Hitte

 

Het is lekker koel in de trein. De afgelopen dagen waren buitengewoon warm. Momenten dat je alleen maar onderuitgezakt in de schaduw wilt liggen, omdat alleen het inhaleren van zuurstof je al te veel energie kost. De twintig minuten durende busrit van Nieuwegein naar Utrecht lijkt een rit door de hel. Het is in de bus waarschijnlijk nog warmer dan het in de hel kan zijn. De airco draait voor niets. Veel kabaal. Totaal geen verfrissing, noch verlichting. Dat is ook aan de medereizigers te zien. Uitgeput en moedeloos kijken we voor ons uit. De natte plekken op ruggen en in oksels negerend.

Nee, in de trein is het prima vertoeven. Lekker fris. Het is heimelijk aangenaam genieten om de fietsers buiten verhit over de fietspaden te zien gaan. Bij het station van Hilversum stappen meerdere reizigers in de trein. Aangenaam verrast ervaren ze de door de airco gekoelde lucht op het lichaam, en met een welgemeende glimlach nemen ze opgelucht plaats. De trein vertrekt en in gedachten ben ik al een kwartier verder op de dag. Aangekomen in Almere. In de achtertuin lommerrijk onder de walnotenboom, genietend van een Radler, een biertje met citroensmaak. Eigenlijk is het allemaal zo slecht nog niet.

Moedervlek

Zo’n twee jaar geleden verkondigde zich uit het niets, en spontaan een moedervlek boven mijn wenkbrauw aan. Toen ik vorige maand het idee had dat het ding groter groeide, verloor ik het vertrouwen in de vlek en besloot ik de huisarts er naar te laten kijken. Een afspraak was snel gemaakt en daarom mocht ik afgelopen woensdagmiddag de huisarts in de huisartsenpost in Almere-Filmwijk met een bezoek vereren.

Ik was al vroeg in de middag van het werk vanuit Nieuwegein vertrokken om in ieder geval op tijd te zijn voor het bezoek dat voor 16:00 uur in Almere was ingepland. Een kwartier van te voren was ik thuis aangekomen. Door het klamme en benauwde weer besloot ik me eerst om te kleden om in ieder geval representatief (in droge kleren) bij de dokter te zijn. Tien voor vier sloot ik de voordeur achter me en liep ik naar de huisartsenpost.

Ruim op tijd melde ik me bij de receptioniste, nadat een zeer boze en chagrijnige meneer zijn ongenoegen had geuit omtrent het lange wachten in het gebouw. Met een bezweet hoofd zei hij met luide stem dat hij het zeer vreemd vond dat de dame achter de balie niet kon vertellen hoe lang hij nog moest wachten. Als er echte medische pilletjes voor vrolijkheid bestaan, dan is deze meneer er zeker aan toe. Wat een bullebak.

Nadat ik nog geen 5 minuten heb zitten wachten werd ik al snel door dokter Betlem opgehaald. Ik mocht plaats nemen. Ze verontschuldigde zich voor het feit dat ik vandaag niet mijn vaste huisarts te spreken kreeg. Ik wimpelde de verontschuldiging weg met de opmerking dat ik vaker een vervanger te spreken krijg, dan mijn eigenlijke huisarts. Je kan er boos om worden, maar ik heb liever dat iemand die mij nog niet kent een onderzoek verleent.

Nadat de dokter de moedervlek letterlijk onder de loep heeft genomen kan ze me geruststellen. De vlek heeft alle eigenschappen van een onschuldige moedervlek. Het heeft niets bedreigends. Dokter Betlem vraagt me of ik de vlek wil laten weghalen en ik reageer hier positief op. De laatste tijd is het ding, in mijn beleving, ook meer aanwezig. Weg ermee! Ik krijg een doorverwijzingsbrief om een afspraak te maken met de dermatoloog en om kwart over vier sta ik weer buiten.

Verdorie

De eindeloze discussie over Zwarte Piet, die al sinds november 2012 bijna iedere maand met gedrevenheid in het nieuws wordt bericht, is -helaas- nog steeds een geliefde bezigheid in Nederland. Ook op 1 juni 2016 wil iedereen zijn of haar mening spuien. Voor- en tegenstanders staan tegenover elkaar en iedere nuance is als Sinterklaas op 6 december: verdwenen. Ik denk dan enigszins weemoedig aan de sinterklaasmomenten van toen. Zonder een schreeuwende discussie. Gemoedelijk, zoals Simon Carmiggelt het zo’n veertig jaar geleden zo mooi kon vertellen.

In de hal van Madame Tussauds’ in de Kalverstraat zat Zwarte Piet gehurkt voor drie zeer kleine jongetjes en vroeg: ‘Kunnen jullie zingen van Sinterklaas kapoentje?’ – ‘Ja, Piet,’ antwoordde een van de drie geïmponeerd. Je kon zien dat hij ervan overtuigd was met de enige echte Zwarte Piet te doen te hebben, terwijl de mensen die eromheen stonden duidelijk zagen dat deze Piet gespeeld werd door een meisje. ‘Nou, zing ’t dan maar,’ zei ze. Ze deed zelfs geen moeite haar sopraan wat neer te drukken. ‘Sinterklaas kapoentje…’ hieven de jongetjes braaf aan.

Het wassen duplicaat van de portier naast de kassa keek onbewogen, maar het origineel bij de deur glimlachte net als wij. Toen het liedje uit was, kregen de jongetjes een handje snoep en verdween Zwarte Piet in het wassenbeeldenspel als enige bewegende attractie tussen de verstarde groten der aarde. De jongetjes maakten zich met hun buit uit de voeten en de toeschouwers voegden zich in de rijen der winkelende Amsterdammers.

Ik liep tegelijk op met een oude man, die niet veel meer te winkelen had. ‘Het Was een meisje,’ zei hij tegen me. ‘Ja, dat hoorde ik ook,’ antwoordde ik. Hij glimlachte. ‘Ik heb laatst een vrouwelijke Sinterklaas gezien,’ zei hij. ‘Een lachertje. Voor mij tenminste. Maar voor de kinderen niet. Als je klein bent, geloof je wat je geloven wilt. Nou ja, als je groot bent ook. Maar dan gaat het om andere dingen.’

Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd. 1920. Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort. En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet, waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een liedje, waar hij om vroeg.

‘Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk,’ zei de oude man. ‘Tegenwoordig hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de tv. Maar toen… Wanneer was het?’ Hij dacht even na. ‘De winter van 1915,’ vervolgde hij. ‘Ja, ik was toen zes. En m’n broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in Amsterdam. En we hadden ’t niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes riep ik: ‘Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent.’ Maar toch was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Mijn moeder heeft me later verteld hoe we daar binnenkwamen. Als je voor minstens ’n gulden kocht, mocht één van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven. En dan kreeg zo’n kind een presentje.’

Hij keek me van opzij aan. ‘Een presentje,’ zei hij. ‘Een afgestorven woord. Net als versnapering. Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en zomen. Dat kostte net genoeg voor zo’n heilige kassabon. Mijn broertje van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje kreeg. En zo’n kleurboekje van één cent. Dat bestond toen – iets van één cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder meegemaakt. ‘En?’ vroeg mijn moeder, ‘heeft Sinterklaas nog iets gezegd?’ Hij knikte, en op een eerbiedige toon antwoordde hij: ‘Ja, moe. Hij zei: ‘Verdorie, wat ’n rij nog.’

Op weg

Dinsdagavond. Wederom reis ik vanaf Utrecht Centraal met een kleine omweg via station Amsterdam Duivendrecht naar huis. Onderweg naar Almere stopt de trein in Weesp. Een jonge vrouw met een vriendelijk en vooral lief gezichtje stapt in. ‘Reist u tot Almere Centrum of verder?’ hoor ik haar aan andere reizigers in de trein vragen. Ontkennend gemompel is het repliek van mijn medereizigers.

De mevrouw kijkt mij nu vriendelijk, bijna verlegen, aan en herhaalt haar eerder gestelde vraag. Ik antwoord dat ik zeker tot Almere Centrum in de trein zit. Het blije gezichtje wordt nog vrolijker. ‘Mag ik met u meereizen?’vraagt ze me. ‘Ik heb een meereiskaartje, maar de persoon met wie ik vanmorgen mee op reis was, kon vanmiddag een trein eerder nemen.’ Ze kijkt erbij alsof ze zich verontschuldigt voor haar pech. ‘Natuurlijk,’ zeg ik, en ik vertel haar dat ze tot Almere Centrum met me mee kan reizen.

Ze lacht, bedankt me en gaat schuin tegenover me zitten. Ze kijkt me nog even glimlachend aan, maar al snel verlies ik het qua aandacht van haar mobiele telefoon. Wanneer de trein meerdere stations heeft aangedaan, stopt deze nu ook op Almere Centrum. We stappen beiden uit de trein. Voordat we bij de poortjes aankomen kijkt ze me nog even vriendelijk aan. Ik wens haar een fijne avond en ze kijkt een laatste keer glimlachend om.

Verderop in de stationshal staat een blonde vrouw heel moeilijk op haar mobiele telefoon te kijken. Ze kijkt me een beetje hopeloos aan. Ik glimlach terug. Opgelucht stelt ze de vraag: ‘Excuse me sir, can you tell me where I can find the bus stations?’ Het Engels met zeer zware Z-klanken onthult dat de vrouw -naar mijn mening, in het oosten van Europa is opgegroeid. Ik leg haar uit dat het busstation buiten is en ik wijs naar de uitgang aan de westzijde van de stationshal. Opgelucht en in versnelde pas loopt ze naar de bushaltes.

Vooruitzicht

Soms heeft het leven momenten dat je constant wordt verrast. Dat kan natuurlijk positief of negatief zijn. Soms lijkt er minder Yin, en meer Yang te zijn. Of andersom. Dan zijn er momenten dat je jezelf in de figuurlijke tunnel bevindt. Soms lijkt het erop dat er dan toch licht aan het einde van de tunnel is. Alleen weet je op dat moment nog niet of het ook daadwerkelijk het einde van de tunnel is, of dat er een denderende trein op je afkomt.

Soms heb je in het leven van die wegen vol bobbels en gaten. Het zijn dan de onverwachte momenten waarvan je even uit het evenwicht wordt gehaald. Momenten waarbij je denkt: gaat het nog eens een keer gewoon lekker van een leien dakje? Kunnen we gewoon doorgaan met de dingen in het leven? De heerlijke momenten dat je eens geen rekening hoeft te houden met de obstakels en de valkuilen onderweg in die lange tunnel waarin je ongewild aanwezig bent.

Ik heb de stiekeme hoop dat het licht aan het einde van de tunnel dit keer toch geen sneltrein blijkt te zijn. Dat het daadwerkelijk een nieuw begin is. Het aanbreken van een nieuwe periode meldt zich. Voordat het zonlicht mijn ogen zal verblinden zal ik wellicht een paar keer een hobbel of kuiltje moeten trotseren, maar ik vind dat ik er vanuit mag gaan dat ik binnenkort met een zonnebril voor mijn ogen door het leven mag gaan. Help je mee positieve gedachten te denken?

Die

In de trein zitten twee dames tegenover elkaar -net hun tienerjaren ontgroeid, en druk in gesprek. Een van hen drinkt koffie uit een thermosbeker. Het lijkt op een kinderbeker met een deksel en drinktuit. Ze neemt een flinke teug uit de beker en spoelt de koffie eerst door haar mond voordat ze de slok koffie wegwerkt. Ze trekt er ook een raar gezicht bij. Ze is al een echte jongedame, en toch nog een beetje een klein kind.

Ik heb geen zicht op de andere jongedame, maar ik kan haar wel horen praten. Ze probeert haar gesprekspartner met de thermosbeker te overreden dat het Nederlandse woord die een negatief woord is. Niet 100% negatief, maar wanneer het woord die als een bijvoeglijk voornaamwoord wordt gebruikt, in plaats van een aanwijzend voornaamwoord, dan heeft het volgens haar vaak een negatieve lading. Ze vertelt de andere vrouw er eens op te letten.

Wanneer mensen over een persoon praten en het woord die wordt voor de naam geplaatst, dan heeft men vaak geen hoge pet op van de persoon. Ze vertelt over een ex-manager die op het werk was vertrokken. De persoon in kwestie werd door anderen die Manager genoemd. Door het toevoegen van het woord die voor de naam, wist ze dat de persoon niet helemaal in gelukkige toestand bij het bedrijf was vertrokken.

De koffie spoelende jongedame zegt dat ze zichzelf er soms op betrapt dat ze ook ik wel eens het woord die gebruikt in negatieve zin. Zo wordt ze hartstikke moe van al die mensen met een mening over haar vriendje. Ikzelf denk er ook even over na. Men zegt nooit dat ze dolblij van die mensen worden. Het woord die wordt dan dikwijls vervangen door het woord deze. Van een bijvoeglijk naamwoord, weer terug naar het aanwijzend voornaamwoord.

Omweg

Donderdagmiddag. Met een omweg ga ik met de trein, op huis aan.  Niet geheel vrijwillig, want dankzij de vertraging van een bus in Nieuwegein heb ik op Utrecht Centraal mijn gebruikelijke, vaste trein gemist. Op het station trek ik nog een sprintje, waarbij andere reizigers gehaast aan de kant moeten springen, maar helaas rijdt de trein vlak voor mijn neus weg. In gedachten zie ik de mensen gniffelen om mijn pech.
Ik besluit een trein op een ander perron te nemen. Deze belooft mij met een kleine omweg naar mijn woonplaats te brengen. Gezien alle andere reizigers bezit hebben genomen van de zitplaatsen blijf ik op het balkon zitten op een uitklapzitje. Na een minuut komt de trein in beweging. Tegenover mij zit een oude man, iets ouder dan ik. Hij kijkt me even vluchtig aan, staart vervolgens een beetje afwezig naar buiten en buigt zich lichtjes naar voren, naar mij toe.
‘Is dit de trein naar Amsterdam Centraal?’, vraagt de man.
‘Jazeker. De trein stopt eerst nog in Amsterdam Zuid en Amsterdam Sloterdijk en daarna op Amsterdam Centraal.’ informeer ik de man.
‘Da’s mooi.’ zegt hij opgelucht.
Ik knik en met een vriendelijke glimlach op mijn gezicht kijk ik weer naar buiten waar het landschap met een toepasselijke sneltreinvaart aan mij voorbij gaat.
Ik voel dat de man een gesprek wilt beginnen, maar eerlijk gezegd heb ik daar even geen zin in. De vertraging, het sprintje op het station en de teleurstelling, maken me niet de vriendelijkste persoon. Op een onverwacht ogenblik en om een voor mij onduidelijke reden vraag ik toch of hij iets leuks gaat doen. Vervolgens begint de man te vertellen over een bezoek die hij aan zijn kleindochter in Utrecht heeft gebracht. Dat hij van de dag en het bezoek heeft genoten, maar dat hij Utrecht toch een vreemde stad vind. Als een rasechte Amsterdammer kan hij nooit aarden in de Domstad. Hij is liever alleen in zijn flatje in Amsterdam, dan dat hij is omringt door mensen in een andere stad.
De man zit op de figuurlijke praatstoel en vertelt me over zijn familie en de andere mensen in zijn leven. Hij weet dat ze er zijn, maar hij ziet en spreekt ze bijna nooit. De achterstand in het converseren heeft hij tijdens deze rit aardig weten te compenseren. De tijd vliegt voorbij en voordat ik het door heb, staat de trein stil op station Amsterdam Zuid, waar ik moet overstappen voor de trein naar Almere. Met een ‘goedenavond’ laat ik de man in de trein achter.

Eurovisionair

Deze week wordt het Eurovisie Songfestival voor de 61e keer georganiseerd. Gisteravond konden we beleven hoe Douwe Bob zich naar de finale zong met Slow Down. Sinds mei 1956 is het circus dat Eurovisie Songfestival heet, tegenwoordig nog grotesker geworden. Na jaren van rare, gekke en opvallende vertoningen, is het sinds 2004 dat er in een week 3 avonden zijn waarin deelnemende landen meedoen. Ook Australië is dit jaar weer van de partij. Waar het vorig jaar eenmalig mee mocht doen, doet het continent morgenavond gewoon mee in de tweede halve finale. Een reden hiervoor is niet gegeven. Dus onder het mom van the more, the merrier, doen nu niet alleen Europese landen mee.

Het circus verliest steeds minder het Europees tintje. Waar het in 1958 in 7 landen werd uitgezonden, zal dit jaar voor het eerst in de geschiedenis van het Eurovisie songfestival de grote finale in de Verenigde Staten van Amerika live uitgezonden worden. Mede dankzij dit gegeven geeft wereldster Justin Timberlake een optreden tijdens de finale op zaterdagavond (vanzelfsprekend ook ter promotie van zijn nieuwe single). Wat mij betreft mag het Eurovisie Songfestival de komende jaren alleen maar groter worden, waarbij het uiteindelijk een wereldwijd evenement wordt. Don’t slow down..!

Tussenstop

Je leest er wel eens over. Over de mensen die levenloos worden aangetroffen. Vaak worden deze mensen gevonden door hardlopers die tijdens hun hardlooprondje op zo’n dood persoon stuiten. Ik heb nooit de morbide gedachten gehad om zo een situatie mee te willen maken. Stel je toch voor.

Je ziet de honduitlatende personen al naar het Lumièrestrand in Filmwijk loeren. Alsof ze iets zien, maar niet zeker zijn over wat ze zien. Of niet durven te gaan kijken. Ikzelf denk nog: ik loop er straks sowieso langs. Ik zie het dan wel,. Wanneer ik linksaf sla, het strandje op, zie ik in het midden van het strandje een stapeltje kleding liggen, en wanneer ik dichterbij kom blijkt het een persoon te zijn, met de capuchon over het hoofd.

Ik loop al roepend naar de persoon, maar krijg geen reactie. Wanneer ik er naast sta, zie ik dat het een man is, tussen de 30 en 40 jaar. Misschien dat hij jonger is, maar de donkere baard oogt hem ouder. Met luide stem vraag ik hem of alles oké is, maar weer geen reactie. Ik schop lichtjes tegen zijn schoen. Nog steeds geen reactie. Ik schop nogmaals. Iets harder nu. De man geeft een reflex. Hij leeft.

Met een duim omhoog laat ik de mensen op afstand weten dat de persoon oké is. Ik besluit mijn laatste kilometers te lopen. Ik voel me er toch niet lekker bij en besluit tóch de politie te bellen. Ik kan niet wennen aan het idee dat het toch niet in orde is, en dat ik dan ben doorgelopen. Ik bel het algemeen nummer, doe mijn verhaal en binnen een minuut ben ik doorgeschakeld naar de meldkamer in Almere.

Ik sta intussen weer op het strandje. Onderweg heb ik het verhaal nog eens verteld en bij de slapende man aangekomen geef ik zijn signalement door en omschrijf de plek waar hij ligt. De politie is, volgens de agent in de meldkamer, onderweg. Op mijn vraag of ik moet blijven wachten antwoordt deze dat dit niet nodig is. Ze hebben mijn gegevens. Ik geef aan de omstanders door dat de politie onderweg is.

Inmiddels is er een oudere hardloopster naast me komen staan en kwalificeert zichzelf als toezichthouder. Ik vind het prima. Ze weet me te vertellen dat de man slaapt. Ik kijk haar aan en ben enigszins verbaasd over het feit dat Miss Marple tegenwoordig in Almere woont. Ik vertel haar dat ze niet hoeft te wachten, maar dat ze dit zeker mag doen. Ik loop de laatste 2 kilometer richting huis. In best nog wel een mooie tijd, ondanks de kleine opschorting.

 

Dodenherdenking

Ik had laatst mijn moeder aan de telefoon en ineens kwam ze met de mededeling dat ze met dodenherdenking het liefst alleen wil zijn. Zo out of the blue. Ze heeft voor vanavond geen behoefte aan mensen over de vloer. Mijn moeder woont zelfstandig. Ze heeft thuiszorg en mijn 2 zussen delen dezelfde vier cijfers van haar postcode, dus ze wonen vlakbij. Veel mensen zal mijn moeder vanavond rond de klok van 8 uur niet voor de deur hebben staan, maar ze wilde toch even kwijt dat ze vanavond alleen wil zijn.

Ze vertelt me over haar oudere broer die nooit is teruggekomen uit de Tweede Wereldoorlog. Alles wat ze weet is dat hij op oudejaarsavond van 1944 op 20-jarige leeftijd is overleden in het concentratiekamp te Neuengamme. Het was de eerste keer dat ze haar vader, mijn opa, heeft zien huilen. Ze weet mij, met dezelfde overtuiging als vroeger, te melden dat mijn opa de dag nadat hij het nieuws mocht vernemen met grijze haren is wakker geworden. Je maakt mijn moeder niet meer wijs dat persoonlijke stress geen invloed heeft op het lichamelijke omhulsel.

Ik ken het verhaal van de in de oorlog gestorven oom al sinds mijn kinderjaren. Net als de andere verhalen die mijn ouders zelf als kinderen hebben meegemaakt. Verhalen over mijn moeder die met een zus tijdens de winter door de sneeuw op de fiets met touwbanden een kleine 30 kilometer moest afleggen voor melk, en mijn vader die door zijn brutaliteit (door op de daken te lopen) door de nazi’s werd beschoten. Het zijn gebeurtenissen uit de jeugd van mijn ouders. Zo zijn er natuurlijk meer verhalen die zijn verteld zijn en nog steeds worden gedeeld.

Vanavond ben ik, ondanks alle ellende die nog steeds in de wereld gebeurt, wél 2 minuten stil. Ik herdenk alle oorlogsslachtoffers. Ook zal ik even aan mijn moeder denken, voor wie net als iedereen de oorlog lang geleden is, maar nog wel altijd aanwezig. Via de website van de Stichting Vriendenkring Neuengamme kreeg ik meer informatie over de laatste maanden van mijn oom Sjouke. Het is mogelijk om op de website achtergrondinformatie over de gevangen van het concentratiekamp in te voeren. Gelukkig zie ik mijn moeder aanstaande zondag weer. Op Moederdag. Ik wil informatie over mijn oom op zijn pagina delen, zodat ook hij nooit vergeten zal worden.

 

Gedachtenloos

    ‘Waar denk je aan?’
    ‘Nergens aan.’
    ‘Nah, dat kan niet. Iedereen denkt wel aan iets.’
    ‘Hoezo? Ik zit gewoon even nergens aan te denken.’
    ‘Maar je bent zo stil.’
    ‘Dus..?’
    ‘Dan moet je toch wel ergens aan denken? Ik kan me niet voorstellen dat je zo lang nergens aan kunt denken.’
    ‘Toch is het zo.’
    ‘Echt? Ik kan dat niet. Ik denk áltijd wel aan iets.’
    ‘Aan wat dan?’
    ‘Aan bijvoorbeeld de boodschappen die ik nog in huis moet halen, of aan Beyoncé die haar laatste album, Lemonade, alleen via Tidal liet streamen. Alleen omdat die app van haar man Jay Z is.’
    ‘Heeft Beyoncé een nieuw album uitgebracht?’
    ‘Hallo..! Onder welke steen heb jij gezeten, de laatste dagen?’
    ‘Onder geen enkele. Maar het nieuws van Beyoncé’s laatste album is gewoon even aan mij voorbij gegaan.’
    ‘Ja, dat zal wel. Als je beweert dat je ook al nergens aan kunt denken, dan gaat er veel aan je voorbij.’
    ‘Ik vind het wel lekker rustig zo.’
    ‘Ik wou dat ik dat kon. Nergens aan denken.’
    ‘Probeer het eens. Misschien gaat er een wereld voor je open.’
    ‘Nah, da’s niets voor mij. Nergens aan denken kan ik nog altijd na mijn dood, tot in de eeuwigheid doen.’

Familiebezoek

Vandaag ben ik voor een verjaardagsfeestje in Den Helder. Mijn moeder hoopt binnenkort de fortuinlijke leeftijd van 85 jaar te behalen, en dat is op z’n minst wel een feestje waard. Vroeger, een paar eeuwen geleden werden de mensen niet oud, en wanneer je de nieuwsberichten van de afgelopen maanden leest, weet je dat ook tegenwoordig niet ieder mens nog in de gelegenheid wordt gesteld om oud te worden. Maar dat terzijde. Vandaag reizen we af naar Den Helder.

Ik was een paar weken geleden nog in mijn geboorteplaats. Om er een halve marathon te lopen. Ja, een mens mag een hobby hebben. Ik geniet er wel van om in Den Helder te zijn. Niet zozeer om de stad zelf. Het ligt ver van de bewoonde wereld. Of in ieder geval ver van een autosnelweg. Afgelegen. De meeste mensen kennen de stad alleen als doortocht naar Texel, en daarmee kom je niet per se op de mooiste plekken van deze stad. Wat Den Helder voor mij zo bijzonder maakt zijn herinneringen.

Ik ben in Den Helder opgegroeid en heb er tot mijn tweeëndertigste levensjaar gewoond. Er zijn genoeg herinneringen gecreëerd die doorgaans verborgen blijven en enkel wanneer je in de stad aanwezig bent naar boven komen. Zo had ik tijdens die halve marathon na 4 kilometer ineens de herinnering uit de jaren tachtig, van het stiekem sigaretten kopen bij het tankstation aan de Ravelijnweg, en dat alleen omdat ik er hardlopend langsliep. Ik rook niet meer, dus denk niet zo vaak meer aan het aanschaffen van sigaretten.

Vandaag zal ik niet veel van Den Helder zien, want we gaan naar een verjaardagsfeestje dat bij familie wordt gevierd. Dan blijf je op een locatie. Zolang het gezellig is. Veel verborgen herinneringen zullen vandaag verborgen blijven. Ik zal niet op de fiets langs mijn oude route naar school fietsen en daarmee zullen er niet plots jeugdherinneringen naar boven komen. Daarentegen ben ik wel bij familie en met familieleden heb je vaak dat er voldoende herinneringen gedeeld worden. Het wordt een nostalgische zaterdag.

Bestemming

Maandagochtend en in de hal van het station Almere Centrum is er al enige consternatie bij enkele reizigers. Ik hoor de woorden: “gaat niet verder dan Hilversum”, uit de mond van een vrouw met een rood gezicht, waarvan de losse plukjes haar in het gezicht hangen. Het lijkt alsof ze het afgelopen half uur heeft gerend, maar ze is niet bezweet. Het is haar uiterlijk. Haar reisgenoten kijken haar teleurgesteld en verder nietszeggend aan.

Misplaatst denk ik dat het vanzelfsprekend dagje-uit-mensen zijn, waarbij elke treinreis een avontuur is. Op het perron zie ik op het bord vermeld staan dat mijn trein naar Utrecht over 4 minuten zal vertrekken, maar eenmaal in de trein vertelt de stem van de conducteur, via de intercom, mij en mijn medereizigers dat door een botsing met een persoon de trein niet verder dan Hilversum zal afreizen.

Het idee dat een paar mensen het verschrikkelijke nieuws over het noodlottig ongeluk van een familielid, een goede vriend of de liefde van hun leven krijgen te horen, vind ik vreselijk. Dan ben ik toch liever een half uur later op mijn bestemming, dan dat ik een bericht krijg over de definitieve eindebestemming van een persoon die me na staat. Ik prijs mezelf gelukkig met deze vertraging in vergelijking tot de mensen die deze dag minder fortuinlijk zijn. De zin “Tel je zegeningen” blijkt wederom geen loze tegeltekst.

trein

Mise-en-Place

Op het station van Hilversum stapt een jongen van rond de 20 jaar in de trein. Druk in gesprek met een voor mij onzichtbare gesprekspartner. Ik blijf naar mijn e-reader kijken, maar luister met een half oor mee. Enthousiast vertelt hij in het microfoontje in een van de witte snoertjes wat hem vandaag is overkomen. Hij heeft deze middag een vertrouwenscursus gehad.
De kandidaten op deze cursus moesten zich met het vertrouwen in de medecursisten achterover in de armen van de anderen laten vallen. Hij vond het fokking vet, en hij vertelt enthousiast verder over de andere geleerde handelingen op cursus.
Om te weten of de voor mij onzichtbare gesprekspartner wel oplet, beëindigd hij elke zin met de 3 woorden: ‘weet je wel?’. Ik weet het inmiddels ook. Een hoog aanhoudend gepiep schelt uit zijn oordopjes. Voor hem klinkt het duidelijk nogal oorverdovend en geschrokken roept hij wat de fokking hel aan de hand is. Ik verneem uit het gesprek dat het de kookplaat van het fornuis van de voor mij onzichtbare gesprekspartner is.
De knul in de coupé geeft hem het advies om bij het koken alles goed voor te bereiden. ‘Je moet zorgen voor een goede mise-en-place’, zegt hij wijs. Hij spreekt het met een Almeers accent uit. Als Missanplas. Het gesprek loopt ten einde. De spreker aan de andere kant van de verbinding heeft geen zin meer om te praten.
Er klinkt nu luide beatmuziek uit de oortjes. Wat voor muziek het precies is weet ik niet. Ik hoor zware beats, maar een man van mijn leeftijd kan er niet op dansen zonder er verdacht van te worden epileptisch te zijn. Verveeld draai ik mijn gezicht naar het raam.
Het zicht is niet helder. Een vette afdruk van het voorhoofd van de persoon die voor mij op deze plek in de trein heeft gezeten ontneemt me een helder uitzicht, en we rijden het station van Almere Centrum in.20160415

Forensen

Het leven als een forens is niet meer onbekend voor mij. Sinds een week doe ik -op het tijdstip waar ik voorheen het dekbed opensloeg om op te staan- de voordeur open om het huiselijke te verlaten en naar het station in het centrum van Almere te lopen.

Na 10 minuten lopen sta ik al op het perron van Almere Centrum, waar al snel de trein aankomt om mij in 40 minuten naar Utrecht Centraal te brengen. Onderweg zitten de mensen slaperig naar het scherm van hun mobiele telefoon te staren. Een enkeling kijkt om zich heen. Zo ook de mevrouw die schuin tegenover me in de sprinter zit. Ze kijkt boos om zich heen. Alsof wij de oorzaak zijn van dat zij vanmorgen zo vroeg uit bed moest.

Bij Hilversum wordt de trein echt vol. Niet zo erg als het varkenstransport op de wegen, maar iedereen staat flink in elkaars aura. Vanaf mijn zitplaats heb ik het uitzicht op benen. Veel benen. Benen gestoken in spijkerbroeken of pantalons, en sommige vrouwenbenen laten zich zien vanonder een rok, jurk of lange jas. Mijn ogen zakken af naar de schoenen van mijn medereizigers. Geen enkel paar is hetzelfde. Dat moment bedenk ik dat de keuze die we in schoenen hebben talrijk is.

Veel voeten zijn gestoken in gymschoenen. Sommige sportschoenen zijn nieuw, maar veel gympies zien er afgetrapt uit. Ook zijn er in de trein veel voeten in lederen schoenen verstopt. Zwarte schoenen, bruine schoenen, en een uitzonderlijk wit lederen paar. Het aantal écht nette schoenen is opmerkelijk gering. Veel schoenen zijn niet gepoetst en zien er gehavend uit. Mannen in pak zien er ineens toch minder gelikt uit met schoenen waarvan de neuzen kaal en de schoenzolen afgesleten zijn.

Het is een paar minuten voor acht wanneer ik bij de bushalte Jaarbeurszijde in de lijnbus stap die mij naar Nieuwegein zal brengen. Ook hier zie ik forensen met afgetrapte sportschoenen en kapotte schoenen de bus instappen. Ik vind het een beetje jammer. Schoenen blijken tegenwoordig een ondergeschoven kindje te zijn.

img_8334