelen als snel gevonden en in het mandje gelegd. In no time stond ik bij de kassa de flessen wijn en een homp kaas af te rekenen. Ik vond het er verbazingwekkend rustig. Vaak zijn er mensen die op de meest onlogische tijden de weekboodschappen moeten inslaan. Zoals op een zondagochtend of op de maandagavond. Laat ze doen wat ze willen, als ik maar binnen een half uur een paar flessen wijn in huis heb. En ik was op tijd thuis. Met wijn. Het aangekondigd bezoek stond op afgesproken tijds voor de deur. Ik zag al aan haar lichaamstaal dat ze haast had, maar als een beleefde heer -zoals ik mezelf graag zie, vroeg ik haar toch binnen.

‘Het spijt me,’ excuseerde ze. ‘Ik heb echt geen tijd.’
‘Geeft niets,’ loog ik en trok daarbij mijn schouders op.
‘Een volgende keer blijf ik langer,’ werd me beloofd. ‘Echt,’ werd er benadrukt.
‘Dan zorg ik dat ik wat lekkers in huis heb.’
‘Gezellig!’
Ze draaide zich om, en met het boek in de hand stapte ze weer in de auto. Even zwaaien, en ze vertrok
Terug binnen liep ik naar de keuken en trok een fles rode wijn open.

Vakantiedagboek

Vrijdag, 18 maart 2005.

Vanmorgen ging de wekker om 04:50 uur. Ik wilde nog 10 minuten snoozen, maar Parijs gaf me net genoeg adrenaline om me uit het bed te laten springen. Vandaag zal ik voor het eerst de Franse hoofdstad bezoeken! Ik kon vanmorgen rustig aan doen. Alles stond al klaar (de avond ervoor al geregeld), dus heel relaxt liepen Edo en ik even voor 06:00 uur naar station Almere Centrum, om met de trein van 06:11 uur naar Amsterdam Centraal te rijden. Hier aangekomen konden we dan eindelijk overstappen naar de Thalys om richting Parijs af te reizen.

Hierboven een fragmentje uit een vakantiedagboek dat ik van het weekend terugvond. Je komt nog eens wat tegen bij het leegruimen van oude kastjes. In het dagboekje staat, zoals hierboven ingeleid, onze eerste stedentrip naar Parijs. Maar ook andere vakanties. Zoals de 3 weken durende roadtrip in 2001 door het zuiden van Frankrijk, waarin we liters heilig water in Lourdes hebben gedronken en geheime plekken van kruisridders hebben bezocht. Het is leuk om het weer terug te lezen. Vooral hoe je ruim 15 jaar geleden tegen de dingen aankeek. Of hoe netjes ik nog kon schrijven. Sinds we steeds vaker toetsenborden gebruiken, heb ik het schrijven een beetje verleert en lijkt een doktershandschrift op kalligrafie-kunst in vergelijking met mijn huidig handschrift.

Ik ben inmiddels begonnen om het vakantiedagboek digitaal te vertalen en online te zetten. Hierbij met toevoegingen van foto’s en andere plaatjes, die in het vakantieboekje zijn geplakt. Tegenwoordig is alles met een mobieltje te scannen (dat kon 16 jaar geleden nog niet met mijn Nokia 6210) en zo weer over te zetten naar dit weblog. Zo kan ik onze vakantie naar Nice (wederom Frankrijk) met de gehele schoonfamilie online zetten en de strandvakantie naar de Canarische Eilanden. Wanneer ik een ander vakantiedagboek (het vervolg op dit gevonden exemplaar) heb gevonden, zal ik ook deze digitaal vertalen. Maar dat is iets voor de lange, donkere avonden, over een paar maanden. Tegen die tijd plaats ik hier een link. Dan kan je onze vakanties -als je het wilt, meebeleven.

 

Zaterdagochtend

Zaterdagochtend, kwart over 6. Ik draai me om in bed, maar mijn blaas verplicht me tot opstaan. Slaapdronken strompel ik naar de badkamer. Iedere stap doet pijn. De 6 kilometers aan hardlopen straffen mijn lichaam af in de enkels, of misschien is het gewoon de leeftijd? Dat je zo oud wordt om te leren dat je lichaam langzaamaan aftakelt. De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden, en is het een combinatie van beiden. Hardlopen en van gemiddelde leeftijd. Mijn blaas is leeg en ik loop weer naar de slaapkamer. Het was een kwestie van op gang komen. Ieder stap doet steeds minder pijn en zonder pijnlijke enkels stap ik weer in bed om nog even weg te dromen.

Om kwart over 9 schrik ik wakker. De deurbel. What the fuck?, denk ik. Maar meteen weet ik dat het de bezorger is. Edo heeft van de week een crosstrainer besteld en deze zou vandaag bezorgd worden. Lekker op tijd, dat wel. Ik spring (niet gracieus) in een korte broek en loop snel naar beneden. Mijn enkels doen toch aardig mee, dus ik hoef niet als een senior van de trap te sjokken. Ik open de deur en de bezorger staat met een grote kartonnen doos bij de voordeur. Er wordt getekend voor ontvangst en we zijn een crosstrainer rijker. Met zijn tweetjes tillen we de doos naar boven, waar Edo het in elkaar mag zitten. Een jarenlange relatie heeft geleerd dat apparaten als deze niet samen in elkaar gezet gaan worden.

Ik zet koffie en parkeer mijn kont op de bank. Op mijn mobiel check ik wat social media. Ik lees het verdriet van Roos Schlikker en verder nog wat columns. Eén van een vriend over roze vakanties en de wekelijkse column van Youp. Ik vraag me af waarom er vaak in columns mensen of dingen, grappig bedoeld, afgezeken moeten worden? Sinds de jury van Idols bestaat is het doodnormaal om iemand te verguizen. Wat weer resulteert in mensen die beledigd zijn. Youp heeft het over ‘die getatoeëerde beroepspuber en de Nijmeegse krottenmelker’. Nu kan ik op mijn beurt een wijze opmerking hierover maken, maar kunnen we het over leuke dingen hebben? Misschien moet ik nog goed wakker worden, maar er is al genoeg ellende in de wereld. Doe eens aardig.

Inmiddels is het half elf en op Twitter meld ik mijn volgers dat ik iets ga doen. Ik ga douchen om daarna een paar regels op mijn laptop in te tikken, welke ik om 12 uur wil plaatsen. Net wanneer ik denk klaar te zijn, gaat de deurbel weer. Ik doe open en een stoere knul van Post.nl staat met een doosje in zijn handen in de voortuin. De door mij bestelde hardloopbroek wordt me overhandigd. Misschien dat ik vandaag een rondje ga hardlopen. Maar dat zie ik de zaterdagmiddag wel.

A Family Affair

Na een weekje vrij te zijn geweest vind ik het altijd spannend om te weten wat je na een (korte) vakantie mag verwachten. Gelukkig viel het me maandagochtend allemaal mee. Mijn collega’s hebben mijn werkzaamheden goed overgenomen, waardoor ik deze week het werk dat ik ruim een week geleden had neergelegd, weer makkelijk kon oppakken. Ik kon weer gewoon aan de slag. Wel was het druk aan werkzaamheden. Ik hoefde me niet te vervelen. In de ochtend werd me gevraagd of ik een nieuwe collega wilde inwerken, in de zin van het uitleggen waar mijn werkgever voor staat en de verdere in & outs van het bedrijf. Dat wilde ik wel. Ik had de tijd, en ik vind het altijd leuk om nieuwe mensen enthousiast te maken.

Na de lunch kwam mijn nieuwe collega, Esther, naast me zitten en begon ik met behulp van het -fantastische- softwarepakket die het bedrijf waarvoor ik werk zelf heeft ontwikkeld, aan mijn uitleg c.q. kleine presentatie. Omdat ze andere werkzaamheden gaat doen dan ikzelf, hoefde ik niet inhoudelijk op mijn eigen bezigheden in te gaan. Naast de zakelijke gesprekken, heb je het natuurlijk ook over de bekende koetjes en kalfjes. Waar kom je vandaan? Kom je op eigen gelegenheid of met openbaar vervoer. Standaard meld ik dat ik met de trein en metro naar het werk kom, omdat de verbinding vanuit Almere prima is. Collega Esther komt dagelijks uit het Gooi en neemt de auto. Hierdoor moet ze wel heel vroeg op pad, anders zit ze haar kostbare tijd op de snelweg te verdoen.

En zo kom je langzaamaan op andere onderwerpen. Oorspronkelijk komt Esther uit het Noorden van het land. Daar sta je alleen stil met je auto wanneer er een brug openstaat. In gedachten kan ik het alleen maar bevestigen. Dat weet ik nog van vroeger wanneer we iedere schoolvakantie in de bus naar Friesland zaten. De langdurige busritten van en naar Sneek werden vaak verlengd door het stilstaan voor een brug. Dan was het vooral bij de sluizen van de Afsluitdijk vaak raak. Ik kan me de warme, lange zomers in Friesland goed herinneren. Als ik dan weer aan mijn huidige woon-werksituatie denk, ben ik blij met mijn treinverbinding. Per uur gaat er 4 keer een trein van Almere naar Amsterdam-Zuid. En vice versa. Heerlijk.

Collega Esther heeft het over Friesland. Ze komt er vandaan en kan, wanneer ze het wilt, ook Frysk praten. Ik zeg dat ik het alleen kan verstaan (in grote delen, dan) en vertel dat mijn familie ook uit Friesland komt. Grappig detail is dat zij dus oorspronkelijk uit Sneek komt. Nou, vrolijkheid alom en andere collega’s kijken een beetje curieus naar ons beiden. Wanneer ze me vertelt dat ze eigenlijk uit een klein gehucht vlakbij Sneek komt, herken ik de naam van het dorp en zeg: ‘Daar heb ik óók familie wonen.’ Het is zo dat mijn neef Tjeerd daar al jaren woont. Collega Esther vraagt me wie mijn familie is, want het dorp is niet groot. Ze moet mijn familie wel kennen. Wanneer ik de naam van mijn neef noem worden haar ogen als schoteltjes zo groot en zegt ze: ‘Dat is mijn vader!’

Achteraf herkende ik mijn achternicht Esther ook wel. Enigszins. Ik heb haar eerder op foto’s gezien op het facebookaccount van haar moeder, maar op het werk leg je die link niet zo snel. Daarbij is het contact met mijn familie in Friesland sinds de jaren 80 van de vorige eeuw niet meer zo regelmatig. Tegenwoordig zijn er niet meer zo veel bruiloften (of begrafenissen), waar je de familieleden nog tegenkomt. Maar wie weet? Wellicht komt daar nu verandering in.

Goede Buren

De buurman stond donderdagavond aan de deur. Ik deed zelf niet open, want ik lag in bad. Een moment van ontsnapping aan de dagelijkse routine. Alleen afgezonderd in het warme water tot jezelf komen. Geen televisie, radio of mobieltje. Wanneer het bad volloopt en de geur van lavendel de badkamer vult, maak ik voor mezelf de keuze: een boek mee of niets anders dan alleen mijn gedachten. Het is voor mij een ultiem meditatiemoment. Donderdagavond koos ik voor een boek. Deel 1 uit de Harry Potter-reeks. Als je dan toch zo nodig van alle realiteit moet ontsnappen …

Edo was beneden en deed de voordeur open. De buurman van een paar huizen verderop stond er met een pak kattenvoer in de handen. ‘Is je kat dood?’ kwam het er bot bij Edo uit. Gelukkig is deze buurman niet de persoon voor over-emotioneel gedrag, en kon hij deze directe vraag zonder tranen beantwoorden. Inderdaad, zijn kat was overleden. Het oude diertje was op. Een klagende Siamees, die vaak jammerend en flanerend in onze achtertuin kwam. Het was een aanwezig beest. Niet alleen door de opvallend helblauwe ogen, maar door het aanhoudende gemekker. Wanneer ik soms te dicht in de buurt van de buurkat kwam leek het vaak 12 uur op de eerste maandag van de maand te zijn.

Dit was deze week al de tweede keer dat er een nabuur aan de voordeur stond. Eerder deze week -toen Edo op zijn beurt in bad zat, belde de Chinese buurvrouw van nummer 57 aan. Ik zat op de bank te Netflixen en schrok op van de deurbel. Het ding rinkelt enorm luid, je verschiet zelfs wanneer je zelf aanbelt. Dus enigszins knorrig van de schrik liep ik naar de voordeur. ‘Wie belt er ‘s-avonds nog aan?’ vroeg ik binnensmonds aan niemand in het bijzonder. Ik deed open en zag eerst niemand staan. Onze Chinese buurvrouw is een kleine mevrouw en daarom zag ik haar eerst niet staan. Vrolijk, zoals ze altijd is, begroette ze me. ‘Goedenavond buu’man! Ik heb boontjes. Wilt u dat hebben?’ In beiden handen hield ze een portie sperzieboontjes op.

Nu is mij geleerd dat je een gegeven paard niet in de mond moet kijken, en wanneer je iets aangeboden krijgt, éérst instemt. Voor je het weet heb je een zekere reputatie en wordt je nooit meer iets aangeboden. Dus eerst ja zeggen. Later kan je het alsnog weggooien. Overigens heb ik dat niet met de aangeboden boontjes gedaan. Ik heb ze zeer vriendelijk in ontvangst genomen. De buurvrouw teelt haar groenten in de voortuin en hierdoor weet ik dat alle groenten die uit haar voortuin komt, 100% biologisch zijn. Na een kort praatje ben ik met een portie bonen weer naar binnengegaan. Heel toepasselijk hebben we gisteren een recept voor Chinese boontjes gebruikt. Genieten. Zo zie je maar weer: een goede buur is beter dan een verre vriend.

De Pisang

Afgelopen weekend was het Amsterdam Pride. Voorheen Gay Pride. Dit, volgens mij, omdat thans iedereen beledigd lijkt te zijn wanneer men denkt buitengesloten, of juist meegenomen wordt in een uitspraak, benoeming of mededeling. Vermoeiend. Het kan natuurlijk ook zijn dat de organisatie een breder publiek voor zich wil trekken. Ik vind het prima. Dit jaar was ik er niet bij. Volgend jaar wel. Mijn afwezigheid vergoelijkte ik met het slappe excuus dat ik dit jaar in april bij de demonstratie tegen de erbarmelijke toestanden in Tsjetsjenië aanwezig was. Smoesjes.

    Een smoes. Onwaar. Het draaien om een feit. Zo hield ik me vroeger voor dat homoseksualiteit niets voor mij was. Jawel. Ik was er 100% van overtuigd dat het een fase van mij was. Vooral na een bezoek aan een COC-avondje in Den Helder. Ik voelde mij daar totaal niet op mijn plaats. Als nieuweling kreeg ik naar mijn mening iets te veel aandacht en anderen gaven mij hierdoor een onwelkom gevoel. Ik vond deze avond vooral truttig. Het kan ermee te maken hebben dat het gezellig samenzijn in een basisschool werd gehouden, waardoor de avond veel van een klassenavond weg had. Mijn verwachtingen waren destijds niet reëel, denk ik.

    Van die avond kan ik me wel een oudere man herinneren. Een man die toen misschien wel jonger was dan ik nu ben. Hij hield een dialoog met zichzelf. Hij zat er niet alleen in hoekje, hij was het middelpunt tussen andere verzamelde jonge gasten. Hij hield een betoog waarbij een weerwoord niet wenselijk was. Hij hanteerde de bananen-theorie. Op afstand, tussen 2 nieuwe homovrienden in, heb ik deze theorie aangehoord. Zijn hypothese was dat mannen zijn te vergelijken met bananen. Wanneer bananen onrijp zijn, zijn ze groen en niet smakelijk. Flauw, zonder enig genot. Het enige voordeel, zo beweerde hij, was dat groene bananen zeer stevig waren.

    Volgens de man en zijn theorie waren de rijpe bananen wel smakelijk. Deze exemplaren waren niet te hard, niet te zacht en vooral zoet van smaak. Het was me duidelijk dat hij een avondje in bed met hem aan de groene banaantjes aan het verkopen was. Ik, als jonge twintiger was overtuigd dat deze man meer iets van een overrijpe banaan had: Papperig, vlekkerig en onwelriekend. De sfeer was bepaald en nadat de hit Daar Gaat Ze die avond voor een 4e keer werd afgespeeld, ben ik vertrokken. Teleurgesteld reed ik op mijn fiets naar huis. Lichtelijk onzeker, ondanks ik allang wist hoe ik in elkaar zat. Ik was gewoon niet eerlijk naar mezelf. Ongeacht het zwaar ontkennen was ik gewoon de pisang.

Kersensmaak

‘Weet je wat ik écht lekker vind?’ hoorde ik in de trein een meisje tegen een jongen zeggen. Zonder te wachten gaf ze zelf het antwoord al. ‘Alles met kersensmaak. Thee, snoep, cola. Alles.’
‘Kersensmaak! Werkelijk?’ reageerde de jongen met wie ze op reis was.
‘Ja, kersensmaak heerlijk. Ik vind kersensmaak eigenlijk nog lekkerder dan kersen zelf.’
‘Nou, ik moet je iets bekennen,’ de jongen klonk enthousiast. ‘Ik ben ook dol op kersensmaak. En wat je zegt, de kunstmatige kersensmaak ik echt veel lekkerder dan de kersen zelf.’
‘Ja, echt? Hoe grappig is dit?’
‘Kapót grappig,’ zuchtte de jongen.
Ze keken elkaar tevreden, breedlachend, aan, en daar bleef het een beetje bij. Beiden vonden kersensmaak lekker. Ze hadden hierdoor een verbintenis.
Het meisje zette haar rugtas op haar schoot en graaide er met een arm doorheen. Ze haalde een zak met winegums tevoorschijn.
‘Wil je ook?’ vroeg ze en keek hem daarbij heel doordringend aan.
‘Is het kersensmaak?’ vroeg de jongen.
‘Nee, het zijn gewone winegums.’
‘Nah, dan hoef ik niet.’
‘Er zijn geen winegums met kersensmaak, denk ik.’
‘Het zou kunnen,’ zei de jongen terug. Het was op een manier dat weet dat hij zijn schouders erbij ophaalde.
Even was het stil in de trein.
‘Toch wel grappig dat we beiden dol op kersensmaak zijn,’ zei ze hoopvol.
‘Inderdaad.’
‘Heb je meer dingen waar je dol op bent?’
‘Wat betreft smaak?’
‘Ja.’
‘Nee, niet echt.’
‘Ik ben verder dol op kauwgum met watermeloensmaak.’
‘Oh, dat lijkt me echt goor,’ zei de jongen ongeïnteresseerd.
‘Och, valt wel mee hoor,’ verdedigde het meisje. Ze wilde nog iets zeggen, maar ze hield haar mond.
Het was weer stil in de trein.
Ik was benieuwd naar de relatie van deze liefhebbers van de kersensmaak. Waren ze studiegenoten? Collega’s van het werk? Buren? Of was hij de trainer van het hockeyteam waar zij iedere week ging hockeyen? Ik vond haar wel het type meisje dat met een hockeystick over het veld rende, maaiend naar een bal. Misschien zaten ze nog in het prille begin van een relatie. Verkering. Wanneer de verliefden nog overeenkomsten moeten ontdekken. Wel, kersensmaak was er een begin van.
‘Grappig hoor,’ zei ze uiteindelijk.
‘Wat?’ vroeg hij.
‘Dat we allebei van kersensmaak houden,’ antwoordde ze.
‘Dat had je al gezegd,’ zei hij lomp.
En het bleef stil in de trein.

Zoete lucht – I

Het is gisteren een week geleden dat ik in de vroege ochtend voor een laatste keer ben gaan hardlopen. Nadien heb ik nog wel hardgelopen, maar niet op een creatieve manier. Ik wilde vorige week op tijd de deur uit, want er was die dag mooi weer voorspeld. Met al hoge temperaturen in de ochtend. Om me zelf niet te veel te kwellen had ik me voorgenomen om voor negen uur te vertrekken. Dan was ik na anderhalf uur weer thuis en hoefde ik ook niet moeilijk te doen met flesjes water voor onderweg. Rond kwart voor negen trok ik de deur achter me dicht om een rondje van 12 kilometer om de Noorderplassen, ten noorden van Almere-Stad, te lopen.

Na een kwartier wist mijn hardloop-app te melden dat ik 3 kilometer achter me had gelaten, en rende ik de woonwijk uit. Ik ging in een lekker tempo via de Von Draisweg richting de Trekvogelweg. Deze weg is ingesloten tussen water, met aan de westzijde de Noorderplassen en aan de oostelijke kant de Hoge Vaart. Een kudde van ongeveer 30 schapen stonden aan de zijkant achter schrikdraad te grazen. Een paar wollen exemplaren keken even op, maar waren niet onder de indruk. In de verte liep een andere hardloper me tegemoet en na een paar minuten bij het passeren begroetten we elkaar, als motorrijders. Met een opgestoken hand.

Met een glimlach op mijn gezicht liep ik richting het noorden, met muziek van Armin van Buuren in mijn oordopjes. Op deze muziek kon ik met gemak een halve marathon lopen, maar dat stond niet in de planning, want daar had ik deze ochtend geen tijd voor. Op een gegeven moment werd ik in mijn trance gestoord door een enorme knal. Ik voelde de druk van een enorme explosie door mijn hele lijf. Ik bleef verschrikt stilstaan. Min oren piepten aanhouden. Ik keek om me heen wat de oorzaak van deze knal moest zijn geweest. Voor mij leek het alsof er ergens een gebouw op een nabijgelegen industrieterrein was ontploft.

Vanachter de drie appartementenflats bij restaurant ‘The Boathouse‘, ten westen van mij zag ik een enorme hoge grote rookpluim ontstaan. Er moest iets ten hoogte van Amsterdam zijn gebeurd, tenminste dat dacht ik. Helaas ben ik niet zo goed in het inschatten van afstanden en mijn gevoel voor topografie is ook niet om naar huis te schrijven. Wel kleurde de lucht boven, waarvan ik dacht dat het Amsterdam was, een vreemde lila en oranje kleur. De hemel leek kunstmatig door een computers te zijn ingekleurd. De gekleurde lucht breidde zich uit, ook richting Almere. Als er een zoet gekleurde deken over ons heen trok.

Mijn lichaam herstelde zich enigszins van de enorme knal en ik besloot weer verder te rennen. Het klinkt nu idioot dat je na zo een grote knal gewoon doorgaat met het leven, maar het is net als bij iedere andere grote explosie of ramp. De impact komt later pas. Wanneer je de verhalen hoort en de beelden op televisie ziet. Daarbij ben ik net zo egoïstisch als ieder ander mens. Je gaat door met de persoonlijke dagelijkse dingen en hardlopen was wat ik op dat moment deed.

Ik rende verder, voorbij de trailerhelling en over de Schateilandbrug. De Trekvogelweg heet na die brug het Trekvogelpad. De reden hiervoor is me onbekend, maar het heeft vast iets te maken met die beroerde bestrating daar. Mijn hardloop-app gaf me door dat ik weer een kilometer verder was. Dat mijn gemiddelde snelheid iets van 5.45 minuten per kilometer was. Niet verwonderlijk, de laatste kilometer had ik stilgestaan. Een groepje jongens speelden bij een aanlegsteiger in het water. Ze riepen iets naar mij, maar Armin van Buuren overstemde het geschreeuw van deze jongens en het had zo kunnen zijn dat ze gewoon schreeuwden bij het spelen. Ik had ook geen zin om naar een paar kids te luisteren. Ik rende in mijn eigen tempo door. Hierdoor zag ik niet dat ze in paniek naar de lucht wezen.

Wordt binnenkort vervolgd..

Boos

Het is nu een paar maanden geleden dat ik met de metro in de omgeving van Rotterdam onderweg ben. Die middag schijnt de zon fel. Alsof die oude ster zich even wilt laten gelden, en dat lukt prima. Dat blijkt wanneer de drie gekoppelde rijtuigen op rij na het metrostation Kralingse Zoom weer bovengronds rijden. Met de zonnebril op mijn gezicht zit ik stilletjes te genieten van de warmte die de zon ons brengt. Bij een volgende station loopt er een scholiere van het type lomp en onbehouwen de metro in. Ik beweer niet breedgeschouderd te zijn, maar toch weet dit lompe wicht mij met een stoot tegen mijn schouders te passeren. Ik denk eerst: een overvolle schooltas. Zo’n hippe rugtas waar de gehele collectie van een kleine dorpsbibliotheek in past. Maar nee, het schoolgaand meisje blijkt heel gewoon enorm corpulent te zijn.

Ze neemt plaats, op enige meters afstand, schuin tegenover mij. Boos kijkt ze de metro in. Het kan niet anders dat haar ouders bang zijn wanneer ze met zo’n gezicht thuiskomt. Vanachter mijn donkere brillenglazen bekijk ik het monsterachtige mensenexemplaar. Hierop ervaar ik een gevoel van afkeer. De vormloze, paarse broek van versleten joggingstof moet maandenlang alleen maar over haar kont en een stoel hebben gehangen. Haar afgedragen sweater ziet er niet beter uit. Het blauw-wit gestreepte exemplaar lijkt uit een hondenmand te zijn geplukt, en het valt spontaan in gaten uit elkaar. Even denk ik dat ze me doorheeft. Dat ik haar observeer. Maar de ontevreden en chagrijnig blik in de ogen kijkt naar haar mobiel. Snel gaan de dikke vingers over het beeldschermpje. Ze houdt de telefoon tegen haar oor, om na een moment met blèrende stem de stilte in het rijtuig te verdrijven.

‘Ik ben boos! Ik ben zó boos!’ Ze luistert heel even of ze een respons krijgt. ‘Op de klas,’ balkt ze in haar mobiel. ‘Echt mega-boos!’
Een oudere vrouw die achter de scholier zit, herbeleeft vol afschuw de Tweede Wereldoorlog. Het was ruim 70 jaar geleden dat ze voor het laatst het luchtalarm in Rotterdam heeft gehoord.
‘Ik was de enige van de klas die stond te wachten bij gymles!’ loeit ze. ‘De hele klas zit in een groepschat en iedereen was op de hoogte van dat de gymles uitviel. En wie stond er als enige voor niks te wachten? Juist ja, ik! Ik ben er helemaal klaar mee,’ schreeuwt ze naar iedereen die het kan horen, en dat zijn alle inzittenden in het rijtuig.

In het fel aanwezig zijn verliest de zon het van de Rotterdamse Bessie Turf en schuilt beschaamd achter een breed wolkendek. In de metro wordt het donker. Toch houd ik mijn zonnebril op. Ik kan me ogen niet van de grote bek en haar zwaarlijvige verschijning houden. Ook iets afschuwelijks fascineert de mens blijkbaar. Het gesprek gaat door. Over dat een klasgenoot haar naar het metrostation heeft gebracht. Teleurgesteld geeft ze toe dat dit wel een aardig gebaar is. Dit laat de boosheid echter niet verdwijnen. Het aanhoudend geklaag verkrijgt een ritme. Een vervelend ritme. De verlossende omroepstem uit de speakers deelt mee dat ik mijn eindbestemming heb bereikt. Ik krijg de opdracht aan de rechterkant uit te stappen. Wanneer ik op het perron sta zoek ik de uitgang en volg ik meegaand de andere reizigers naar de uitgang, de trappen af. Wanneer ik me bij de poortjes uitcheck en naar buiten loop, gaat de zon weer schijnen. Heel scherp.