Mies Bouwman

Het viel me van de week al op. Wanneer ik ‘s-ochtends-vroeg vanuit huis naar het station loop, kwetteren de zangvogeltjes in de bomen er weer vrolijk op los. Een geluid dat voor mij gelijkstaat aan het voorjaar. Ik weet het: een blik op de kalender leert me dat we nog in de eerste helft van de winter zitten, maar toch. Ook wanneer ik ‘s-middags vanuit het werk weer terug naar huis is het nog licht. Het voorjaar komt er aan, en dat maakt me vrolijk.

Gisteravond dacht ik er aan om een flink stuk te gaan hardlopen. Na maanden van korte afstanden, wilde ik wel weer eens die 10 kilometer aantikken. Na het wakker worden had ik al vlot mijn hardloopoutfit aan, ik hoefde alleen nog in mijn hardloopschoenen te stappen tot er energiek op het raam werd getikt. Er stond iemand in de voortuin. Ik weet niet wat het is, maar ik woon op een uniek stukje Almere. De coördinaten waarop ik woon zijn heel populair bij de bevolking. Zeer geliefd om te bezoeken. Ook wanneer een Kazachstaans hoertje haar klanten níet op ons adres uitnodigt.

Het leek er op dat Mies Bouwman met haar ring tegen het keukenraam had staan tikken. De vrouw in de voortuin had een strak geföhnde kapsel dat iets te donker was geverfd voor een dame van haar leeftijd. De mevrouw gaf warrig aan dat ze op zoek was naar de Haagbeukweg in Almere. Een straat die overigens niet in onze wijk ligt. Haar plan was om een wandelroute te volgen, en die begon op de Haagbeukweg. Een goed begin: de weg al kwijt voordat je begonnen bent.

Ik dacht eerst de ze naar haar bestemming moest lopen. Een makkie om uit te leggen: langs het spoor een kilometer verder wandelen tot je de Albert Heijn ziet, want daar is de Haagbeukweg. Maar ik zag dat ze haar auto op onze oprit had geparkeerd. Ook van die dingen die je maar accepteert, want anders kan je om alles boos worden. Met mijn oranje hardloopschoenen in de hand, legde ik uit dat ze de straat uit moest rijden, bij de stoplichten links afslaan. Daarna bij de stoplichten rechtdoor en bij de rotonde…

De mevrouw onderbrak me en begon met haar hoofd te schudden. Geen alzheimer. Ze  vroeg me of ik mijn uitleg wilde herhalen. Drie dingen die ik niet leuk vind: mij onderbreken wanneer ik aan het woord ben.
‘Ik zeg het u nog één keer, dus wel graag opletten. Het is ook mijn vrije zaterdag en die wil ik zelf naar wens invullen,’ zei ik misschien plomp, maar ook duidelijk en vriendelijk.
Mevrouw Bouwman was stil en luisterde. Ik herhaalde wat ik zojuist had gezegd en vertelde verder waar ze de Haagbeukweg kon vinden. Ik wenste haar succes en een fijne dag toe. Ik sloot de deur en stapte eindelijk in mijn hardloopschoenen.

Het hardlopen ging lekker. Het was mistig, dus bijna geen wind. Na een paar kilometer te hebben gelopen had ik even last van mijn scheenbeen, maar na een wandeling van 50 meter was dit al snel voorbij. Hierdoor kwam ik al snel in een flow terecht. Mies Bouwman aan mijn voordeur was ik al ras vergeten. In mijn hardloopenthousiasme dacht ik er zelfs even aan om een paar kilometers extra om te lopen. Mijn verstand hield me tegen. Langzaam opbouwen gaat snel genoeg.

Onderweg kwam ik veel andere sportievelingen tegen. Ook de mensen die denken dat ze de enige zijn in een grote stad als Almere. Die nemen alle ruimte, terwijl de gedachten zeer smal zijn en alleen gericht op het beeldscherm van hun telefoon. Maar ik ging lekker en veel mensen waren wel aanwezig in de wereld waarin ze bewogen. In een vlot tempo ging ik vrolijk verder. Vlakbij huis liep ik een groep Nordic wandelaars tegemoet. Een groepje actieve senioren. Een van de wandelaars herkende ik aan het te donkere, strakke kapsel.

Zij herkende mij ook. Ze wees naar mijn oranje hardloopschoenen, zwaaide en riep: ‘Ik heb het toch gevonden hoor!’ Ik salueerde met mijn wijsvinger, begroette alle wandelaars van de groep en rende mijn laatste kilometer naar huis. Blijkbaar had ik een uur geleden een niet al te negatieve indruk achtergelaten bij mevrouw Bouwman, toen ze in haar auto vertrok naar de Haagbeukweg.

Vinylzucht

Aan het einde van de jaren 80 van de vorige eeuw kwam de compact-disc in opgang. In die tijd was ‘hoe kleiner, hoe fijner’ het credo. Mijn muziekverzameling veranderde zo langzaamaan in een collectie van kleine zilveren discs in plastiek vierkante doosjes. Alle nieuw uitgebrachte albums werden compact bij de platenboer gekocht en op mijn nieuw aangeschafte multi-disc cd speler van Pioneer afgespeeld. Digitaal was het nieuwe genieten. Geen krasjes en tikjes meer te horen. Zo zachtjesaan verving ik de oude vinyl langspeelplaten voor de cd’s.

Mijn langspeelplaatverzameling heb ik nooit weggedaan. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om ze weg te doen. Iedere verhuizing sinds de jaren 90 heb ik de verzameling van huis naar huis meegesleurd. In het begin gaf ik ze nog een prominente plek in het huis, maar later toen we ook geen platenspeler meer hadden, bleven de lp’s en 12″-uitvoeringen van de hits van weleer in de verhuisdozen bewaard. Helaas ben ik door een faillissement een groot deel van mijn platencollectie verloren, maar huilen om de dingen die zijn geweest heeft mij nooit plezier gebracht, dus laten we dat achterwege.

Na onze laatste verhuizing heb ik, een paar jaar geleden, toch weer een platenspeler aangeschaft. Van de vinylplaten die ik nog wel in mijn bezit heb zijn sommige albums nooit digitaal opnieuw uitgebracht en de nieuw aangeschafte platenspeler bood de mogelijkheid om de analoge albums digitaal als mp3 op te slaan. Die oude pareltjes kan ik nu nog steeds beluisteren. Met de opkomst van het vinyl overweeg ik de aanschaf voor een nieuwe draaitafel. Eentje die een prominente plaats in ons huis verdient.

Sinds een paar jaar koop ik af en toe een nieuw album in vinyluitvoering. Het luisteren naar muziek met zo’n grote, vierkante albumhoes op schoot is niet alleen maar luisteren. Het is muziek beleven. Genieten. Groot was dan ook mijn aangename verrassing toen mijn schoonmoeder laatst vroeg of wij de oude langspeelplaatcollectie die altijd bij hen heeft gestaan met ons mee naar huis mocht. Langspeelplaten van 5 decennia geleden. Wat een verrijking.

Oud en Nieuw

Wanneer je op oudejaarsdag nog niet alles in huis hebt gehaald, ben je afhankelijk van de supermarkten die de winkeldeuren op deze laatste dag van het jaar openen voor de vergeetachtige mensen onder ons, en de mensen die alles op het laatste moment beslissen. Zo stond ik ook vanmiddag nog in de supermarkt. Niet omdat ik iets was vergeten of de dingen altijd tot het laatst uitstel, ik wist dat mijn vaste buurtsuper open zou zijn. Wanneer je dat weet stel je jezelf er op in. Oliebollen? Die haal ik 31 december!

Hier ben ik overigens geen uitzondering op, want er waren voldoende mensen in de supermarkten die genoeg in het mandje of boodschappenkar gooiden. Mensen van allerlei allooi die nog een paar dingen echt nodig hebben in die laatste uren van 2017. De een doet het op zijn gemak en leest nog eens heel uitgebreid en op het dooie gemak de ingrediënten van een blik soep, en de ander heeft haast en doet alsof de supermarkt een atletiekbaan is. Verstand op nul en blik op oneindig. De kassa’s in dit geval. Zo ook het meisje met brandweerwagenroodhaar.

Het meisje had zo’n haast dat ze niet door had dat ze met haar half gevuld boodschappenmandje een paar pakken koeken op de grond liet vallen. Door een kleine twijfel in haar snelheid wist ik dat ze heel goed doorhad dat er door haar doen een paar artikelen op de supermarkt vloer waren gevallen. Een oudere mevrouw sprak haar hierop op aan, maar het meisje met het te rode haar speelde doof. Hierop heb ik haar er op geattendeerd dat ze een paar pakken koeken had laten vallen, en gevraagd of ze het even wilde opruimen.

Met een nijdig gezicht en de opmerking: ‘Ja, dat kan gebeuren,’ liep ze chagrijnig terug naar de gevallen koeken.
‘Inderdaad,’ reageerde ik. ‘Maar als je het op de laatste dag van het jaar opruimt, ben je dit jaar toch nog een goede burger geweest.’
Zwaar beledigd legde ze de koeken terug in het schap, tussen de andere koeken.
Op dat moment wist ik mijn goed voornemen voor het nieuwe jaar: Dit jaar ga ik mensen aanspreken op hun a-sociaal gedrag. Niet dat dit altijd gewaardeerd zal worden, net als deze middag. Misschien zijn er momenten dat ik er lichtelijk spijt van krijg, maar als niemand het doet zakken we alleen nog verder weg in een onbeschaafde maatschappij.

De allerbeste wensen voor het nieuwe jaar, waarin we iets meer sociaal met elkaar om mogen gaan.

Moraalridder

In de wijk waar ik woon zijn ze momenteel druk bezig met het aanpassen, verleggen en opknappen van het fietspad dat langs het spoor van het centrum naar Parkwijk loopt. Fietsers en voetgangers worden door middel van afzettingen er op attent gemaakt niet verder te gaan. Het pad ligt er al ruim 2 maanden braak. Ik ben inmiddels wel een beetje moe van alle modder en regenplassen. Op mijn route van, en naar huis is het hink-stap-springen om het enigszins schoon en droog te houden. Eigen schuld, want ik laat me niet zomaar door een paar hekken tegenhouden. Ik ploeter eigenwijs door.

Inmiddels is er een beperkt en zeer minuscuul stukje fietspad opnieuw geasfalteerd. Na 2 maanden. Waarom dit zo lang moet duren begrijp ik niet, want wat er nu na al tijd is opgeknapt, ziet er niet uit. Die paar meters die bedekt zijn met asfalt lijken door een dronken ome Harry te zijn gewalst. Rol er met je rollerskates overheen en je verliest geheid een sleutelbos. Wellicht bezuinigt ProRail, de spoorinfrastructuurbeheerder van Nederland, op de werkzaamheden en worden er stagiaires ingehuurd. Het is een aanfluiting en een belediging voor die mannen die vroeger met passie alle bestraatte straatjes plat hebben gewalst, en zo ploeter ik straks in 2018 nog steeds door.

Dat wordt voorlopig tot aan maart volgend jaar langs en over de wegversperringen lopen. Of erger, meters ómlopen. Ik had eerst de illusie dat medewerkers van ProRail al de neergehaalde wegversperringen terug in originele staat terugbrengen, maar dat blijkt niet helemaal waar te zijn. Afgelopen kerstweekend zag ik vanuit het slaapkamerraam een man van het type kansloos, de omvergehaalde wegversperringen terugzetten. Op zijn manier worden de bewoners van Almere heropgevoed. Nu kunnen ze niet langer ‘illegaal’ langs het spoor doorlopen. Op zich niet helemaal erg, deze wereldverbeteraars, maar dan moet je zelf niet verder fluitend, met je hondje over het afgesloten, braakliggend fietspad lopen.

Kerst 2017

De kerstliedjes horen we nu tot in den treuren sinds de goedheiligman zogenaamd weer naar Spanje is. Van de klassiekers van Bing Crosby tot de hedendaagse tot-kerstlied-bewerkte hit “Sunny Days” van Armin van Buuren. Ikzelf luister al sinds oktober naar diverse kersthits. Dat houdt in dat ik overmorgen overgelukkig ben wanneer de kerstliedjes niet langer meer regulier te horen zijn. Het is geen klagen. Ik ben het zelf die al twee maanden naar de met sleebellen bewerkte hits luister. Het maakt me vrolijk. In de drukke winkels hoopt men dat de kerstliedjes de stress onder het winkelend volk doet vergeten. Dat lukt niet.

Gistermiddag. Ik zie een verhitte en gehaaste vrouw in rap tempo langs de kledingrekken in de C&A lopen, gevolgd door haar zwijgende echtgenoot. Er worden truien onder zijn kin gehangen en met een ‘Nah, da’s niets,’ worden diezelfde truien weer snel terug in het rek gehangen. Men is vooral op zoek, maar weet niet precies naar wat. Doelloos winkelen. Probeer dan maar met een succes thuis te komen. De vrouw loopt even later gefrustreerd, zonder aankopen, naar de roltrap en de man ergert zich stilletjes aan dit verloren bezoek aan de C&A. Zeer waarschijnlijk staat hem hetzelfde script te wachten bij de H&M. Of WE Fashion Store.

Kerstmis. Het moment aan het einde van het jaar waar we wensen stil te staan bij het hectische bestaan en bij de medemens. Men wenst elkaar het beste toe voor de feestdagen en het komende nieuwe jaar. Behalve voor de persoon die in de rij voordringt bij het winkelen. Men ergert zich aan die brutale dame in de boekenwinkel, die net voor jou het laatste exemplaar van een cadeau bestemd voor tante Jans weggrist. Dag Goede Dochter van Karen Slaughter. Dit jaar met Kerstmis geen plek voor jou bij ons in de familie! Ja, dan zijn mensen geneigd stiekem (sommigen doen het verrassend overtuigend duidelijk) iets minder begaan te zijn met onze medemens. Vrede op aarde, maar zeker niet voor iedereen. Een fuck you voor al die andere egoïsten en zelfzuchtige mensen. Daarbij zichzelf vergeten.

Misschien is het nog te vroeg in onze geschiedenis om verdraagzaamheid voor anderen op te brengen. Ik ben bang dat de hype ‘geduld-voor-een-ander’ voorlopig toekomstmuziek blijft. Misschien is het een idee voor de kerstman om iedereen op deze wereld een spiegel cadeau te doen? Ik bedoel niet zo’n stuk glas waarin je, je eigen reflectie ziet. Ik denk aan een waarin je jezelf als een compleet mens ziet. We denken altijd wel meegaand, tolerant of edelmoedig te denken, of te zijn. Wanneer iemand iets in onze ogen verkeerd doet mopperen we en laten we dat ook weten, maar als we ons zelf schuldig maken aan hetzelfde, dan moet dat kunnen. Ik herken het ook bij mezelf. Ik kan soms, in bepaalde situaties  mensen de hel toewensen, om een dag later hetzelfde te doen. Daarom wens ik iedereen (én mijzelf) voor vandaag en morgen twee fantastische feestdagen toe, en vooral ook een empathisch 2018.

Stukjes

In de metro, onderweg naar huis, staat een jonge vrouw, druk pratend tegen een andere vrouw die verveeld voor zich uit staart, terwijl zij zelf haar kinderwagen, een maxi cosi, op en neer schudt. Ze doet het om het kind in de wagen stil te houden. Niet dat het veel helpt. Ze is zelf constant luid aan het woord. Met een aangeleerd buitenlands accent praat ze ook veel. Ze heeft de nodige drama in haar leven meegemaakt en het gezegde ‘gedeelde smart is halve smart’ moet haar lijfspreuk zijn. Iedereen moet meegenieten en wie niet wil luisteren kijkt ze met boze ogen aan. Haar heldere lichtblauwe ogen steken af tegen haar donkerpaarse hidjab, maar ik kan er niet vrolijk van worden.

Veel van haar levensdrama gebeurt in de familiekring, en in die van de schoonfamilie in het bijzonder. Door de giftige taal die ze uitkraamt wenden de andere reiziger hun gezicht van afschuw af. In de 4 minuten durende rit van metrostation Henk Sneevliet tot aan het metrostation van Amsterdam-Zuid heeft ze 5 keer iemand dood gewenst, en niet alleen dat: ze is bereid het allemaal zelf te doen. ‘Ik snij ze allemaal in stukken en gooi ze zo in de vriezer,’ braakt ze uit. Het jonge kind in de maxi cosi wordt er niet stiller van. Wanneer de omroepstem ons aangeeft dat we bij metrostation Amsterdam-Zuid zijn gearriveerd, kan ik niet wachten om naar buiten te gaan.

Met versnelde pas loop ik het perron op. Mijn fantasie gaat met me aan de haal en ik zie het al voor me: dan lig ik daar in tientalle stukken gesneden, rillend van de kou in de vriezer van de boze mevrouw met haar lichte ogen. Wanneer ik de trap af wil lopen naar een ander perron, draai ik me nog even snel om. Ik haal opgelucht adem. De boze mevrouw blijft in de metro achter. Als ze dan toch iemand in stukjes moet hakken, dan toch liever haar schoonfamilie.

Nieuw Pak

Ik moest een nieuw pak. Het tweedelig kostuum had ik een jaar geleden bij de H&M gekocht. Het voordeel van een confectiepak is dat het niet meteen een hap uit je budget is. Wat een jaar  geleden ook nog even niet wenselijk was. Ik zag er netjes uit en kon ermee voor de dag komen. Tot na een jaar, een paar weken geleden. Het jasje kon ik nog wel dragen, want zo vaak droeg ik het niet. De pantalon begon echter tekenen van slijtage te tonen.

Hoe het mogelijk is weet ik niet, want de tijd dat ik op handen en knieën over de vloer kroop ligt jaren achter me, maar de pantalon werd vooral bij de knieën erg dun. Daarbij gaf de naad in het kruis het op, waardoor er een klein luchtig spleetje ontstond. Deze heb ik nog even gerepareerd, maar het waren voor mij allemaal tekenen dat ik nu toch wel aan iets nieuws toe was. Ik twijfelde nog even of ik naar de H&M terug moest keren, maar bij terugkomst zagen de pakken die er hingen er niet uit.

Daarom afgelopen zaterdag naar een andere winkel gegaan. De prijzen liggen er iets hoger, maar ik weet bijna zeker dat de pakken uit deze winkel langer dan 1 jaar gedragen kunnen worden. Het was er druk. Veel shoppers op zoek naar nette kleren voor de komende kerstdagen. Timing is niet een sterke kant, wat betreft winkelen. Dus tussen het winkelvolk probeerde ik een fraai pak uit te zoeken. Een uitdaging: mijn schouders zijn breder dan de heupen.

Ondanks 2 verschillende confectiematen voor het pak en de drukte van de winkelbezoekers ben ik uiteindelijk geslaagd voor een grijs, wollen pak. Ik kan er weer even tegenaan. Naast het pak heb ik een tweetal stropdassen gekocht. Het is niet altijd nodig, maar het staat wel fatsoenlijk wanneer er klanten of gasten over de werkvloer lopen. Zo opgedirkt in een tweedelig pak, ik voel me er niet verkeerd bij.

Gewoonten

Ik was 12 jaar toen ik mijn eerste sigaret rookte. Eerder stom dan stoer, maar daar dacht ik toen anders over. Het was achter het fietsenhok en ik zat in de 6e klas (groep 8) van de Torpschool. Samen met Enrico, Peter, Angelique, Sheila en Yvonne stonden we stiekem een peukie weg te paffen. We dachten dat we voor anderen verscholen waren, maar het fietsenhok stond naast het schoolplein, vlakbij de Torplaan. Een drukke weg in de wijk waarin we met zijn zessen opgroeiden. Iedereen kon ons zien roken en de opmerkingen werden als figuurlijke oorvijgen aan ons uitgedeeld. Met opmerkingen als ‘Weten jullie ouders dit wel’ en ‘Je kan beter je broekspijpen dichtknopen’ werden we gewezen op deze brutale actie.

Vanaf die leeftijd heb ik af en aan een sigaret gerookt. Toen ik een jaar later naar het voortgezet onderwijs ging kwamen mijn ouders er achter dit ik stiekem rookte. Als straf moest ik van hen 3 sigaretten achterelkaar roken. Ik zie de sigaretten nog op de salontafel liggen. In een bruin pakje van het merk Caballero. Zonder filter. Dat zou mij wel leren om stiekem te roken, dachten mijn ouders. Ik kan me de verontwaardiging van mijn moeder nog goed herinneren. ‘Hij rookt gewoon over zijn longen!’ daarbij naar verwijtend mijn vader kijken, alsof het zijn schuld was dat ik met gemak 3 sigaretten kon wegroken.

Zo was het dat ik op mijn 13e van mijn moeder wekelijks een pakje shag van het merk Samson kreeg, want -zoals zij zei: ‘Ik heb liever dat je het van ons krijgt, dan van iemand met verkeerde bedoelingen.’ Die angst van mijn ouders betreffende drugsverslavingen werkte in mijn voordeel. Zo heb ik jarenlang shag gerookt. Daarbij hoorde ook de aardappelschil, die we in het pakje shag bewaarde om uitdrogen van het tabak te voorkomen. Het was geen verkeerd leven in het begin van de jaren 80 van de vorige eeuw, en ik heb er fijne herinneringen aan overgehouden.

Inmiddels rook ik niet meer. De laatste jaren dat ik rookte, rookte ik stevig. Anderhalf pakje per dag. Dat was tot het me tegen ging staan en ik er genoeg van had. Nadat het me uiteindelijk lukte om die gewoonte te doorbreken heb ik mezelf voorgenomen nooit meer een sigaret te roken. De bekende en figuurlijke knop was om. Sindsdien rook ik niet meer. Momenteel zijn er ook gewoonten in mijn leven waarvan het gebruik mij tegenstaat. Ik erger me mateloos aan de dieronvriendelijkheid van de bio-industrie en de kilo-knallers van de supermarkten. En gezond stuk vlees lijkt heel moeilijk te vinden.

Het is niet dat ik stante pede vegetariër moet worden, maar ik let wel op wat ik eet. Op het werk, tijdens de lunch, eet ik geen vlees meer. Zo stap voor stap kom ik er dichter bij. Waar ik voorheen 1 keer per week een vegetarische dag had, houd ik binnenkort 1 dag in de week een vleesdag. Alle beetjes helpen, en ik ben me ervan bewust dat niet iedere gewoonte zomaar is overwonnen.

Twintigers

‘Waar was je? Ik heb op je zitten wachten. Je was hartstikke dronken, gast!’ zei de jongen met het korte kapsel en Adidaspak.
‘Nee, man. Ik ben met mijn dronken kop door de politie meegenomen. Toen ik wakker werd ben ik ‘m stilletjes gesmeerd. Ik heb weten te ontsnappen uit het bureau!’ verklaart de andere. Hij draagt zijn nep Louis Vutton-petje scheef op zijn hoofd.
‘Weet je dat heel zeker?’
‘Leggen kippen eieren? Ja. Natuurlijk weet ik het zeker!’
‘Het is heel anders gegaan, man.’
‘Huh? Hoe dan?’

De jongeman in het Adidaspak was die avond daarvoor ook aangeschoten, maar niet zo erg als de ander met het nep-petje. Op een gegeven moment had hij een black-out. Helemaal lam en niet meer in staat om zelfstandig weg te gaan. De ander in het pak voelde zich verantwoordelijk genoeg om zijn vriend mee naar huis te nemen. Met veel moeite kreeg hij zijn vriend buiten. Door de koude, frisse lucht knapte deze heel even op, maar was al weer snel terug in lazarusland.

De jongeman in het pak plaatste zijn vriend op het zadel van zijn scooter en ging zelf voor hem zitten. Door de armen van zijn vriend met de nep-pet  onder zijn eigen armen te stoppen, bleef deze enigszins rechtop zitten. Dit ging zo goed de eerste meters, maar bij de eerst bocht gleed een arm van zijn vriend weg en bungelde deze schuin achterover mee achter de scooter aan. Om snel thuis te zijn reed hij over de Overtoom. Een plek waar veel politiecontrole is. Zo ook die avond ervoor.

Het was te laat om nog om te keren. Hierdoor zou de vriend met het nep-petje sowieso van het zadel glijden en werd alle aandacht naar hen getrokken. Alsof dat nu al niet het geval was, want inmiddels was ook de andere arm weggegleden en leek het alsof de dronken passagier een spel als Twister op de scooter uitvoerde. De jongeman in het pak reed langzaam door, en zich verontschuldigend kwam hij aan bij de politiefuik. De politieagenten moesten wel lachen om het beeld dat ze zagen.

Afgesproken werd dat de bestuurder naar huis mocht doorrijden, maar dat zijn vriend mee moest naar het bureau, even verderop. Daar kon hij deze nacht zijn roes uitslapen. De vriend in het Adidaspak is toen naar huis gegaan en is gaan slapen, waar hij de volgende ochtend door zijn vriend werd gebeld met het verhaal van zijn ontsnapping. Niets heroïsch, want hij is met zijn schoenen in de hand heel zachtjes het bureau uitgelopen. De aanwezige agenten haalden hun schouders op en schonken nog een kop koffie in.

Bezoek

Het begon op een dinsdagavond in oktober. Er werd aan de deur gebeld en een Aziatische meneer zei dat hij een afspraak had met een Cora. Ik vertelde hem kortaf dat er geen Cora op dit adres woonachtig was. Hij keek verbaasd. Ik keek boos. Wat is dat voor een idioot, dacht ik nog. Ik heb in de deur staan wachten tot hij de voortuin uit was gelopen. Je hoort tegenwoordig over ongure types die aanbellen om te zien of er iemand thuis is. Om zeker te zijn ben ik even later met een lege plastic verpakking naar de vuilcontainer gelopen om te zien of de man echt weg was. Hij stond verderop, op de hoek van de straat druk te doen op zijn mobieltje. Ik heb ‘m daar laten staan en dacht verder niet meer aan hem.

Een paar dagen later, op donderdagavond, werd er weer aangebeld. Vermoeid van de gedachte dat het een colporteur of collectant was deed ik open. Weer stond er een man voor deur die beweerde een afspraak te hebben met een vrouw. Een déjà vu. Nu was ik verbaasd. Ik dacht er verder nog niet veel van. Het moest een vergissing zijn. De man liep teleurgesteld de voortuin uit, en ik naar binnen. Ik zei tegen Edo dat er een man aan de deur stond in de veronderstelling dat er een vrouw in de deuropening op hem wachtte. Edo reageerde ook verbaasd en zei dat er de dag ervoor ook al een man voor de deur stond en beweerde een afspraak met een vrouw te hebben. Het kwartje was gevallen. Ik wist genoeg.

Een sneu persoon die het een hilarisch idee vind om mannen naar ons adres te sturen, met het verhaal dat er op ons adres een lekker bezigheid met een vrouw valt te beleven. Tegenvaller voor de mannen, want er woont op dit adres geen vrouw. Wel 2 mannen. De dagen erna dat er ‘s-avonds aan de deur werd gebeld wisten we uiteindelijk hoe laat het was: geen colporteur, collectant of pakketbezorger, maar een licht opgewonden man die even lichamelijk plezier dacht te hebben. Het werd een beetje gênant, want ik stond een beetje verveeld uit te leggen dat de man in de maling was genomen. Verbaast en gekrenkt liepen ze dan het tuinpad af. Er was één man die zo schrok en zich schaamde, dat hij zonder iets te zeggen het tuinpad af rende.

Inmiddels bedachten we wie er achter deze geintjes kon zitten. We wisten niet zo snel iemand te noemen. We hebben geen ruzie met anderen en zijn best wel oké in de omgang met anderen, maar wellicht zijn er mensen die rancuneuze trekjes hebben en er voldoening in vinden om ons bijna iedere dag naar de deur te laten lopen. Een beetje teleurstellend. Ik vind het niet erg om van de bank te komen en naar de deur te lopen. Ik vond het eerder sneu voor de mannen die de moeite nemen ergens naartoe te gaan en dan zo teleurgesteld worden. Ik was er inmiddels van overtuigd dat de verantwoordelijke grappenmaker eerder een kneus dan alleen rancuneus was.

Na twee weken was het nieuwe wel af van de visites, en begon ik bij de mannen te informeren hoe ze aan mijn adres kwamen. Dit heeft nog een paar mannen geduurd, maar uiteindelijk kreeg ik de naam van de website. Daar ben ik gaan zoeken naar een link, maar ik werd niet veel wijzer van de borsten en billen die er aangeboden werden. Uiteindelijk gaf een vriendelijke man, die zich meermalen verontschuldigde voor zijn bezoek, mij het telefoonnummer. Eindelijk kon ik gericht zoeken op de website. Het nummer maakte een link met Escort Sara uit Almere. Een voor ons onbekende vrouw, wier foto’s volgens mij van het internet zijn geleend.

Bij navraag van een neef die bij de politie werkt bleek dat aangifte van deze bezoekacties geen zin heeft. De sneu-keutel die mannen naar ons adres stuurt doet niets strafbaars. Dan maar iets anders verzinnen. Ik heb de mensen achter de website een e-mail verstuurd met hierin het verhaal van de ongevraagde visitaties, met daarbij het verzoek het profiel te verwijderen of tenminste de persoon aan te spreken over de onzinnige acties, en wanneer er toch weer een man aan de deur stond, ik het telefoonnummer via sociale media bekend zou maken.

Ik kreeg een reply met uiting van sympathie en men ging de persoon achter het profiel aanspreken. Wanneer een bezoek zich weer voordeed wilden ze dit graag weten. Een tweetal dagen later heb ik ze maar een emailbericht gestuurd, want in het weekend hadden zich weer mannen aangemeld. Dit keer besloot ik het nummer bekend te maken op sociale media met de vraag of men het telefoonnummer (her)kende. Hier was genoeg respons op en heb ik via Whatsapp gevraagd waarom ze mannen naar mijn adres stuurde. Hierop kreeg ik 2 dagen later een respons. In foutief Engels: ‘Sorry for this, I dont repeat relly sorry.’

Nog een dag later ontving ik een emailbericht van de website-medewerkers. Ze hadden het profiel van Escort Sarah uit Almere voorlopig offline gehaald. De sneu-keutel achter het profiel, vond de grap van het repetitief mannen naar ons adres sturen inmiddels ook flauw worden, want er heeft zich sindsdien geen man meer gemeld aan onze voordeur.

Krankzinnig

Afgelopen zondag was ik weer even in Den Helder. De meest afgelegen stad van Nederland. Het is zo’n stad dat prima past in een verhaal van Stephen King. Ver afgelegen aan de rand van het land. Een hechte gemeenschap en toch vind je daar een Hindoetempel. Je verzint het niet, je maakt het mee daar in Den Helder. Het is niet dat ik hiermee bewoners van de havenstad wil beledigen, want ik kom er zelf vandaan. Ik heb er tientalle jaren gewoond.

De reden dat ik in Den Helder was, is omdat mijn oudste zus en mijn zwager hun 45-jarig huwelijk vierden. Hun trouwdag was in december 1972, maar als je tegenwoordig iets in december wilt organiseren is iedereen afwezig of niet in staat om langs te komen. Vandaar dat het afgelopen zondag werd gevierd. Denk ik. Het was leuk om familieleden en bekenden te zien, en te spreken. Ik was er een paar maanden niet geweest.

Op deze manier vallen er niet zoveel ongemakkelijke stiltes, want er valt altijd iets te bespreken. Zoals de halve marathon van Den Helder van volgend jaar. De vraag was of ik  weer meedoe. ‘Natuurlijk,’ heb ik gezegd. Ik heb de afgelopen 4 jaar ook meegedaan. In 2017 helaas maar 13 kilometers, maar dat ik geen reden om in 2018 niet mee te doen. Ik moet wel weer trainen voor halve marathon, want die afstand heb ik ruim een jaar niet gelopen.

Voorlopig komt ik er ook niet aan toe om fanatiek te trainen. Het is steeds vroeger in de avond donker en ik heb ook nog last van pijntjes in mijn benen. Ik gaf aan een alternatief te zoeken, en daar kwamen mijn nicht en neef met een voorstel. Insanity Workout. Ik had er al eens van gehoord. Ook via hen, want ze doen dit al ruim een jaar (met indrukwekkend resultaat). Waar ik voorheen al dodelijk uitgeput raakte van alleen het bekijken van het introductiefilmpje, had ik nu zoiets van: Dit kan ik.

Nu is een voornemen een nobel iets. maar het is niets vergeleken bij de eerste stap. Ik heb toegezegd en de belofte gedaan er mee te beginnen. De eerste stap is gedaan. Maandagavond begon ik aan mijn eerste Insanity Workout: 30 minuten bezig met interval, cardio, pure cardio, cardio recovery en zweten. Veel zweten. De knop is om. Momenteel, bij het intikken van deze regels heb ik last van bijtende spierpijn, maar dat weerhoudt me er niet van om vanavond weer 30 minuten uitputtend te staan zweten. Krankzinnig!

Zaterdagochtend in november

Zaterdagochtend. Het is 07:00 uur en ik lig klaarwakker in bed. Het lijkt of ik niet meer kan uitslapen, zodra ik me aan paar keer in bed heb omgedraaid. Ik sluit mijn ogen, maar Droomland is niet meer bereikbaar. De poorten zijn dicht en mijn ogen blijven open. Na een paar pogingen om er toch te komen geef ik de moed op en stap uit bed. Buiten is het nog schemerig donker.

Ik geniet van het moment. Het lijkt er op of de wereld nog wakker moet worden en ik ben er getuige van. Ik geef de katten Oprah en Harpo hun eten en ik kijk even later door het keukenraam naar buiten. Een fietser stapt van zijn fiets en loopt over een zandheuveltje. Het fietspad langs het spoor in Almere is aan vervanging toe en alles is met hekken afgesloten, maar dit houdt niemand tegen.

Ik zet het koffiezetapparaat aan. Tijd om echt wakker te worden. Op de deurmat ligt de ochtendkrant om opgeraapt worden. Met het ochtendnieuws loop ik terug naar de woonkamer. De koppen op de voorpagina melden geen nieuws. Het zijn analyses over wat de afgelopen dagen in het nieuws was. De ondergang van Kevin Spacey wordt in een tijdlijn van enkele dagen geanalyseerd.

Naast de ondergang ook een enorme afgang, en terecht, denk ik. Bepaalde acties hebben nu eenmaal consequenties. Het gemelde misbruik uit 1986 kan Spacey niet herinneren, maar wel dat hij zeer waarschijnlijk dronken was. Zo verklaart hij officieel via Twitter. Heel slim (of juist niet) probeert hij de aandacht te verleggen door uit de kast te komen, maar die goocheltruck mislukt volledig.

Ik schenk me nog een kop koffie in en eet een krentenbol. Buiten is het inmiddels licht geworden, maar het blijft er grijs en grauw. Sky Radio Christmas op de achtergrond herinnert me eraan dat over 3 weken hier de kerstboom weer in de huiskamer staat. Zoals in alle laatste weekenden van november. De dag komt op gang wanneer ik de stofzuiger uit de kast haal. Je kunt niet altijd de hele dag niets doen.

 

Wintertijd

Wij mensen doen onszelf wat aan. We creëeren iets dat eigenlijk niet bestaat en laten het vervolgens ons leven compleet bepalen. Ik heb het over tijd. Afgelopen weekend was het jaarlijks terugkerend moment dat we onze klokken een uur terug moesten zetten, zodat we er een paar dagen lang aan moeten wennen dat het ‘s-morgens toch niet zo donker is en het ‘s-avonds dus vroeg donker is. Dat wordt voor mij de komende maanden ‘s-avonds hardlopen met kerstverlichting aan de armen.

Tijd zal ooit miljoenen jaren geleden zijn verzonnen toen 2 verschillende stammen van Neanderthalers de afspraak hadden gemaakt om op een gezamenlijke mammoetjacht te gaan. Hoe weet je dan wanneer je elkaar op het juiste moment tegenkomt? Je spreekt zeer waarschijnlijk af op het moment dat de schaduw van een bepaalde boom over een specifieke rotsblok trekt. Hiermee is tijd ontstaan. Niet veel later ook het te laat komen, maar dat is een ander verhaal.

Eerder dit jaar, bij het vooruit zetten van de klok naar zomertijd, reisden we kort daarna vanuit Cambodja terug naar Nederland. De jetlag heeft er zeer waarschijnlijk voor gezorgd dat ik nergens last van heb gehad en heb ik niets meegekregen van het uurtje vooruit. Dat we bij thuiskomst genoeg verhalen te vertellen hadden, heeft ons natuurlijk ook doen vergeten om aan de nieuwe tijdsetting te wennen. En zo kabbelt datgene wat niet bestaat, tijd dus, vrolijk verder en zijn we in de laatste fase van het jaar beland.

De tijd, dat ons dagelijkse gebruik zo beheerst, leert ons dat we vandaag in de een-na-laatste maand van het jaar 2017 zijn gearriveerd. De laatste maand waarin we nog een beetje normaal functioneren, want eenmaal in december is het de maand van de avonden van surprises maken en gedichten schrijven, sinterklaas- en kerstinkopen doen. Daarnaast hebben we nog de religieuze en heidense rituelen die uitgevoerd moeten worden. Het opzetten van kerstversieringen zodra de goedheiligman ‘officieel’ ons land heeft verlaten. We houden ons allemaal heerlijk voor de gek.

Echt genoten

Toen ik van de week een oud-collega tegenkwam hadden we het even over de bekende koetjes en kalfjes, en over hoe het leven tegenwoordig met ons omgaat. Net toen ik dacht dat alle beleefdheidszinnen waren uitgesproken, zei hij: ‘De vakantie is ook weer achter de rug.’
‘Mooie vakantie gehad?’ vroeg ik hem.
‘Ach Dray, het was zo mooi,’ zei hij enthousiast. Zijn gezicht lichtte op bij de herinnering van zijn vakantie.
‘Griekenland?’ vroeg ik. Ik dacht me te herinneren dat hij altijd naar een van de Griekse eilanden vloog om zijn vakantiedagen te slijten.
‘Nee. België. Ik ben een drietal weken met mijn vrouw naar de Belgische Ardennen geweest, zei hij en haalde zijn mobieltje tevoorschijn. Ik dacht eerst dat hij een berichtje had ontvangen, maar hij ging verder.

‘Het is daar mooi hoor. Heel heuvelachtig, mooie wandelingen gemaakt, ook. Heerlijk. Niet echt veel regen gehad. Dat viel ons hartstikke mee.’
Hij reikte zijn mobieltje naar mij uit. Ik kreeg de eerste foto van zijn vakantie te zien. Fijn.
‘Deze heb ik in de trein gemaakt, onderweg naar België,’ zei hij. Dat is mijn vrouw. Hier in de trein.’
Hij wees op een corpulente dames in een iets te gele jas. Haar zure glimlach hoorde niet helemaal bij de vrolijke, zomerse kleur van haar jas.

‘Ja, ze kijkt een beetje sip,’ sprak mijn oud-collega. ‘Maar, kijk, dat komt een beetje door mij. Ze had een nieuwe reistas gekocht, waaraan ik nog niet gewend was. Daardoor was ik ‘m vergeten mee de trein in te nemen. Dus we zijn een uurtje onderweg naar de Belgische Ardennen, zegt mijn vrouw: ‘Waar is de nieuw Louis Vuitton?’ Daar zat ik dan. Daar wordt een vrouw niet vrolijk van. Niet dat er belangrijke dingen in zaten. Geen dingen die we niet in België konden aanschaffen, maar het drukt toch een beetje een stempel op de reis.’

Hij swipete door naar een andere foto.
‘Hier, dit is mijn vrouw voor ons hotel,’ vertelde hij verder. ‘Een prima hotel. Niets te klagen. Het eten was er fantastisch en met de regen kon je op de overdekte veranda zitten. Kijk, hier zit mijn vrouw links, zie je? Ze ziet er wel wat bleekjes uit, we hadden net daarvoor vis gegeten en die was mijn vrouw niet zo goed gevallen. Een gevoelige maag, begrijp je? Het drukt dan toch weer een beetje de stemming…’

Hij swipete verder en begon te lachen.
‘Dit is een leuke foto,’ riep hij. ‘Die heb ik gemaakt tijdens een wandeling in de buurt van de grotten van Han. Het was een flinke wandeling. Heel heuvelachtig allemaal. Ik hou er wel van, maar mijn vrouw heeft nogal last van overgewicht. Hier rust ze even uit op een boomstam. Ze kijkt een beetje ontstemd, want ze was gevallen. Ja, ze heeft zwakke knieën. Het was even pijnlijk, dus moest ze even uitrusten’

Hij swipete een andere foto tevoorschijn. Met een glimlach op zijn gezicht zat hij even voor zich uit te staren.
‘Waar is deze foto gemaakt?’ vroeg ik hem.
Het was er weer een waar zijn vrouw op stond, voor het eerst met een relaxt ontspannen glimlach.
‘Die?’vroeg hij onverschillig. Die had ik per ongeluk geschoten bij thuiskomst. Zie je wel. dat bij ons voor de deur, toen we na een week weer terug waren.’

Dylan

Vrijdag

Ken je het gevoel dat als je iets te lang duurt, het gevoel plaats maakt voor bezorgdheid? Een lichte paniek slaat toe. Wanneer je te lang op iemand moet wachten, zonder enig bericht. Denise had hetzelfde gevoel toen haar vijfjarige zoon, Dylan, afgelopen vrijdagmiddag na schooltijd nog steeds niet vanuit het klaslokaal op het schoolplein tevoorschijn kwam. Sinds het overlijden van haar vriend Robin, Dylan’s vader, twee jaar geleden, had ze volgens haar moeder de neurotische tik dat ze altijd wilde weten waar Dylan zich bevond. Denise stond al minutenlang bij het schoolplein en het was koud voor de tijd van het jaar. Elf maanden geleden was ze weer bij haar oude werkgever begonnen en haar collega’s waren vol van het aankomend weekend. De bomen verloren snel de bladeren.
De bomen op het schoolplein waren hier geen uitzondering op. Het schoolplein was bedekt door een bladerdek. Het leek eerst nog dat het een mooie, lange nazomer zou worden, maar in een tijd van een paar dagen had de herfst uiteindelijk haar intrede gemaakt. De gure wind van de afgelopen dagen had iedere herinnering aan de mooie nazomer weggewaaid. Denise ergerde zich aan deze verandering. Zo had ze geen rekening gehouden met deze kou, waardoor haar knokkels rood en verder kleurloos waren. Ze had zich vanuit het werk gehaast om op tijd bij school te zijn en nu moest ze buiten in de kou op haar zoon wachten. In gedachten zag ze hem in de gang bij de kapstokken staan treuzelen. Dylan was een spontaan en open kind. Hij kon met iedereen een gesprek aan gaan, en dat deed hij vaak. Hij was als haar jongere broer; een echte kwebbelkous. Denise was al te vaak de discussie met Dylan aangegaan over dat hij op tijd moest zijn en niet zoals gebruikelijk, lopen dralen na schooltijd.
Ze keek voor de zoveelste keer over het hele schoolplein en zag hoe de laatste kinderen uit de bovenbouw het plein verlieten. Denise keek op haar horloge, zuchtte en zette haar fiets tegen het hek. Ze sloeg haar tas over haar schouder en liep het schoolplein op. Ze zag door het raam van Dylan’s klaslokaal juffrouw Aziza bezig met het opruimen van de dagelijkse spullen. De onrust was weg. Paniek was aanwezig. Naast Juffrouw Aziza was er niemand in het klaslokaal. Een misselijk gevoel en een soort van zenuwaanval veroorzaakte een kleine, heftige adrenaline-rush in haar lichaam. De laatste meters voor het klaslokaal versnelde ze haar pas. Terwijl ze de deur opentrok riep ze haar zoon’s naam.
‘Dylan!’ Haar stem sloeg over. Ze zwaaide de deur van het klaslokaal open en struikelde naar binnen. Aziza stond alleen bij het schoolbord en veegde met een bordenwisser een tekening van de Nederlandse vlag van het zwarte bord.
‘Waar is Dylan?’ snauwde ze naar de kleuterleidster. Ze schrok van haar eigen agressie. Dylan’s juffrouw, een in Denise’s ogen te jonge vrouw die nooit in haar eentje de verantwoordelijkheid van een kleuterklas met 20 kinderen aankon, liep haar tegemoet.
‘Mevrouw de Waal, Dylan is meteen na schooltijd met William meegelopen,’ vertelde ze met een rustige en in Denise’s oren iets te kalmerende stem. Meerdere gedachten schoten door haar hoofd.
Was ze vergeten dat Dylan na schooltijd met een vriendje mee zou gaan? Ze dacht aan de ochtend, toen ze samen met Dylan aan de ontbijttafel zat. Niets schoot haar te binnen over een afspraak met een vriendje.
‘Dank je wel,’ zei ze haastig tegen de juffrouw en draaide zich om, om weer naar buiten naar haar fiets te gaan.
‘Ze hadden het erover dat ze bij William op de computer zouden spelen,’ riep juffrouw Aziza, terwijl ze zonder te kijken een lijmpot tussen de andere potten op de plank achter haar zette.
Denise hoorde haar al niet meer toen ze het schoolgebouw verliet.

Bij het huis van William aangekomen zette ze haar fiets op de standaard tegen de heg van Dennis’ ouders aan. Bijna hyperventilerend stond ze voor de deur en belde ze aan. Het geblaf van honden aan de andere kant van de deur gaf haar geen geruststellend gevoel. Sinds haar jeugd was ze al niet gek van honden. Een enkele keer was ze gebeten en sindsdien had ze een respectvolle angst voor deze huisdieren. Het misselijke gevoel bleef. De voordeur werd door Gijs, de vader van William geopend. Hij was een man van middelbare leeftijd. Volgens haar moeder was hij te oud om de vader van een 5 jarige zoon te zijn. Denise had hem een paar keer op een schoolavond ontmoet. Ze vond hem wel aardig, maar daar deed hij dan ook te goed zijn best voor. Een beetje een uitslover vond Denise. Ze beantwoorde zijn lach met een zenuwachtige glimlach, terwijl Gijs de honden naar achteren duwde. Hij keek haar verheugd en vragend aan.
‘Hey, ik kom voor Dylan. Ik was vergeten dat we vanmiddag nog een andere afspraak hadden staan. Vandaar dat ik hem nu kom ophalen,’ zei ze verrassend kalm.
‘Dylan?’ vroeg Gijs haar, en keek haar niet begrijpend aan. ‘Die is hier vandaag niet geweest. William kwam vanmiddag alleen thuis. Hij is nu bij de buren. Die hebben namelijk een nieuw computerspel’
Denise zakte bijna door haar knieën. Ze klampte zich vast aan de sponning van de voordeur.
‘Hoe bedoelt u? Juffrouw Aziza vertelde mij nog geen vijf minuten geleden dat Dylan met William mee naar huis ging.’ Haar stem brak bij de laatste woorden. Tranen welden op. Ze had moeite om niet in huilen uit barsten.
‘Denise, William is alleen thuisgekomen,’ zei Gijs. ‘Misschien is Dylan nu al thuis.’ Hij reikte zijn rechthand naar haar linkerarm, maar ze schudde deze weg. Denise luisterde niet meer. In paniek liep ze naar haar fiets, nam het stuur in handen en wilde opstappen. Haar fiets bleef staan. Geïrriteerd keek ze naar het fietsslot. Ze was vergeten dat ze deze op slot had gedaan. Onhandig deed ze pogingen om de fietssleutel in het slot te krijgen.
‘Gaat het? Zal ik meelopen?’ vroeg Gijs en liep al naar haar toe..
‘Het gaat!’ zei ze toen het fietsslot met een klik opensloeg. Ze sprong op de fiets en trapte snel naar haar huis. Haar tas gleed half van haar schouder, deze trok ze weer terug op de plaats. Ze liet zich door niets vertragen.

Thuis aangekomen smeet ze haar fiets tegen de schuurdeur en liep al graaiend naar de sleutels in haar tas naar de achterdeur. Ze stak de sleutel in het slot en opende de deur. Eenmaal binnen wist ze dat Dylan niet thuis kon zijn. Het idee dat haar kind als sleutelkind moest opgroeien was voor haar nooit een optie geweest. De gedachte brachten alleen maar nare herinneringen naar boven. Thuiskomen was voor haar jarenlang het gevoel van eenzaamheid, vandaar dat ze er op stond om thuis te zijn als haar eigen kind van school thuiskwam. Roepend door het huis bezocht ze ieder vertrek. Ze gaf uiteindelijk toe aan de gedachte dat Dylan niet thuis kon zijn, want ze had hem nooit een sleutel van het huis gegeven. Kijkend naar haar trillende handen dacht ze dat ze nu wel kalm genoeg was om voor een tweede keer alle kamers te doorzoeken. Overal waar ze ook keek, er was geen teken van Dylan. Ze liep terug naar de woonkamer waar de telefoon stond. In de woonkamer aangekomen merkte ze dat er iets anders was dan wanneer ze deze vanmorgen verliet. Het was niet rigoureus, maar kleine details vertelden haar dat er iets veranderd was. Haar ogen schoten door het vertrek en voor even kon ze geen adem halen. Alle foto’s van Dylan waren weg. Geen enkele afbeelding waar haar zoon op stond was terug te vinden. Denise liet met een jammerende kreun haar armen zakken, wilde door haar knieën zakken, maar ze vond de kracht om naar het wandmeubel te lopen om de laden te checken. Er móesten wel foto’s van Dylan aanwezig zijn. Nadat ze de tweede lade had omgegooid en de inhoud had doorzocht, hoorde ze zichzelf zeggen dat het niet om missende foto’s ging, maar om Dylan zelf. Ze moest onmiddellijk de politie bellen. Ze stond op en liep naar de telefoon. Nog voordat ze bij het toetstel aankwam zag ze de witte enveloppe. Deze was met plakband aan het toestel geplakt. Zonder enige aarzeling greep ze naar de enveloppe en scheurde het open. Het bevatte een klein wit kartonnen kaartje met een geprinte tekst. Ze las de tekst nogmaals. Ze zag wat er stond, maar na een tweede keer begreep ze de tekst.

‘ALS HET LEVEN VAN JOUW ZOON JE HEILIG IS, SCHAKEL JE GÉÉN POLITIE IN. OM ZIJN LEVEN ZEKER TE HOUDEN CHECK JE VANDAAG JE EMAILBOX. ENIG CONTACT MET EEN DERDE PERSOON (POLITIE OF ANDERE INSTANTIE) LEIDT TOT HET EINDE VAN DYLAN’S BESTAAN.’

Denise lachte hardop. Van de zenuwen. Gedachten schoten haar door het hoofd.
‘Wat is het nummer van 112?’ Met een misplaatste grap deed ze een poging haar angst te vergeten. Ze pakte haar telefoontoestel om het alarmnummer in te toetsen, maar ze deed het niet. Ze las de tekst op het kaartje nog een keer. Van het kaartje keek ze naar de klok. Ze liet een korte, bijna maniakale lach ontsnappen, liep naar boven waar de computer stond en startte hem op. Normaal gesproken vond ze het ding al veel te traag bij het opstarten, maar vandaag leek het apparaat werkelijk supertraag te werken. Ze begon te snikken en ze kon niet meer stoppen met huilen. Met lange halen huilde ze om het gemis van haar zoon. Haar zoon waar ze de afgelopen periode zoveel troost in had gevonden. Een piep van de computer bracht haar weer terug naar de realiteit. Ze was bijna online om haar emailaccount van hotmail te checken. Ongeduldig keek ze naar het computerscherm, na een paar minuten kreeg ze het bureaublad te zien en klikte ze op de icoon van Chrome. Haar startpagina van internet was haar emailaccount en na het invoeren van haar emailadres en het wachtwoord opende een nieuw tabblad waarop ze zag dat ze een tweetal nieuwe e-mails in haar inbox had. Ze klikte met de muis en er werd een nieuwe pagina geopend. De twee e-mails betrof een aanbieding van webshops. Ze zag een aantal e-mails in haar spam box. Een email bleek afkomstig van Dylanskeeper. Ze klikte op de regel met het onderwerp ‘Eerste dingen eerst’ en er werd weer een nieuwe pagina geopend. Ze negeerde de bewegende, zeer aanwezige reclamebeelden en las ademloos haar email.

‘Hallo Denise,

Zoals je al in een eerdere boodschap in de woonkamer hebt kunnen lezen is het van belang dat je de politie niet informeert over wat er momenteel gaande is. We wijzen je er op dat wanneer je de politie (of andere instantie) inschakelt het leven van Dylan wordt uitgeschakeld. Om zijn leven te garanderen willen wij dat je voor ons een paar opdrachten uitvoert. Het is niet dat wij hem willen doden. Het is meer dat jij hem in leven wilt houden. Geef het zoeken naar je zoon op. Hij is momenteel (nog) veilig.
We willen dat je vanavond naar de kinderboerderij gaat. Om 19:00 uur moet je bij het varkenshok staan. Daar volgen verdere instructies. Mocht je alsnog beslissen dat je niet wilt doorgaan, dan is het leven zoals je het kende met Dylan op dat moment beëindigd.

Met de aller, allervriendelijkste groet,
Dylan’s Keeper

Denise las het bericht nog een keer. En nog een keer. Ze wist waar ze deze avond om zeven uur werd verwacht. De afgelopen jaren was ze vaker dan lief op de kinderboerderij geweest. Toen Dylan net drie jaar oud was, liep ze wekelijks, bijna dagelijks door het bos om het verdriet van het overlijden van haar maatje te doen vergeten. Niet dat dit lukte, maar ze kon heerlijke gesprekken over onbelangrijke dingen met Dylan bespreken. Er schoten een paar namen door haar hoofd van personen die ze met de kinderboerderij in verband bracht, maar geen persoon zag zij in staat om deze idiote actie te ondernemen. 90% waren zelf jonge moeders geweest. Denise keek op haar horloge en zag dat het half vijf was. Normaal gesproken was ze opgelucht als ze extra tijd had als ze ergens onverwachts naar toe moest, maar vandaag was het anders. Ze besloot dat het nooit ging lukken als ze op de fiets naar de kinderboerderij zou moeten. Het was te afgelegen. Te gevaarlijk. Ze lachte in gedachte. ‘Gevaarlijk, alsof het nu allemaal zo lekker veilig is.’ Zelf had ze geen auto, maar haar vriendin Kim had vaak genoeg aangeboden dat ze de auto kon lenen. ‘Die ene is toch een leasebak van de baas en verder hebben we onze eigen Megane. De laatste kan je altijd gebruiken hoor.’ Denise besloot haar vriendin te bellen. Nooit was ze eerder op het voorstel ingegaan. Haar vader had altijd de wijsheid meegegeven: ‘Leen nooit de auto of de partner van een goede vriend. Het is gedoemd om mis te gaan’.
Denise pakte het telefoontoestel en drukte een knop een paar keer in totdat de naam Kim Mulder in de display tevoorschijn kwam. Ze nogmaals een knop in en bracht het toestel naar haar oor. Aan de andere kant van de lijn ging het toestel een paar keer over. Na een derde keer werd er opgenomen.
‘Kim hier!’ zei een uitbundige stem.
‘Ha Kim, met Denise.’
‘Hey ‘Nise! Ik zag je naam al in het scherm staan. Alles goed?’
‘Bijna wel,’ zei ze.
‘Hoezo bijna?’
‘Ik moet vanavond om zeven uur ergens zijn’.
‘Leuk! Zal ik voor je rijden?’ Kim wist dat Denise een hekel aan autorijden had.
‘Nee, ik moet zelf. Alleen.’
‘Oh, maar zeg dan meteen dat ik op Dylan moet passen! Dat is toch geen probleem? Met veel plezier zelfs!’ ratelde de stem van Kim door.
‘Nee, Nee. Ik neem Dylan mee,‘ loog ze.
‘Oh? Alleen jullie twee?’
‘Ja, gewoon wij tweetjes. Ik kom naar jou toe, haal de auto op en neem daarna Dylan mee.’
Aan de andere kant van de lijn was het stil, totdat ze de stem hoorde zeggen: ‘Okay, dat is goed. Hoe laat kom je hierheen?’
‘Ik kom zo op de fiets naar je toe.’
‘Doe niet zo gek, ik breng de auto wel naar jullie toe.’
‘Nee, dat is niet nodig!’ reageerde ze snel en zeker te fel.
‘Oh, okay,’ klonk de stem verbaasd. ‘Wat jij wilt.’
Zonder nog verder een antwoord te geven of het gesprek af te ronden verbrak Denise de verbinding.
Hopeloos ging ze weer zitten, ‘ik heb het verpest,’ dacht ze. ‘Kim gelooft nooit dat ik eerst naar haar fiets en vervolgens naar huis ga om Dylan op te halen.’

Grappig als je denkt dat de mensen jouw gedachtegang doorzien. Het lijkt dat de mensen helemaal niet altijd alert zijn als het om jouw gedrag gaat. Ze gaan er niet meteen van uit dat je iets in je schild voert. Zeker niet als het een vriend betreft. Het plaatsen van vraagtekens bij of in bepaalde situaties doet iedereen wel eens, maar ook zij zijn mensen met hun eigen eigenaardige gedachten en zien het gedrag als iets dat er bij hoort.

Om zes uur kwam Denise op haar fiets aan bij Kim. Ze kon de auto zonder vragen meenemen.
‘Wel de tank bijvullen, voordat je terugkomt,’ zei Kim met een brede lach.
‘Natuurlijk,’ riep Denise toen ze de autosleutels in het contactslot omdraaide. Ze gaf gas en reed de straat uit, richting kinderboerderij.
Het was veel te vroeg. Denise stond met de auto op de parkeerplaats bij het aangelegde bos. Ze zat achter het stuur van de Megane en keek naar de tijd op haar horloge en die op het dashboard. Beiden gaven aan dat het twee minuten over half zeven was. Ze keek over de parkeerplaats en zag niets bijzondders. Ze keek, maar zag niets. Het werd donkerder en haar gedachten waren bij Dylan. Haar zoon van 5 jaar. Vijf jaar geleden hield ze hem voor het eerst in haar armen en nooit leek het meer alsof ze een leven zonder hem had gehad. Nu leek dit allemaal teruggedraaid tot voor het moment van zijn geboorte. Denise zag in gedachten zijn gezicht voor haar. Zijn donkerbruine ogen, zijn wipneus (die hij van zijn vader had), zijn krullend haar en voor een kort moment hoorde ze zijn schaterlach. Tranen trokken een lijn over haar wangen. Met de rug van haar hand veegde ze deze weg. Ze draaide de autosleutels om en haalde deze uit het contactslot. Haar schoudertas stak ze onder haar arm en verliet de auto. Ze drukte in de autosleutel en het knipperen van de autolichten en het klikgeluid van de sloten gaven haar de bevestiging dat de auto nu op slot was. Ze keek over het parkeerterrein en zag niets bijzonders. De schoudertas hing ze nu over haar rechterschouder en liep in rustige, grote stappen richting de kinderboerderij. Toen ze bij de ingang van het bos aankwam begon het lichtjes te regenen.
Het akelige gevoel was nog steeds aanwezig en ze keek nog een laatste keer over het parkeerterrein. Nog steeds zag ze niets bijzonders of verdachts. Ze draaide zich om, om het bos in te gaan. Ze voelde haar hartslag in haar hoofd en haar slapen deden pijn. De vorige keer had ze deze plek in een totaal andere stemming bezocht. Het was tijdens een verjaardagspartijtje van een klasgenootje van Dylan.
Haar schoenen zakte diep weg in de zanderige grond bij iedere stap die ze nam. Door de regen ontstond er een drassig wandelpad. Na 50 meter kwam ze aan bij het hek van de kinderboerderij. Even leek het of ze achter een boom een gestalte zag staan. Toen ze haar ogen samenkneep en probeerde te focussen op de figuur was deze weg, maar vanuit haar ooghoeken zag ze weer iets bewegen. Ze draaide haar hoofd in de richting van waar ze dacht iets te zien bewegen, maar zag nu verder niets meer dan alleen maar bomen en struiken. Haar hart sloeg over toen ze in de verte een pauw hoorde schreeuwen in de buurt van de kinderboerderij.
Ze dacht er over om Martin, de broer van Robin te bellen. Hij was rechercheur bij de politie en zag hem meer als een familielid dan als een officiële instantie. Ze liet deze gedachte varen. Ze had ze zijn nummer niet en ze kon toch niet bellen. Haar handen trilden van de kou en zenuwen. Het lukte haar niet de komende minuten om deze stil te houden. Ze liep verder naar het gedeelte waar overdag kinderen vrolijk tussen de dieren lopen. Ze liep voorbij de volières waar diverse semi-exotische vogels opvlogen door haar bezoek. Via de hokken, bewoond door de konijnen en cavia’s die daar vaak door jonge gezinnen werden achtergelaten, kwam ze aan bij het gebouw waar de iets grotere dieren overnachten.
De lucht werd nu donkerder en een zwakke verlichting van een licht gehavende buitenlamp aan de wand tussen twee deuren van het dierenverblijf gaf haar voldoende licht om enigszins nog iets te kunnen onderscheiden. De diverse geluiden van de dieren hielden haar alert. Het gemekker van een geit of een knor van het grote varken dat de naam Junior van de plaatselijke bevolking had gekregen. Een van de deuren van het grote dierenverblijf was half geopend. De deur bestond uit twee delen, waarvan het bovenste deel half geopend was. Toen ze het bovenste deel helemaal naar achteren opende om meer licht van de verlichting te krijgen zag ze een bruine A4 enveloppe op een spijker gehaakt op het bovenste deel van deur. Op de enveloppe stond in hoofdletters ‘VOOR DENISE’. Weer keek ze achterom om te zien of iemand naar haar keek. Zelf had ze niet het gevoel dat ze bekeken werd, maar de wetenschap dat achter alleen maar zwarte ruimte bestond maakte haar heel angstig. Ze draaide haar hoofd langzaam naar de grote enveloppe. Met trillende handen trok ze de stevige, zware enveloppe van de spijker. Haar handen bleven trillen en de koude vingers probeerden met moeite de enveloppe te openen. Het voelde zwaar aan. ‘Er moet meer dan alleen een briefje in zitten,’ dacht ze. Ze draaide de opening van de enveloppe naar de verlichting toe en keek in de enveloppe. Ze zag een metaalachtig voorwerp in de enveloppe verschuiven, samen met het zelfde soort kaartje wat eerder bij haar thuis aan de telefoon bevestigd was. Ze stak haar hand in de enveloppe en ze wist nu ook wat er in de enveloppe lag. Een slagersmes.
‘Vast niet eentje van de Blokker,’ mompelde ze.
Voorzichtig kromde ze haar koude vingers om het lemmet en nam het mes uit de enveloppe. Het mes had een lengte van 20 centimeters. Ze klemde de enveloppe onder haar arm en met haar linkerhand haalde ze het kaartje uit de enveloppe. In het zelfde schrift als op het eerste kaartje kon ze de tekst in het zwakke licht van de buitenlamp lezen.

‘HET BESLISSEN OVER LEVEN EN DOOD IS ALLEEN AAN GOD. VANDAAG MAG JE GOD ZIJN. DE KEUZE IS AAN JOU. LAAT HET VARKEN LEVEN EN DYLAN STERFT. DOOD JIJ HET BEEST DAN BLIJFT JOUW ZOON LEVEN. GEBRUIK HET VOORWERP IN DE ENVELOPPE. VOOR MIDDERNACHT MOET JE HET VARKEN LEVENLOOS ACHTERLATEN. GEBEURT DIT NIET DAN VIND JE DYLAN NOOIT MEER TERUG.’

Denise nam de tekst nogmaals door. Diverse gedachten schoten er door haar hoofd. Haar eerste gedachte was dat ze het varken de keel door ging snijden, wat ze meteen tegensprak, omdat het allemaal pure waanzin was. Ze stak de enveloppe in haar tas en deed een stap naar voren. Voorzichtig keek ze over het onderste deel van de deur. Hierachter moest het varken liggen slapen. De ammoniakgeur van modder, urine en uitwerpselen vulde haar neusgaten. Meteen had ze de gedachten weer op een rij. Er was geen twijfel meer in haar hoofd over haar keuze. Ze verstevigde de greep om het lemmet en zocht met haar linkerhand naar een slot of hendel om de deur te openen. Ze vond niets en geïrriteerd besloot ze dan maar over het onderste deel van de deur te klimmen. Ze legde haar tas tegen het houten gebouw op de grond en sloeg haar rechterbeen over de deur. Met een sprongetje zat ze met haar volle 66 kilo’s aan gewicht op de deur. Ze leunde naar rechts en trok nu haar linkerbeen over de deur. Ze zette zich af en stond aan de binnenzijde van het varkenshok. Het varken liet hierdoor een kort gesnurk los, maar bleef verder gewoon liggen. Denise voelde dat ze diep in de drab stond. Ze moest kracht uitoefenen om een stap in de richting van het grote beest te nemen. Een soppend geluid vulde het vertrek toen ze haar linkervoet uit de modder trok. Het varken schrok op en stond binnen enkele seconden op zijn poten. Het liet een onaangenaam geknor horen. Denise’s ogen wenden sneller aan het donker dan haar neus aan de sterke, penetrante geur. Na een tijd kon ze de muren in het vertrek waarnemen. Ze zag diepte en afstand. Links van haar stond het stinkende dier. Het was enorm groot en leek met gemak een kleine 100 kilo te wegen. Denise balanceerde om haar rechtervoet uit de moddervloer te halen. Weer verstevigde ze haar grip om het mes en liep moeizaam naar het varken. De stank leek heftiger te worden en tot aan een halve meter voor het dier bleef ze stilstaan. Ze boog langzaam voorover en liet haar handen op het dier rusten. Ze voelde de warmte van het varken. Ze kon de stank via haar mond proeven en kokhalsde. Het dier leek het contact met de handen aangenaam te vinden en Denise deed een stapje dichterbij. Langzaam liet ze zich zakken tot ze met haar borst op het lichaam van het dier rustte. Langzaam legde ze haar rechterarm om de hals van het varken. Met haar linkerhand aaide ze het beest achter het oor. Met een ferme haal plaatste ze het mes in de keel van het varken. Ze schrok hevig van de reactie van het dier. Het wilde steigeren en het schreeuwde hevig. Verstijfd van de schrik liet Denise het mes los. Het varken rende nu met het mes nog in de keel door het hok. Het gekrijs bleef en was oorverdovend. Totaal van slag stond Denise met de handen over haar oren. Ze nam een stap richting het dier, maar verloor haar evenwicht en viel voorover. Op tijd kon ze haar val breken, maar ze zat onder de modder. Ze stond op en schreeuwde alle frustratie van de afgelopen uren uit haar lichaam. Haar longen en keel deden er zeer van. Het verwonde dier bleef om haar heen rennen. Met een onsierlijke sprong lukte het haar om half over het varken te hangen. Ze sloeg weer haar rechterarm om de hals van het dier en liet zich achter het dier aanslepen. Ze pakte het lemmet dat uit de keel stak en met een laatste ferme haal voelde ze het scherpe mes door de keel van het dier gaan. Haar verkleumde handen werden door het warme bloed verwarmd. Het gekrijs werd voor een kort moment luider en hield daarna op. Uiteindelijk viel het uitgeputte dier neer. Denise stond zwaar hijgend op en ruste voorovergebogen met haar handpalmen op haar knieën. Alleen zwaar gehijg was nog in het dierenverblijf te horen. Gehijg van Denise en van het varken. Na een tijd alleen het gehijg van Denise. Het dier had de laatste adem uitgeblazen.
Zwaar hijgend stond ze op en keek naar het levensloze dier. Zelden had ze zich zo rot gevoeld. Ze wreef het natte vocht van haar voorhoofd. Het kon haar niet meer schelen of het zweet, modder, bloed of stront was. Ze boog voorover, pakte het mes en liep naar de opening van het varkenshok. Vermoeid sloeg ze een been over de halve deur en klom er overheen. Ze pakte haar tas van de grond, stopte het mes er in en liep door de regen richting de parkeerplaats. Bij de blauwe Megane aangekomen was ze zich door de natte, vuile en stinkende kleren bewust dat ze nu niet in de auto kon stappen. Ze begon aanhoudend te huilen. Het snot liep uit haar neus toen ze besloot naar huis te lopen. Snikkend veegde ze met de rug van hand haar gezicht schoon en liep naar huis.

Uitgeput kwam ze thuis en liep meteen door naar de badkamer. In de wit betegelde ruimte stapte ze uit de kleren, gooide ze haar kleding in het bad en liet de kraan lopen. Het water kleurde donkerroze door de met modder en bloed doordrenkte kleding. Ze deed er wat koud water bij en nadat de kleding onder water lag, draaide ze de kraan dicht. Ze stapte nu zelf in de douchecabine en vervolgens onder de straal. Het water spoelde haar schoon.
Na het douchen gooide ze op zolder de vuile kleding in de wasmachine en liep daarna in haar oude joggingbroek en sweater naar de keuken op de begane grond. Ze was toe aan wijn. Ze bond haar vochtig haar in een staart, pakte een plak kaas uit de koelkast, stopte het in haar mond, ze nam een glas uit het keukenkastje en een fles uit het wijnrek. Uitgeput plofte ze zich neer op de bank en opende de fles. Met opgetrokken benen nam ze plaats op de bank. Met de afstandsbediening deed ze de TV aan, de beelden kwamen voorbij, maar ze zag niets. Ze nam de pasfoto van Dylan uit haar portemonnee en keek minutenlang naar zijn gezicht. De foto was genomen in de tijd dat hij net zijn tanden aan het wisselen was. Ze voelde de liefde in haar hart stromen toen ze zich zijn tandloze lach op de kleine foto zag. Ze dronk het glas in één keer leeg en schonk het glas nog eens vol. Honderden gedachten schoten door haar hoofd, zonder dat ze echt kon nadenken. Na een vierde glas vertrok ze met benevelde gedachten naar boven om de komende nacht zonder dromen onrustig te slapen.

Zaterdag

De volgende ochtend werd ze onrustig wakker. De onaangename, sterke gewaarwording voelde ze in bijna elke spier van haar lichaam. ‘Dat wordt nog wat aan het einde van deze dag,’ verzuchtte ze. Met pijn in haar lichaam stond ze langzaam op en liep naar de slaapkamer van Dylan. Alles zag er nog zo uit als gisteren. Toch had ze een ongemakkelijk gevoel toen ze in de kamer stond. Haar ogen gleden over de muur naar de kleurrijke krassen van Dylan, die als 3-jarige peuter op de muur een kunstwerk achterliet. Op die jonge leeftijd vond hij het nodig om zijn eigen graffiti van rode, blauwe, groene en gele strepen achter te laten. Dylan’s vader zou vlak na deze kunstuiting van hun zoon overlijden. Ze glimlachte en genoot van de herinnering van het moment dat ze twee jaar geleden het gekras op de muur hadden ontdekt. Robin vond het juist wel komisch. Denise totaal niet en wilde Dylan hier streng op aanspreken, maar Robin had gezegd dat het heel normaal was. Hij maakte de opmerking dat ze een lijst om de eerste muurschildering van hun zoon moesten maken. Ze had Dylan toen maar gezegd dat het een beter idee was als hij voortaan gewoon om tekenpapier zou vragen. Na het ongeval van Robin was ze er niet meer aan toegekomen om de kamer opnieuw te behangen en eerlijk gezegd wilde ze het nu ook niet meer. Dat die paar bonte krassen nu een extra betekenis hebben gekregen was haar duidelijk. Ze zag een tweetal pluche dieren op de vloer naast het bed liggen. Ze wilde ze van de vloer oprapen, maar bedacht dat ze beter kon kijken of er nog een emailbericht was binnengekomen. Ze liep naar Robin’s oude werkkamer om de computer op te starten. Als Denise de moeite had genomen om de pluchen dieren op te rapen had ze wellicht het gezicht van de indringer onder het bed gezien.

De computer zoemde af en toe onderbroken door een luid gepiep. Het was een oud exemplaar, maar het werkte nog goed. Ze gebruikte het apparaat alleen voor internet, e-mail en telebankieren. Nadat ze het Microsoftlogo in het scherm kreeg, reutelde de computer voor een korte tijd verder. Ze keek naar buiten. Op straat kwam deze zaterdagmorgen het één en ander langzaam in beweging. De buren van een paar huizen verderop zag ze met lege boodschappenkratjes naar de zilverkleurige Skoda lopen. De buurman aan de overkant liep met zijn poedel terug naar huis. Een laatste luide piep van de computer gaf aan dat deze nu helemaal opgestart was. Ze liep naar het bureau en pakte de muis. Ze klikte een paar keer en las een nieuw emailbericht van de persoon die zichzelf sinds gisteren Dylan’s Keeper noemde.

‘Beste Denise,

Gefeliciteerd! Hoe voelt het om God te spelen? Jouw actie van gisteravond zal hoogstwaarschijnlijk in de krant komen te staan. Of op het internet. Natuurlijk wordt jouw daad als onmenselijk omschreven, maar men is natuurlijk niet op de hoogte van jouw reden om deze misselijke actie te ondernemen. Jouw keuze was natuurlijk al snel gemaakt. Toch?
Het slagen van jouw eerste opdracht heeft me nieuwsgierig gemaakt. Hoe ver ga jij om het leven van Dylan te redden? Vanavond staat er weer genoeg actie op stapel. Ben je er klaar voor? Kom vanavond rond de klok van 11 uur naar de begraafplaats in het oude centrum. Ik denk dat jij wel weet waar je de volgende opdracht kunt vinden.

Met de aller, aller-vriendelijkste groet,
Dylan’s Keeper.’

Denise printte het bericht uit. Ze wist waar ze vanavond heen moest. Het graf van Robin. Dylan’s vader. De eerste weken na het overlijden van Robin kwam ze dagelijks bij zijn graf. Na een paar maanden iedere week en uiteindelijk na een jaar bezocht ze het graf maandelijks. Nog steeds. Het idee dat nu Robin ook een rol ging spelen gaf haar een dubbel gevoel. Troost en onzekerheid. Ze griste het A4’tje van de printer. Ze las het bericht nogmaals en liep al lezend de trap af naar beneden.

Wat staat me in Godsnaam verder nog te wachten en wat heeft Robin hier mee te maken, dacht ze. Ze opende de deur naar de woonkamer en Denise werd met stomheid geslagen. Over haar hele lijf kippenvel. De woonkamervloer was bezaaid met foto’s van Dylan en Robin. Dylan alleen of met Robin samen. Er zaten ook foto’s van Robin alleen bij. De twee mannen, haar grootste liefdes keken haar vanaf de grond vanuit de foto’s naar haar. Als een nieuw tapijt bedekten de foto’s de laminaatvloer. Ze ging op haar hurken zitten om de foto’s beter te bekijken. Een paar foto’s vlogen hierdoor weg. Ze was er zeker van dat ze dit niet lang meer kon volhouden. Iemand moest vannacht in haar huis zijn geweest terwijl zij boven lag te slapen. Het suizen in haar oren klonk luider. Toen niets meer. Denise was flauwgevallen.

Het geklepper van de brievenbus wekte haar. De post viel op de mat en langzaam kwam Denise overeind uit de stapel foto’s. Ze keek naar de klok aan de wand en zag dat het 12 uur was geweest. Ze had de hele ochtend op de woonkamervloer gelegen. Ze krabbelde op en liep naar de keuken voor een glas water. Eerst checkte ze of de keukendeur afgesloten was en voor alle zekerheid deed ze de voordeur op slot. Terug in de keuken opende ze de kraan en zag dat het buiten regende. Druilerig. Ze dacht aan waar ze vanavond werd verwacht, gooide met enige twijfel het glas water leeg en schonk zichzelf een glas wijn in. ‘Ik denk dat ik nu beter even wat slaap kan pakken om vanavond iets fitter te zijn,’ zei ze tegen niemand. In één teug sloeg ze de inhoud van het glas achterover en liep naar boven om te slapen. Toen ze op haar rug op het bed lag en naar het plafond staarde, zonk ze langzaam weg in een droomloze slaap.

Ze werd gewekt door de wekker en een kleine glimlach stond op haar gezicht. Ze kreeg hierdoor een schuldgevoel, maar de lach was niet om de pijnlijke, vermoeiende situatie met Dylan, maar omdat ze voelde dat het allemaal goed ging komen. Een blik op de wekker gaf 9 uur aan. Ze had nog twee uur te gaan voordat ze op het kerkhof werd verwacht. Met spierpijn in heel haar lichaam liep ze naar de badkamer. Ze miste haar zoon, maar ze wist dat ze hem na vandaag weer in haar armen kon houden. Ze draaide de kraan open en later stond ze onder de straal. Ze nam de tijd. De straal gaf een had en kalmerende werking. Na het douchen trok ze haar meest comfortabele kleren aan. Beneden nam ze een appel en liep naar buiten, naar het centrum van de stad.

Hoewel de wind en de aanhoudende regen de wandeling onaangenaam zouden moeten maken had Denise rekening gehouden met het weer. Ze had haar winterjas vanavond van zolder gehaald. Na een klein half uur kwam ze aan bij de ingang van het kerkhof. Overdag gaf deze plek haar rust en troost, maar op dit moment sloeg haar hart in de keel. Ze probeerde het grote smeedijzeren hek te openen, maar deze kwam niet in beweging. Ze deed een paar stappen achteruit om te zien of er ergens anders een opening te vinden was, maar de stenen muur was massief. Denise besloot een paar meter naar links te lopen, het stond haar bij dat de muur na een paar tientallen meters overging in heg of hekwerk. Ze begon sneller te lopen en na honderd meter zag ze dat de muur daadwerkelijk overging in een heg met hierin een gaas verwerkt. Denise liep door tot ze op een plek kwam die het minst door de straatbelichting werd verlicht. Ze keek snel naar links en naar rechts en toen ze dacht dat niemand haar zag plaatste ze haar handen boven haar hoofd in het gaashek en trok zich op. Na een paar snelle klimbewegingen was ze bovenop het hekwerk gekomen. Voorzichtig het prikkeldraad ontwijkend wierp ze haar rechterbeen over het hek. Helaas voor haar waren haar benen iets te kort. Ze bleef met haar linkerbroekspijp in het prikkeldraad hangen. Denise zuchtte, maar liet zich nu door niets of niemand meer tegenhouden. Met een ferme ruk kwam haar linker broekspijp los. Door de kracht van de ruk kwam al haar gewicht aan de andere kant van hek waardoor ze naar beneden viel. Ze viel met haar rug op de natte mosgrond waardoor ze even geen adem kon halen. Na een paar pogingen zogen haar longen zich vol met zuurstof waardoor Denise een hoestbui kreeg. Ze inspecteerde haar broekspijp en zag dat er een grote scheur in zat.
‘En ik maar denken dat een duur merk meer kwaliteit had,’ zei ze zacht en bedacht dat niet een duur merk tegen prikkeldraad was bestand.
Het was gestopt met regenen. Ze stond op en vroeg zich af waar ze precies was. Normaal kwam ze op het kerkhof door de hoofdingang. Ze wist dat ze het hele kerkhof moest overlopen om bij het graf van Robin te komen. Ze aarzelde niet langer en met flinke stappen liep ze langs alle graven. Het kerkhof zag er onvriendelijk uit. Niet dat ze ooit had gedacht dat er ooit een pretparksfeer op een begraafplaats te vinden was, maar door de maan beschenen glom alles wat nat was geregend. Het leek als een ouderwetse griezelfilm. Ze liep nu over het oudste gedeelte van deze plek. Denise huiverde en versnelde haar pas.
‘Geen nare dingen bedenken,’ riep ze zich herhaaldelijk toe. Na vijf minuten kwam ze aan bij het gedeelte waar het graf van Robin was. Ze ging langzamer lopen en zocht nu naar details. Ze herkende deze plek, ondanks dat het nu nacht was. Verderop stond de grafsteen van Robin. Ze deed twee sprongetjes tijdens het lopen en hierdoor kon ze de plek van het graf zien. Ze zag ook meteen dat er een enveloppe, bezwaard met een kei, bovenop het graf lag.
Denise zag aan de enveloppe dat er weer meer dan alleen een briefje in moest zitten. Ze ging naast het graf staan en pakte de enveloppe. Ze voelde aan de enveloppe dat er iets in zat. Een schepje. Ze sloot haar ogen en zuchtte diep, scheurde de rechterkant van de enveloppe open en zag de inhoud. Haar vermoeden werd bevestigd. Een tuinschepje. ‘Ze willen me gewoon laten graven,’ zei ze verontwaardigd. Ze haalde het kleine gereedschap uit de enveloppe en liet deze op de grond vallen. Ze opende de enveloppe verder en haalde het kaartje tevoorschijn.

‘HET BESLISSEN OVER HERRIJZENIS OF DOOD BLIJVEN IS ALLEEN AAN GOD. MAAK JEZELF GEEN ILLUSIES. ROBIN BLIJFT WAAR HIJ IS. DE SLEUTEL VAN JE OPDRACHT VIND JE BOVEN HET HOOFD VAN, DE HELAAS TE VROEG OVERLEDEN, ROBIN. GEBRUIK HET VOORWERP IN DE ENVELOPPE. VOOR MIDDERNACHT MOETEN JE OPDRACHTEN VOLTOOID ZIJN. GEBEURT DIT NIET DAN BLIJFT DYLAN WAAR HIJ IS. DIT IS JE OPDRACHT. CAN YOU DIG IT?’

Voordat Denise het kaartje had gelezen wist ze al wat haar te wachten stond. Can you dig it eindigde de tekst. Natuurlijk wist ze dat ze moest graven. Met gestrekte benen pakte ze het tuinschepje in haar rechterhand en schatte in waar het hoofd van Robin moest liggen. Ze voelde zich vernederd en heel ongelukkig. Ze stak het schepje in de grond en begon met graven. Na een paar minuten voelde ze de zeurderige pijn in haar rug. Ze zakte door de knieën. De spieren in haar bovenbenen protesteerden, maar liet zich toch in het natte, modderige zand zakken. Ze ging door met graven. Het gegraven gat had een doorsnee van 30 centimeter, maar was nog niet eens 20 centimeter diep. Haar knieën voelde koud en het vocht trok in haar spijkerbroek. In gedachte had ze een gesprek met Robin. Ze verweet hem dat hij er nu niet was. Dat hij nooit bij de diploma-uitreiking van Dylan aanwezig kon zijn. Als hij niet dood was, was ze nu ook niet alleen. Op een kerkhof. Verwijtend, huilend en vloekend ging ze door met graven tot het houten handvat van de tuinschep afbrak. Een luide vloek galmde over het kerkhof en Denise gooide het kapotte schepje aan de kant en begon met haar handen te graven. Als een kind in de zandbak zat ze op haar knieën. Ze stopte even om op adem te komen. Ze veegde met haar arm het nat van haar voorhoofd, maar haar mouwen waren vochtig van regen en modder zodat haar voorhoofd er nat en nu ook vies en modderig was. Ze wilde verzitten, verloor haar evenwicht en viel zijdelings op het graf van Robin. Ze voelde zich enorm eenzaam en verlaten. Ze lag op de grond te huilen. Ze ging verder met graven en toen ze een gat van ongeveer 40 centimeter diep had gegraven voelde ze iets hards. Het was een hoek van een plastic voorwerp. Met haar handen groef ze nu sneller en ging met haar vingers door het zand en over het plastic. Al snel had ze het geval in haar handen. Het was een luxe lunchtrommel. Ze schudde het heen en weer en hoorde dat er dingen in zaten. Ze veegde haar handen af aan haar broek en opende de lunchtrommel. Ze voelde dat er een zaklantaarn in zat. Ze legde het trommeltje op de grond en pakte de zaklantaarn eruit. Ze draaide het bovenste gedeelte naar links en het apparaat gaf een zwak licht af. Ze scheen het licht in de oranje lunchtrommel en zag een sleutel liggen en nog een kaartje. Ze pakte het vast en las zachtjes hardop.

‘GEFELICITEERD. DIEP GRAVEN GEEFT JE DE SLEUTEL. DEZE GEEFT TOEGANG TOT EEN KISTJE. HIERVOOR MOET JE HET ECHTER HOGER ZOEKEN. GA NAAR DE WESTERLIJKE KANT VAN DE KERK. HIER VIND JE EEN WEG NAAR BOVEN EN NAAR HET KISTJE. VOOR ALLE DUIDELIJKHEID: VOOR MIDDERNACHT MOETEN JE OPDRACHTEN VOLTOOID ZIJN. GEBEURT DIT NIET DAN VIND JE DYLAN NIET TERUG.’

Ze gooide de zaklantaarn in het trommeltje en veegde met haar arm het opgegraven zand terug in de kuil. Ze stond op, stampte het zand snel en achteloos aan en nam het trommeltje in haar handen. Ze liep weg van het graf en keek niet meer om. Ze keek naar de tekst op het kaartje zonder te lezen en liep naar de kerk naast het kerkhof. Ze probeerde te achterhalen wat de westzijde van kerk was, maar hoefde zich hier niet druk over te maken, want ze zag de ladder al tegen het gebouw staan.

Onder aan de ladder keek ze omhoog. De ladder reikte tot aan de dakrand. Een kleine 4 meter boven haar. Sinds haar jeugd had ze last van hoogtevrees. Denise haalde diep adem en pakte met beide handen de ladder. Ze zette haar rechter voet op de onderste laddersport en begon langzaam aan haar klim naar het dak. Haar blik bleef gefocust op de dakrand, aan het einde van de ladder. Het viel haar wel mee en eenmaal bij het dak aangekomen klom ze langzaam het dak op. Het was schuin, nat en glad. Ze keek links en rechts, op zoek naar het geldkistje. Ze zag in eerste instantie niet iets vreemds of opvallends en besloot verder schuin omhoog te klimmen, richting de kerktoren. Toen ze dichterbij de toren kwam zag ze uiteindelijk een touw hangen aan de toren. Deze was bovenaan bevestigd en bungelde naar beneden tot een meter boven het schuine dak waar ze op stond. Op handen en voeten kroop ze richting het slingerende touw. Op haar hurken balanceerde ze op de middenrand van het dak. Aan beide kanten liep het dak af naar een donkere diepte. Ze reikte met trillende armen naar het touw, kreeg het te pakken en trok zichzelf er naar toe. Met het touw in haar handen geklemd stond ze tegen de kerktoren aangedrukt. Ze bekeek de omgeving. Ten westen van haar zag ze het kerkhof. De diverse graven werden nog steeds spookachtig belicht en in het oosten zag ze de verlichting aan de gevels in de winkelstraten. Ze wierp een blik omhoog en 3 meter boven het dak zag ze het kistje boven in het touw bungelen. Ze trilde. Niet van de kou, maar van angst. Ze bleef minuten lang naar het kistje aan het touw kijken en bedacht dat ze het nooit voor elkaar zou krijgen om in het touw te klimmen.

In de verte hoorde ze een andere kerktoren slaan. Alsof dit een startschot was kwam Denise in beweging. Beetje bij beetje stond ze rechtop. Ze zette haar voet tegen de stenen muur en begon in het touw te klimmen. Af en toe keek ze door de spleten van haar dichtgeknepen ogen. Ze was een halve meter hoog geklommen. Ze bungelde boven het dak, haar voeten zochten grip tegen de bakstenen kerktoren en haar handen deden zeer van het krampachtig vasthouden. Met haar laatste krachten en wanhoop bereikte ze de afstand om het kistje te kunnen pakken. Ze reikte er naar en verrassend genoeg gaf het meteen mee. Hier had ze niet op gerekend waardoor het kistje uit haar vingers glipte en naar beneden viel. Ze keek naar beneden om het te volgen, maar zag de donkere diepte onder haar. Door de schrik verloor ze haar grip op het touw en kwam met een klap met haar linker zij op het dak terecht. Even leek ze naar beneden te glijden, maar greep zich vast aan de middenrand. Ze keek achterom en zag het geldkistje in de dakgoot liggen. Nog geen meter van de ladder. Ze wilde zich langzaam naar beneden laten glijden, maar door de natte ondergrond gleed ze heel snel naar de dakgoot. Haar voeten raakten de regenpijp en als in een instinctieve reactie strekte ze de benen en bleef ze languit op het dak liggen. Even later stapte ze in rustig tempo naar het gedeelte waar de ladder stond, daar zakte ze door de knieën om daarna de benen over de dakrand te steken en via de ladder naar beneden te gaan. Ze steunde met haar ribben op de dakrand, pakte het kistje met haar linkerhand en begon langzaam de ladder af te dwalen.

Beneden aangekomen ging ze op de grond zitten. Ze pakte de zaklantaarn uit de lunchtrommel, draaide deze aan en stak het als een ervaren inbreker in haar mond. Ze nam het sleuteltje uit de plastic trommel en stak deze in het slot van het kleine kistje. Ze was nieuwsgierig naar de inhoud. Ze opende het kistje en wat ze zag had ze de afgelopen dagen al een paar keer gezien. Een kartonnen kaartje met tekst.

‘NU HET JE DE AFGELOPEN DAGEN IS GELUKT OM TE BEWIJZEN DAT JE HEEL VER KUNT GAAN. DAT JE DIEP EN OOK TOT ZEKERE HOOGTE KUNT GAAN, ZIJN DE OPDRACHTEN SUCCESVOL UITGEVOERD. JE VINDT JE ZOON ACHTER HET ALTAAR IN DE KERK WAARVAN JE NET HET DAK HEBT BEKLOMMEN. GEFELICITEERD!’

Ze lachte hardop. Ze stond rap op, liet alle dingen achter en liep naar de ingang van de oude kerk. De oude, hoge deur was niet op slot en zonder na te denken liep ze in versnelde pas naar binnen. Ze opende de volgende deur en liep langs de kerkbanken naar het altaar. Het interieur werd zwak verlicht door lampen die aan de zijkanten waren bevestigd. Ze versnelde haar pas en riep emotioneel de naam van haar zoon. Ze moest haar pas afremmen om bij het altaar te stoppen. Ze keek er achter en alle blijdschap was in een keer omgeslagen naar frustratie en wanhoop. Dylan was er niet. Ze keek nog een keer goed in de omgeving van het altaar, maar het enige dat ze op het altaar vond was de jas van haar zoon en het bekende kartonnen kaartje. Dit keer was de tekst handgeschreven. Ze las het en het ze kreeg het gevoel dat alle ellende van de afgelopen dagen in een moment nog eens over haar werd gestort. De tekst op het kaartje bestond uit enkele woorden.

‘Het is 12 uur geweest. Je bent te laat trut!’

Zondag

Ze lag wakker in bed. Ze had de afgelopen nacht niet geslapen. Ondanks het aanhoudend huilen voelden haar ogen, net als haar mond droog aan. Ze was over haar vermoeidheid heen. Beneden ging de deurbel en ze zat meteen rechtop. Een dof gevoel had plaatsgenomen in haar hoofd en moeizaam stapte ze uit bed. Ze liep naar de slaapkamerdeur, pakte haar ochtendjas van de vaste plek aan de muur en liep naar beneden. Halverwege de trap hoorde ze dat het bellen werd afgewisseld door hard gebonk op de deur. Denise liep door naar de voordeur. Ze zag de mannen in haar achtertuin niet. Ze deed open en een bekend persoon stond voor haar deur. Ze kende hem. Het was Martin, de broer van Robin. Sinds het overlijden van Robin, twee jaar geleden had ze hem maar een enkele keer gesproken. Ze wilde vertellen dat ze afgelopen vrijdag er nog aan had gedacht om hem te bellen, maar hij keek haar zo doordringend aan dat ze alleen nog maar kon vragen wat de reden was van zijn bezoek.
‘Hoi Denise, volgens onze informatie heb je gisteren bij de kinderboerderij een blauwe Megane achtergelaten.’
Shit! dacht ze. Denise was Kim’s auto vergeten terug te halen van de parkeerplaats bij de kinderboerderij. Martin wachtte niet op haar antwoord.
‘Je vriendin, mevrouw Mulder heeft ons verteld dat zij de auto aan jou heeft uitgeleend.’
Ze liet haar hoofd zakken en keek hem even schuldig aan. Agenten stapten langs Martin haar woning binnen. Denise wilde vragen wat ze van plan waren. Martin liet haar een document zien.
‘Een huiszoekingsbevel. We ontvingen een anonieme tip over een vermissing en hierbij werd jouw naam op een meest merkwaardige manier in verband gebracht.’
‘Hoezo merkwaardig?’ vroeg Denise. ‘Een huiszoekingsbevel voor een gedood varken?’ Ze keek haar zwager niet begrijpend aan. Achter haar liepen enkele mannen door haar woonkamer en keuken. Ze werd er onrustig van. Twee mannen liepen naar boven.
Martin keek Denise strak aan. ‘Denise, vertel.. Waar is Dylan?’
Door zijn directe vraag leek het als ze een klap in haar gezicht kreeg. Ze kuchte om wat tijd te rekken en wilde weten waarom hij dat vroeg. Ze greep zich vast aan de deur. Denise was er klaar voor om alles te vertellen. Over haar wanhoop. Over dat ze er aan gedacht had om hem te bellen en ook over de belachelijke opdrachten van de afgelopen dagen. Nog voordat ze iets kon opbiechten werd ze verstoord door twee opgewonden stemmen die van een etage hoger kwamen. Martin stapte naar binnen en liep door naar boven. Denise keek in de tuin, zag daar nog meer mannen staan en deed de voordeur half dicht. Ze liep Martin achterna de trap op. Halverwege de trap zag ze de twee eerdere rechercheurs met een bleek gezicht bij de slaapkamerdeur van Dylan staan. Martin had het huiszoekingsbevel nog in zijn hand en wierp een blik in de slaapkamer. Vervolgens keek hij om naar Denise. Zijn ogen keken haar teleurgesteld en beschuldigend aan. Denise liep de overloop op en duwde hem aan de kant en stond in de kamer. Ze dacht dat haar wereld ging instorten. Alles deed pijn. Een onbeschrijfelijke pijn. Ze kon niet meer ademen door wat ze zag. De kamer was helemaal leeg. De vloer en alle muren waren rood gekleurd van het bloed.

Denise zat in een verhoorkamer. Urenlang was ze overhoord over de afgelopen dagen. Iedere keer vertelde ze opnieuw haar verhaal. Ze had diverse tests moeten ondergaan. Haar verhaal bleek niet overeen te komen met de verklaringen van andere niet genoemde getuigen. Dit maakte haar verhaal ongeloofwaardig.
Martin, de broer van Robin stond op. Ze kon hem niets anders meer vertellen. Hij deed een stap richting de deur en draaide zijn hoofd naar haar om. Hij sloot zijn ogen en keek haar brutaal aan.
‘Weet je? Je hebt het allemaal aan jezelf te danken.’
Ze ging rechtop zitten. ‘Hoezo, heb ik dit allemaal aan mijzelf te danken? Wat heb ík in Godsnaam verkeerd gedaan?’
Martin draaide zich naar haar toe, plaatste zijn handen op de tafel waaraan Denise zat, en keek haar strak aan.
‘Je was te laat, trut.’