Bezwaarrecht

De afgelopen jaren had ik een abonnement op een tijdschrift, welke me wekelijks door de brievenbus werd aangeboden. Nadat ik iedere week het tijdschrift had doorgebladerd ging het op een stapel om op een later tijdstip aan familieleden doorgegeven te worden. Totdat ik een jaar geleden niet meer de moeite nam om het tijdschrift uit de plastic verpakking te halen en deze ongelezen op een stapeltje gooide. Ik begon me af te vragen waarom ik het abonnement nog aanhield. Na enkele maanden begon ik serieus af te vragen waarom ik niet had opgezegd.

Uiteindelijk besloot ik dan in het voorjaar om via de website opzeggen.nl om het abonnement te beëindigen. Vanzelfsprekend werd ik enkele weken daarna telefonisch benaderd over het waarom ik mijn abonnement wilde eindigen. Ik heb netjes gemeld dat ik het tijdschrift niet meer inkeek en dat dit voor mij voldoende reden was om niet langer het tijdschrift te willen ontvangen. De mevrouw aan de andere kant van de telefoonlijn had ik hier begrip voor. Voorzichtig vertelde ze me dat ik nog wel mijn abonnement tot begin september 2021 moest uitzingen, maar dat vond ik niet erg.

Vanaf september bleef het op de donderdagen rustig in mijn brievenbus. In tegenstelling tot mijn mailbox en voicemail. Ik kreeg nu steeds herinneringen over vooral zeer mooie aanbiedingen om vooral mijn eerder opgezegde abonnement toch te herstarten. In het begin dacht ik deze herinneringen nog te kunnen negeren, maar uiteindelijk werd ik voor mijn gevoel meer dan eens in de week herinnerd om vooral een nieuw abonnement af te sluiten. Alsof men dacht dat ik voor een nieuw abonnement ging, omdat ik zo hinderlijk achtervolgd werd.

Uiteindelijk werd ik de afgelopen maand gebeld en ge-e-maild met een frequentie die veel hoger lag dan het wekelijks aanbieden van het tijdschrift tijdens mij abonnement. Waar mijn iPhone voorheen het nummer waarmee ze belden eerst het nummer negeerde, besloot ik het nummer nu op te slaan onder naam van het tijdschrift. Ik was er klaar voor om de mensen achter deze martelingsmethode aan te spreken. Toen ik vanmiddag wederom werd gebeld door het inmiddels voor mij bekende nummer was ik er klaar voor.

Een uiterst vriendelijke vrouwenstem sprak mij opgewekt aan over het abonnement dat ik voorheen had, maar heel ongezellig heb ik de mevrouw aan de telefoon geïnterrumpeerd en kribbig gemeld dat ik uit hun systeem gehaald wil worden. Ik wilde haar duidelijk maken dat de manier van benaderen van hun veel minder vriendelijk ervaren wordt dan dat ik nu tegen haar deed. Ze anticipeerde hier verrassend goed op en wees mij op het recht van bezwaar, waarmee ik kan aangeven niet langer via direct marketing benaderd wens te worden. Ik ben weer blij. Ik hoop voortaan van deze agressieve manier van herinneren verlost te zijn.

Donker gesprek

Het is niet druk in de trein naar mijn werk. Die ene dag in de week dat ik naar kantoor in Amsterdam ga, reis ik buiten de spits. Bijna iedereen zit met mondkapje voor zich uit, of naar het scherm van de smartphone te staren.
‘Ik ben niet dol op mensen,’ zegt een stem van een man die ik niet kan zien. ‘Ik bedoel hiermee de mens in het algemeen,’ vervolgt hij. ‘Het is niet dat ik een hekel aan een bepaalde gezelschap heb. Je moet nooit zomaar een groep mensen uitsluiten. De geschiedenis heeft ons geleerd dat niemand daar wijzer van wordt. Ik veroordeel je dan ook echt niet wanneer je -in tegenstelling tot ikzelf, niet gevaccineerd bent tegen Covid-19. Dat is helemaal jouw keuze.’
‘Dat klopt,’ antwoordt een andere stem. Het is de stem van een vrouw, die veel rookt. Of heeft gerookt.
‘Wanneer het niet vaccineren consequenties oplevert, hoort dat ook bij jouw keuze,’ zegt de man.
‘Zoals het G2-beleid,’ bevestigt de vrouw.
‘Dus dat, ‘ zegt de man. ‘En wanneer je deze komende weken het heel belangrijk vindt om alleen ouderwetse, en daarmee stereotype, zwartepieten te gebruiken voor het sinterklaasfeest. Ga je gang. Ook jouw voorkeur. Het maakt het wel dat je discrimineert, maar dat kunnen ze met hun conventionele gedachten toch niet bevatten, de kleine racisten.’
Ik hoor de vrouw rokerig lachen. Ze is het met haar medereiziger eens.

‘Toch is er een groep mensen die ik bijna uit liefde naar het hiernamaals vervloek,’ bekent de man ineens. ‘Dat zijn de mensen die zonder verlichting in het donker over straat gaan. De onverlichte fietsers en -hardlopers die het niet erg vinden dat anderen zich het leplazarus schrikken wanneer ze ineens aan de andere verkeersdeelnemers tevoorschijn komen.’
‘Kiekeboe, maar dan minder grappig,’ antwoordt de vrouw lachend.
De man kucht om de grap te bekoelen.
‘Ja. Van die mensen die serieus denken dat een minuscuul lampje hen enorm zichtbaar maakt. Een zwak lichtgevend pisstraaltje voor op het fietsstuur of de arm. Zo’n armetierig lichtbundeltje redt niemands leven.’
Ik hoor dat de vrouw een serieus, instemmend keelgeluid maakt.
‘En wanneer je dan doodgereden wordt, moet je niet klagen bij de hemelpoort. De keuze van slechte verlichting in het donker, is als een toegangskaartje naar de eeuwigheid.’
De vrouw lacht vol plezier.

Ik hoor verder niets meer van het gesprek. De stem van de conductrice meldt ons, de geachte reizigers, dat we over enkele ogenblikken station Amsterdam-Zuid binnenrijden. Ze attendeert ons nog op onze bagage, maar ik ben al opgestaan om juist over die enkele ogenblikken deze trein te verlaten.

17 jaar geleden

Fred sprong op van zijn stoel en keek in de achtertuin. Zag hij nu weer die poes van de buren in zijn tuin poepen? Dit was niet de eerste keer dat hij het grijze dier van de twee buurmannen, die schuin tegenover hem woonden, een drol voor hem in zijn back yard achterliet. In zijn geboorteplaats Pittsburg, Pennsylvania, waar hij tot zijn twintigste had gewoond, was het ongehoord, eigenlijk onmogelijk, dat een huisdier van anderen een stinkende boodschap bij anderen achterliet. Wat dat betreft vond hij Nederland een vies en ongemanierd land.


Vandaag had hij er genoeg van. Hij had de beslissing genomen om er nu iets van te zeggen. Hij haalde zijn schoenen vanonder de bank vandaan, stapte er snel in en was al onderweg naar de katteneigenaren. De twee buurmannen schuin tegenover op de hoek. De buurman van de hoek zat deze dinsdagavond achter de computer. Hij had vandaag een drukke dag op het werk gehad en vanavond wilde hij even de gedachten verzetten. Hij had al een tijdje gehoord over het bijhouden van een weblog en hij was nieuwsgierig of het ook echt leuk was.

Fred drukte de voordeurbel in. Een enorm kabaal klonk er vanachter de voordeur. Er kon geen twijfel over bestaan; als er iemand thuis was, hadden ze de deurbel wel moeten horen. Tenzij men dood of stokdoof was. Maar daar was bij de beide buurmannen geen sprake van. Na een kleine minuut werd er opengedaan en een van de buurmannen keek Fred vragend aan. Hij raapte alle moed bij elkaar en vertelde de buurman wat hem op het hart lag.

‘Uw poes heeft poop gedaan in mijn backyard,’ zei Fred op een manier waarvan hij dacht dat deze vriendelijk genoeg was. Hij rechtte zijn rug en wachtte op een reactie van de buurman.
‘Welke kat is het geweest? Er zijn hier zoveel katten in de buurt. Het kan ook het dier van iemand anders zijn geweest,’ zei de buurman.
‘It was the grey one,’ bitste Fred, en hij had al een beetje spijt van zijn agressieve houding tegenover de buurman.
‘Het spijt me wanneer dit is gebeurd. I am sorry,’ zei de buurman.
Fred knikte bevestigend. Het zou hem ook moeten spijten.
‘En nu?’ vroeg de buurman.

Hier had Fred verder niet aan gedacht. Hij had de poes in zijn tuin zien poepen en had er verder niet over nagedacht. Hij wist even geen antwoord te geven.
‘Ik kan natuurlijk niet altijd de katten in de gaten houden,’ de buurman vulde hiermee de stilte die was gevallen.
Fred knikte, maar hij was niet tevreden met het antwoord. Dit gaf helemaal geen voldoening.
‘You oughta keep an eye on her,’ reageerde hij vlot.
‘Him,’ zei de buurman. ‘Het is een katertje.’
Fred wist niet wat de buurman bedoelde en rechtte weer zijn rug en zette hierbij zijn handen in zijn zij.
‘Well,’ zei Fred. En liet een stilte vallen.

De buurman vulde na een paar seconden de stilte. ‘Wel, ik kan ze niet binnenhouden,’ verontschuldigde hij zich. ‘We hebben een kattenluik, maar ik wil er wel op letten wanneer ik zie dat de kat naar uw tuin gaan, dan roep ik ze terug.’ gaf de buurman als oplossing.
Dit antwoord was voldoende. In principe wilde Fred de buurman alleen maar laten weten wat hem dwars zat. Dat daarmee een belofte kwam, was voor hem een aangenaam extraatje.
De buurman wilde verder weten of er nog meer speelde, want dan kon hij ermee aan de slag, maar Fred was tevreden.
‘We’re good,’ zei Fred lachend.
‘Okay,’ antwoordde de buurman, knikte vriendelijk en sloot de voordeur.
Fred draaide zich om en liep tevreden het tuinpad van de buurmannen af. Hij was blij dat het probleem in zijn achtertuin hiermee opgelost was.

De buurman van de kater vroeg zich af waaraan hij het bezoek van zojuist aan te danken had. Volgens hem deden hun katten de behoefte in de eigen achtertuin of in het plantsoentje voor het huis, maar nooit bij de buren. Of had hij zich toch vergist in hun eigen kat? De buurman liep naar boven en ging weer aan zijn laptop zitten. Hij had zojuist een opzet gemaakt voor zijn nieuwe weblog, en hij wist nu waar hij een stukje over ging schrijven, maar hoe begin je een eerste online-blog?
De buurman kwam met het idee om elk bericht te beginnen met een wetenswaardigheid van de dag waarop hij het bericht ging publiceren. De vingers van de buurman gingen over het toetsenbord en de eerste regels verschenen op het scherm: ‘16 november 2004. Lisa Bonet (1967) is jarig! Haal de slingers uit de kast en zet je feesthoed op!

November Zondagochtend

Het is nog vroeg, voor een zondagochtend, wanneer ik het kattenvoer op een schoteltje uit de verpakking leeg. De regen wordt door de harde, stormachtige wind tegen het keukenraam geslagen en ik ervaar het als een omhelzing die de warmte van het huis me geeft. Op de radio hoor ik de eerste kerstmuziek. Ik geniet.

De volle aandacht die ik eerst nog van de katten kreeg is verdwenen zodra ik het schoteltje op de vloer in de hal plaats. De liefde van de kat gaat door de maag. De welgemeende aandacht lijkt altijd om het eigen gewin te gaan. Dat is voor mij geen verrassing meer. Maar ik laat die gedachte mijn goede humeur niet verpesten.

Ik kook eieren, smeer broodjes en zet een pot koffie. Straks lekker ontbijt op bed. Het relaxt wakker worden op de zondagochtend. In november geeft het een extra behaaglijk gevoel. Zeker met het ongure weer buiten. Wanneer de eieren hard genoeg zijn gekookt en de geur van verse koffie het huis vult, loop ik met het dienblad naar de slaapkamer. Deze zondag is alvast goed begonnen.

Tien Jaar

Tien jaar geleden was het de eerste keer. Het lopen van een halve marathon. De Halve van Amsterdam om precies te zijn. Ik had besloten om met het openbaar vervoer naar Amsterdam af te reizen, want dat is wel zo ideaal (gezien het parkeren in het algemeen in onze hoofdstad). Met de trein van half elf vertrok ik waar ik een half uurtje later aankwam. Met lijn 16 reed de tram richting het Olympisch Stadion. Onderweg stapten diverse mensen in hardloopkledij de tram in. Ik wist dat ik in de juiste tram zat.

Aangekomen bij het Olympisch Stadion was het toen al lekker druk, maar al snel vond ik een plekje op de tribune in de zon, en daar heb ik een uur genoten van het evenement. Een half uur voor het eerste startschot liep ik naar de startvakken voor het stadion. Ik mocht starten in het roze startvak en dit betekende dat ik een half uur mocht vertrekken na het eerste startschot. Vandaag was mijn tweede officiële run en ik wist dat wanneer je gaat hardlopen, je vooraan moet gaan staan, want je blijft de eerste kilometers de trage mensen ontwijken die te stom zijn om te bedenken dat ze rechts aan moeten houden.

Na zo’n twee kilometer te hebben gelopen kwam ik in mijn ritme en haalde ik meer mensen in dan dat ik werd ingehaald. Mijn hardloopapp besloot spontaan te stoppen en na vijf kilometer deed de muziek het ook niet meer. Niet dat ik het gemist heb, want het meedoen aan de halve marathon van Amsterdam is een ware happening. Gelukkig had ik het weer mee (zonnetje en niet te koud), maar ook had ik het publiek mee. Er is geen honderd meter voorbijgegaan zonder aanmoediging.

Na zeventien kilometer, tussen de oude Heineken Brouwerij en het Rijksmuseum, kwam ik even in een dip. Mijn knieën begonnen zeer te doen en mijn hardlooptempo zakte ook. Daar heb ik ook één keer gebruik gemaakt van de watervoorzieningen. Normaal drink ik niets tijdens het rennen, een volle maag met water klotst te veel. Deze keer nam ik een wel een flinke slok. Voor zover dat lukte, want hardlopen en waterdrinken blijft een uitdaging. Ik voelde me een beetje beter, maar eenmaal toen ik het Vondelpark inliep ging het goed.

Natuurlijk was ik nog steeds vermoeid, maar het publiek in het Vondelpark maakte het helemaal goed! Zelden zulke enthousiaste toeschouwers meegemaakt. Bijna fluitend verliet ik het stadspark om vervolgens de Amstelveenseweg af te rennen naar het Olympisch Stadion. Nooit gedacht dat een laatste anderhalve kilometer zo lang kon duren. Eenmaal het Olympisch Stadion in het oog, vergat ik de pijntjes en mijn vermoeidheid. Rennend over de tracks van het oude stadion voelde ik mij als een held die enthousiast werd binnengehaald.

Aanstaande zondag mag ik weer de Halve Marathon Amsterdam lopen. Ik ben inmiddels tien jaar verder in ervaring, en ook ouder (in lijf). Maar ik blijf enthousiast over deze run in Amsterdam:  Het leukste publiek, in een van de leukste steden van de wereld. Dit jaar vind ik het extra spannend. Ik heb in de afgelopen maanden geen langere afstand dan vijftien kilometer gelopen. Het is een uitdaging, naast de belevenis.

16 oktober 2011

Aannames

Van de week mocht ik weer een dag op kantoor in Amsterdam werken. In de vroege ochtend kon ik al merken dat er steeds weer, en meer geforensd wordt. Het is nog niet heel druk in de trein naar Amsterdam, of in de metro’s van onze hoofdstad, maar het is wel drukker dan ik de afgelopen anderhalf jaar heb mogen meemaken. We zijn weer op weg naar het ouderwetse normaal. Als die er ooit nog komt. 

Op kantoor zal het ouderwetse normaal niet meer een realiteit zijn. Alles is zo ingericht dat er sowieso altijd wel ruim anderhalve meter ruimte zit tussen de diverse werkplekken. Ook gezellig. Hierdoor is het niet meer mogelijk om iedereen tegelijk op de werkvloer te verwelkomen, en zal er een bepaald aantal dagen verplicht worden om op kantoor te komen werken. Overigens is het nog niet zeker of dit wordt doorgezet. Ik veronderstel het, maar van aannames is nooit iemand wijs geworden.

Maar wanneer ik het over wijsheid in z’n algemeen heb, zie ik al tijdens het reizen met het openbaar vervoer dat er niet veel wijsheid in de mens zit. Stronteigenwijs zitten sommigen chagrijnig, zonder mondkapje, voor zich uit te staren, of anders eigengereid met een glazige blik op het scherm van hun mobiel. Zoekend naar hun wappie-gelijk dat alleen op speciale websites en social media is terug te vinden. Vooral met zo’n zuur en ontevreden gezicht kan je het mombakkes van deze boze mensen het beste met een mondkapje verbergen.

Don’t Shut Me Down

Het eerste plaatje dat ik zelf kocht was in maart 1977. Knowing Me, Knowing You van ABBA. Ik weet nog heel goed dat ik op de platenafdeling van het warenhuis Vroom & Dreesmann een korte discussie met mijn zus Yvonne had. In december 1976 had ik het album Arrival van ABBA voor mijn tiende verjaardag gekregen, en daarop stond ook al het nummer Knowing Me, Knowing You.
‘Zonde,’ riep mijn zus in de winkel. ‘Je hebt dit nummer al op de LP staan.’
Mijn excuus was dat het nummer Happy Hawaii op de B-kant niet op het album stond.
Ik had mijn keuze gemaakt, en deze stond vast: Ik verliet die middag het warenhuis met dit singletje van ABBA in mijn bezit.

Zo is de liefde voor de Zweedse popgroep ABBA begonnen. Ik was geen die hard-fan, want ik kocht niet alles wat ze uitbrachten. Af en toe werd mijn platencollectie aangevuld met een ABBA-singletje. Vanzelfsprekend kocht, of kreeg, ik de langspeelplaten van het Zweedse viertal en bezocht ik in de zomer van 1978 de film ABBA The Movie in de bioscoop. Het begeleidende The Album had ik al maanden in huis. Mijn verdriet was groot toen ik dit album per ongeluk in stukken brak. Het exemplaar lag tussen mijn bed en de muur. Bij het springen op mijn bed, hoorde ik een akelig krakend geluid. Toen ik de elpeehoes achter het bed vandaan haalde, viel de langspeelplaat in stukken uit de elpeehoes.  

Nu zijn we alweer zo’n veertig jaar verder in mijn leven en ik vind mezelf nog steeds geen die hard-fan. Wel ben ik in destijds van het ABBA-vinyl overgegaan naar de compact discs, en van deze discs naar de digitale versies, en toen het vinyl laatst opnieuw in diverse kleuren werd uitgebracht, kreeg ik deze versies ook in mijn bezit. Ik heb mijn ABBA-momenten in de afgelopen jaren wel gekend.

Laatst, in mijn iets donkergekleurde periode, een paar weken na het overlijden van moeder, werden er eindelijk twee nieuwe nummers uitgebracht. Voor een moment was ik de puberjongen uit 1982. Natuurlijk heb ik op de eerste donderdagavond van de maand september het evenement live via YouTube gevolgd en genoot ik van het -voor mij, musicalachtige nummer I Still Have Faith In You. Emotioneel werd ik bij het beluisteren van de nieuwe, en overduidelijk ABBA-sound in het nummer Don’t Shut Me Down. De oude, vertrouwde, maar ook de nieuwe ABBA heeft me een muzikale mega-knuffel gegeven waar ik weer heel blij van ben geworden.

Hartzeer

Het is inmiddels tweeënveertig dagen geleden dat mijn moeder stierf. Een mens schrijft zo’n zin op alsof hij over iemand anders gaat, maar ik ben het zelf, helaas.

De afgelopen weken waren niet de prettigste van mijn bestaan. Ooit beweerde ik, met een zekere stoerheid die me nu een beetje belachelijk voorkomt, dat ik al half afscheid had genomen toen ze naar het verzorgingshuis verhuisde. Ze raakte licht in de war, en ik vond dat ik realistisch was.

Maar als je moeder er werkelijk niet meer is, blijkt de werkelijkheid toch minder gewillig dan je gedachten. Er zit ergens in je borst een klein hondje dat zachtjes jankt, en je weet niet goed wat je ermee aan moet. Hartzeer — ik geloof dat ik het nu begrijp.

Soms, zomaar op een doordeweekse middag of tijdens een avondwandeling, steekt het op. Heel even maar. Een minuut misschien, maar het is voldoende om de wereld een tikje te laten kantelen. Het is niet zozeer alleen het gemis, maar meer een heimwee naar een tijd waarin je nog iemands kind was. Een fundament dat nu weg is — en men bouwt nu eenmaal slecht op lucht.

Ik probeer het allemaal verstandig aan te pakken. Tijdens het wandelen draag ik tegenwoordig oordopjes. Muziek, een podcast, desnoods een pratende weerman — het maakt me weinig uit. Als de gedachten maar geen kans krijgen achter mijn rug om aan het werk te gaan. Een mens moet zichzelf zo nu en dan vriendelijk foppen; dat houdt de boel dragelijk.

Toch zie ik de dingen niet somber in. Goddank niet. Er is genoeg waarvoor je blijft leven, al is het maar uit koppigheid.

Het hardlopen helpt ook. Drie keer per week hol ik door de straten, en elke kilometer schuurt het verdriet zich een beetje gladder, alsof het een steen is in een beekje.
Het komt wel goed met me.
Al is het soms even zoeken waar ik mezelf heb neergelegd.

Nachtelijk bezoek

December 2012. In de nacht, vlak voor Kerstmis, word ik om ongeveer 04:15 uur wakker van een aanhoudend gebel van de deurbel. Ik spring uit bed, de trap af, richting de voordeur. Onderweg naar beneden schieten diverse gedachten door mijn hoofd: Is er een brand? Zijn het dan toch die verdomde Maya’s met hun onheilspellende voorspelling, of is er een ongeluk gebeurd, waarvan ik persoonlijk op de hoogte gebracht moet worden?

Ik doe de deur open en zie een huilende mevrouw voor me staan. Ze vraagt in paniek of ik 112 wil bellen, want haar (ex)vriend heeft haar mobieltje afgepakt. De dronken (ex)vriend staat een paar meter, buiten onze voortuin en roept haar naam. Ik loop naar binnen, pak mijn telefoon en bel 112. Wanneer ik hoor dat deze overgaat, geef ik de telefoon aan de huilende mevrouw.

Ze doet haar verhaal aan de meldcentrale en ik zie dat ze er gehavend uitziet. Een feestelijk jurkje ziet er verfomfaaid uit en haar jas heeft ze in haar hand. In het telefoongesprek legt ze uit dat haar (ex)vriend geprobeerd heeft haar jas af te pakken en haar over de grond heeft meegesleurd. De (ex)vriend neemt nu afstand van de voordeur en roept nu van een paar honderd meter afstand haar naam. Hij ziet er ook niet uit. Het gezicht onder het bloed, waarschijnlijk met zijn dronken kop op zijn gezicht gevallen.

Na nog geen vijf minuten nadat ik 112 heb ingetoetst arriveren er al twee politieauto’s in de straat. De mevrouw (ik weet inmiddels haar naam, want die heb ik al tientallen keren door de dronken, gewonde en nu van de politie weglopende (ex)vriend horen roepen) vertelt, nog steeds, snikkend haar verhaal. Een van de politieagenten vraagt of hij achter de man aan moeten gaan. Een andere agent kijkt nog eens naar de mevrouw en zegt dan: ‘Ja, pak hem maar op’. De politieauto rijdt snel over het fietspad richting de (ex)vriend.

De mevrouw wordt door de politie opgevangen en mag in de auto plaatsnemen. De agent loopt nog even naar mij en vraagt of alles met mij goed gaat. Ik vertel hem dat het prima met mij gaat, naast een verstoring van mijn nachtrust. De agent bedankt me. Ik zeg een Graag Gedaan, want ik zie graag dat er ook voor mij een deur opengaat, wanneer ik hulp nodig heb. Om 04:30 uur lig ik weer in bed, maar het duurt nog even voordat ik de slaap kan vatten.

Colporteur

De deurbel gaat. Snel kom ik van mijn werkplek vandaan en loop naar beneden naar de voordeur. Ik kan me niet herinneren dat er iets online is besteld, dus het zal geen medewerker van een koeriersdienst zijn. Ik doe open en het jaar 1973 staat voor de deur. Negentien-drieënzeventig in de vorm van een colporteur. Een man die mij artikelen of diensten aan de deur wil verkopen. Dit is wel een zeer ouderwetse manier om een afzetmarkt te creëren.

De man begint zoals een verkoper zijn praatjes normaal gesproken begint. Vooral veel positief gewauwel (gelukkig is het mooi weer, vandaag), maar als een wolk voor de zon onderbreek ik de man met de opmerking dat ik aan het werk ben en niet in de tuin lig te genieten. De colporteur is heel even van slag en vergeet zijn even zijn intro van het feitelijke doel: het verkopen van een alarminstallatie.

Hij stamelt voorzichtig dat hij al heeft gezien dat we al een doorbel met camera hebben en de colporteur wil snel doorgaan met de verkoop van zijn diensten (of artikelen, wanneer hij mij beveiligingscamera’s wil verkopen), maar wederom breng ik hem, onbedoeld, van slag door te zeggen dat er meerdere camera’s aanwezig zijn. Bij de garage, boven op onze voorgevel en in onze achtertuin.

De man lijkt een beetje zijn vaste verkoopverhaal te verliezen. Alle geloofwaardige verkoopzinnen brokkelen uit elkaar tot een niet samenvattend verhaal. Ik denk dat de colporteur niet meer op het juiste spoor komt en ik doe hem het voorstel om weer naar binnen te gaan, terug naar mijn werkzaamheden. De man lijkt heel erg opgelucht en blij te zijn dat ik hem red van deze chaotisch verkoopmislukking.

in memoriam

Mijn toespraak op de uitvaart van mijn moeder, 12 augustus 2021.

Vorige week donderdagochtend liep ik hier in Den Helder een hardlooprondje, en ik liep hierbij langs de bollenboer op de Kortevliet waar ik in de zomer van 1979 als twaalfjarige jongen voor het eerst ging bollenbellen. 
Een herinnering die ik jaren vergeten was, kwam tijdens het hardlopen naar boven: Ik had die zomer op de eerste werkdag bij de bollenboer een paar kistjes vol gepeld en vond dat ik wel genoeg had gedaan. 
Ik liet het aantal kistjes noteren en sprong blij op mijn fiets, terug naar huis. 
Groot was mijn verrassing dat ik halverwege de Kortevliet mama tegenkwam. 
Ze was onaangenaam verbaasd en vroeg me waar ik naar toe ging. 
Toen ik haar vertelde klaar te zijn, gaf ze me het antwoord: ‘Ik dacht het niet, knul’.

Dus daar ging ik weer, samen met mama, terug naar de bollenboer. Mama met rechte schouders en ik met gebogen hoofd, en afgezakte schouders. 
Mocht ik aan de bollenboer vragen of we alsnog eens paar kistjes extra mochten volmaken.
Voor mama was het belangrijk dat wanneer je ergens aan begon, je dit ook afmaakte.
Desnoods met haar hulp. 
Dit is zo maar een herinnering van de honderden die me de afgelopen week door mijn hoofd gingen.

Het was op 16 juli 2018 dat bij mama de uitslag van de geheugentest bekend werd. Het was die maandag, de dag waarop ze in de ochtend alleen nog maar vergeetachtig was. In de middag had ze officieel Alzheimer. 
Het was niet alleen voor ons een zware tegenvaller, maar ook voor mama zelf. Ik heb van de week nog in oude WhatsApp-berichten teruggelezen dat ze er toch een paar dagen van slag van was.
Mama is sinds die dag in juli 2018 officieel dement, maar dit was ze wel op haar eigen, bijzondere manier. Want hoe vergeetachtig ze nadien ook is geworden, ze is ons in de jaren erna nooit vergeten. Ze wist nog heel goed hoe de familiesituatie was, en wie bij wie hoorde.

De allerlaatste keer dat ik mama sprak, toen ze al ziek en vermoeid in bed lag -de zaterdag voor haar overlijden, wist ze ook nog steeds wie ik was en vroeg ze me naar Edo, want ze kon hem vanuit bed niet zien. Edo was gewoon bij me. 
Mama was attent naar de mensen om haar heen. 
Mama was zoals ik het noem; ‘attent-dement’.
Ze vroeg me altijd naar iedereen en iedereen naar anderen, en dat deed ze dan zo’n zes á zeven keer. 
In een recordtijd van een paar minuten.

In een van mijn laatste gesprekken met mama begon ze over dat haar haar wel erg dun werd. Maar ze maakte er meteen ook een grapje over dat ze dan een excuus had om mooie hoedjes te kopen. Zo was ze, mama wist bij iedere tegenslag iets positiefs te verzinnen.

En zo wil ik mama graag herinneren; een lieve vrouw die overal het positieve van inzag.
Want huilen is soms nodig, maar lachen is noodzakelijk.

29 april 1930 – 6 augustus 2021

Moeilijk

Wat is het met mensen tegenwoordig? Ze worden vandaag de dag boos op anderen wanneer ze zelf fout zijn. Zo reed ik van de week op mijn fiets naar de supermarkt en sloeg vervolgens linksaf de Berkelstraat in en de mensen die daar al reden vonden dat ik te hard reed en daarbij ook nog eens totaal geen rekening met hen had gehouden. Ik zei dat ik van rechts kwam met de intentie dat ze dan wel zouden begrepen dat ze mij sowieso voorrang moesten verlenen. In plaats van een ‘sorry’ werd ik bedolven onder de scheldwoorden die uit hun kelen werden gegromd. ‘La! La!’ riep ik maar terug.

Enige minuten later in de supermarkt waar ik vrolijk, maar nog net niet huppelend door de winkelgangen liep, stond er ineens een winkelwagentje onbeheerd en totaal overdwars in het gangpad. Ik zei op een vrolijke manier: ‘Dat is toch geen plek om een wagentje te parkeren?’ waarop een moeder van twee bitterzoete kindertjes (want dreinen) bij de emballage-automaat binnensmonds mompelde dat ik een zeurwijf was, waarop ik maar reageerde met: ‘Nou, nou, tut, tut.’ Vervolgens zei de moeder niets meer, en keek mij bij herhaaldelijke ontmoeten in de gangpaden heel boos, maar net niet aan.

Het is een nieuwe ontwikkeling die mij al eerder is opgevallen. De mens kan vandaag de dag niet meer tegen kritiek. Al helemaal niet wanneer ze worden gewezen op hun eigen fouten, of op het eigen achterlijk gedrag. Wanneer een hondeneigenaar zelf rechts op de stoep loopt, maar de hond zelf helemaal links, waardoor de hondenriem alle anderen het onmogelijk maakt om te passeren, zal je zeker geen excuus horen wanneer je vaststelt dat dit een onhandige actie is. Je wordt meteen begroet met een middelvinger of je wordt uitgemaakt als een zeer onprettig persoon, en daarmee druk ik me nog lichtjes uit.

Stalen Vriend

Nu met de diverse versoepelingen van de corona-regels in Nederland, mag ik sinds afgelopen week minimaal één dag per week naar kantoor komen, om daar mijn werkzaamheden te doen. Eén dag dat ik weer mag wennen aan het reizen betreffende het woon- en werkverkeer. En dat het wennen is, daar kwam ik snel achter. Nog nooit eerder hoefde ik met een laptop te lopen zeulen in mijn rugzak. De schootcomputer van het werk is niet echt zwaar, maar zwaar genoeg om me weer even een brugklasser te voelen, met een tas vol zware schoolboeken. Bij mijn overstap op station Amsterdam-Zuid viel ik nog net niet achterover.

Mijn grote vriend, Medley, de herenfiets, stond nog steeds geduldig op me te wachten. Dat het even had geduurd bleek uit het feit dat Medley was gehuld in spinnenwebben en de ketting die hem op zijn plek hield, kleurde roestig. Deze kleur werd ook aan mijn handen afgegeven. Een geluk dat ik mijn handen, sinds maart vorig jaar, een paar keer per dag was. Deze dag was ik de fietssleutel niet vergeten en zo waren we klaar voor onze fietsrit-reünie sinds september vorig jaar. 

Dat het maandenlange stilstaan mijn vriend geen goed had gedaan hoorde ik aan het gekraak van de fietsketting in de kettingkast. Ik denk dat Medley een kruipolie-injectie wel kan waarderen, wanneer ik volgende week weer in Amsterdam ben. Ook had mijn fietsvriend tijdens het wachten op een uitje, enig lucht in de banden verloren. Afgelopen dinsdag heb ik dit meteen opgelost door in mijn pauze even beide fietsbanden volumineus op te pompen. Het schuldgevoel van het in de steek laten heb ik hiermee hopelijk voldoende van me afgeworpen. 

Op kantoor was het vreemd en ook heel gewoon. Het was af en toe wennen er weer te zijn, maar met andere zaken was het alsof ik er dag ervoor nog aanwezig was. Ik vind het bijzonder hoe sommige gewoontes zo vastzitten dat je er onbewust, als op de automatische piloot, mee omgaat. Een dag op kantoor met oude en nieuwe indrukken gaat snel voorbij. Voor ik het wist zat ik alweer op mijn fiets naar het metrostation. Ik kan het mis hebben, maar de fietsketting leek op de terugweg minder moeilijk te doen. Toen ik bij het plaatsen van vriend Medley per ongeluk aan de fietsbel zat, rinkelde deze verdacht opgewekt.

GAY

Sinds deze maand neemt Hongarije een wet aan die het promoten van homoseksualiteit en het veranderen van sekse verbiedt. Dit betekent dat jongeren tot achttien jaar niet mogen worden blootgesteld aan inhoud die homoseksualiteit, afwijking van genderidentiteit en het veranderen van sekse, aanmoedigen. Met deze wet kan het worden verboden om mediaproducties zoals films, televisieseries, videoclips en documentaires met homoseksuelen uit te zenden en op andere manieren aandacht te besteden aan de lhbti-gemeenschap. Ook wordt voorlichting op scholen door de wet aan banden gelegd en zijn openbare steunbetuigingen aan de gemeenschap verboden.

Wanneer ik ruim vierenvijftig jaar geleden niet in Nederland, maar in Hongarije geboren zou zijn, dan was ik op dit moment zeer waarschijnlijk jarenlang getrouwd met een Hongaarse vrouw. Dan was ik vader van minimaal twee kinderen en, gezien mijn leeftijd, wellicht ook grootvader van één of meerdere kleinkinderen. Ik was opgegroeid in een communistisch land, waar de sociale, politieke en economische ideologie gericht is op de oprichting van een klasseloze, staatloze en socialistische samenleving. Kortom, iedereen zou gelijk moeten zijn.

In het begin van de jaren negentig viel het communisme in Oost-Europa en moest de Hongaarse ik, samen met mijn landgenoten, alle dingen zelf regelen en bedenken. Niets werd meer voor ons gedaan. Wanneer je iets wilde worden kon je er zelf voor zorgen door hard te werken. Eindelijk een vrije wereld waar zo lang naar was verlangd. Wanneer ik daadwerkelijk in Hongarije opgegroeid zou zijn, dan had mijn leven er heel anders uitgezien. Maar mijn geaardheid zou hetzelfde blijven, want homoseksualiteit verkrijg je niet door een attitude of via een les over homoseksualiteit op de basisschool. De Hongaarse ik was wellicht een ware familieman, maar wel eentje met een geheim.

Ik was dan opgegroeid met het idee dat mijn gevoelens onnatuurlijk en verderfelijk zijn. Dat ik deze moest negeren en onderdrukken. Homoseksuelen werden meer dan eens het lidmaatschap ontzegd of uit de communistische partijen gezet. De Hongaarse ik zou mijn geaardheid verloochenen. Ik zou mijn beste best hebben gedaan om zo gewoon mogelijk te zijn, maar ik ben ook maar een mens. Gevoelens laten zich niet makkelijk bedwingen. Daar waar de Hongaarse ik nog wel een de spreekwoordelijke kat in het donker kon knijpen, is het risico nu te groot. Vooral nu de nieuwe wet is aangegaan.
Love is love, but not everywhere.

Bijbelverhaal

David, een knappe jongeman met rossig haar en een volle baard leefde duizenden jaren geleden in het oude Israël. Door zijn brutale en onverschrokken optreden tegen de Filistijnen wekte hij de nieuwsgierigheid van koning Saul. Deze raakte geïntrigeerd door deze succesvolle, en ook brutale actie van de jongeman en liet hem daarom voorkomen om hem te ontmoeten. Met het hoofd van de Filistijn nog in zijn linkerhand stond David voor koning Saul. ‘Wie ben jij?’ vroeg de koning en David vertelde waar hij vandaan kwam en wiens zoon hij was.

Jonathan, de zoon van koning Saul, voelde zich onmiddellijk en sterk aangetrokken tot David en vatte een innige vriendschap voor hem op. Niet alleen de brutale actie van David wakkerde zijn toewijding aan. Ook het stoere uiterlijk van David gaf hem een gevoel van genegenheid. Koning Saul nam David vanaf deze ontmoeting onder zijn hoede. Jonathan, die David zo liefhad als zijn eigen leven, sloot al snel vriendschap met hem: hij deed zijn mantel af en gaf die aan David. Zo ook zijn uitrusting, tot en met zijn zwaard, zijn boog en koppelriem.

Alle veldtochten die David sindsdien ondernam bracht hij tot een goed einde. De koning benoemde hem na de zoveelste overwinning tot legeraanvoerder. Dit met instemming van de soldaten en de hovelingen. Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn zoveelste overwinning, liepen in alle steden de vrouwen zingend en dansend uit om de koning feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. Opgetogen zongen ze: ‘Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.’

Deze aanbidding voor David stak de koning. Zijn affectie voor de succesvolle legeraanvoerder maakte plaats voor afkeer. De koning zei boos: ‘Zij geven David tienduizend, doch mij hebben zij maar duizend gegeven. Dit is onacceptabel. Nog even en het volk gunt David het land toe.’ Het was sinds dat moment, en voor altijd, dat David niet meer goed kon doen voor de koning. Daarom sprak hij tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Jonathan die meer dan vriendschap voelde voor David zag dit totaal niet zitten en waarschuwde David voor deze plannen van de koning.

Hierop bedachten de twee geliefden het idee dat David zou onderduiken. Jonathan liet David tot God zweren dat hun afspraak bindend was, omdat hij hem liefhad. Hij had hem lief met de liefde zijner ziel. Tijdens De nieuwe maan vroeg de koning zijn zoon waar David was. Hierop reageerde Jonathan met een leugen. De koning was buiten zinnen door het verraad van zijn zoon. Jonathan vertrok naar David, buiten de stad. Ze kusten elkaar, terwijl de tranen over hun wangen liepen, tot Jonathan zich vermande en zei: ‘Vaarwel. Onthoud wat wij tweeën voor God hebben gezworen.’ Daarop ging David weg en Jonathan keerde terug naar de stad.

Veel later, bij terugkeer hoorde David over de dood van de koning en zijn zoon Jonathan. Beiden bleken te zijn vermoord. Hierop hief David een klaaglied over zijn grote liefde:
‘Jonathan ligt gesneuveld op de heuvels. Het verdriet verstikte me, Jonathan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend.
Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.
Ach, dat de helden moesten vallen, dat jullie, wapens in de strijd van Israël, verloren moesten gaan.’

Bovenstaande komt uit het Oude Testament. Voor de achterdochtige goedgelovigen: het is te lezen in de hoofdstukken van Samuël. Ik was aangenaam verrast door dit verhaal. Niet omdat ik nu als homoseksuele medemens door christenen geaccepteerd zal worden, maar om de immer agressieve bijbelzwaaiers die mij en mijn gelijkgeaarden ons met de Bijbel om de oren willen slaan, een weerwoord te kunnen geven. Niet dat ik ooit een discussie over het geloof met hen aan zal gaan, want veel gelovigen zitten vast in de eigen gedachtekronkel, en daarom niet meegaand genoeg om te discussiëren.