Moeilijk

Wat is het met mensen tegenwoordig? Ze worden vandaag de dag boos op anderen wanneer ze zelf fout zijn. Zo reed ik van de week op mijn fiets naar de supermarkt en sloeg vervolgens linksaf de Berkelstraat in en de mensen die daar al reden vonden dat ik te hard reed en daarbij ook nog eens totaal geen rekening met hen had gehouden. Ik zei dat ik van rechts kwam met de intentie dat ze dan wel zouden begrepen dat ze mij sowieso voorrang moesten verlenen. In plaats van een ‘sorry’ werd ik bedolven onder de scheldwoorden die uit hun kelen werden gegromd. ‘La! La!’ riep ik maar terug.

Enige minuten later in de supermarkt waar ik vrolijk, maar nog net niet huppelend door de winkelgangen liep, stond er ineens een winkelwagentje onbeheerd en totaal overdwars in het gangpad. Ik zei op een vrolijke manier: ‘Dat is toch geen plek om een wagentje te parkeren?’ waarop een moeder van twee bitterzoete kindertjes (want dreinen) bij de emballage-automaat binnensmonds mompelde dat ik een zeurwijf was, waarop ik maar reageerde met: ‘Nou, nou, tut, tut.’ Vervolgens zei de moeder niets meer, en keek mij bij herhaaldelijke ontmoeten in de gangpaden heel boos, maar net niet aan.

Het is een nieuwe ontwikkeling die mij al eerder is opgevallen. De mens kan vandaag de dag niet meer tegen kritiek. Al helemaal niet wanneer ze worden gewezen op hun eigen fouten, of op het eigen achterlijk gedrag. Wanneer een hondeneigenaar zelf rechts op de stoep loopt, maar de hond zelf helemaal links, waardoor de hondenriem alle anderen het onmogelijk maakt om te passeren, zal je zeker geen excuus horen wanneer je vaststelt dat dit een onhandige actie is. Je wordt meteen begroet met een middelvinger of je wordt uitgemaakt als een zeer onprettig persoon, en daarmee druk ik me nog lichtjes uit.

Stalen Vriend

Nu met de diverse versoepelingen van de corona-regels in Nederland, mag ik sinds afgelopen week minimaal één dag per week naar kantoor komen, om daar mijn werkzaamheden te doen. Eén dag dat ik weer mag wennen aan het reizen betreffende het woon- en werkverkeer. En dat het wennen is, daar kwam ik snel achter. Nog nooit eerder hoefde ik met een laptop te lopen zeulen in mijn rugzak. De schootcomputer van het werk is niet echt zwaar, maar zwaar genoeg om me weer even een brugklasser te voelen, met een tas vol zware schoolboeken. Bij mijn overstap op station Amsterdam-Zuid viel ik nog net niet achterover.

Mijn grote vriend, Medley, de herenfiets, stond nog steeds geduldig op me te wachten. Dat het even had geduurd bleek uit het feit dat Medley was gehuld in spinnenwebben en de ketting die hem op zijn plek hield, kleurde roestig. Deze kleur werd ook aan mijn handen afgegeven. Een geluk dat ik mijn handen, sinds maart vorig jaar, een paar keer per dag was. Deze dag was ik de fietssleutel niet vergeten en zo waren we klaar voor onze fietsrit-reünie sinds september vorig jaar. 

Dat het maandenlange stilstaan mijn vriend geen goed had gedaan hoorde ik aan het gekraak van de fietsketting in de kettingkast. Ik denk dat Medley een kruipolie-injectie wel kan waarderen, wanneer ik volgende week weer in Amsterdam ben. Ook had mijn fietsvriend tijdens het wachten op een uitje, enig lucht in de banden verloren. Afgelopen dinsdag heb ik dit meteen opgelost door in mijn pauze even beide fietsbanden volumineus op te pompen. Het schuldgevoel van het in de steek laten heb ik hiermee hopelijk voldoende van me afgeworpen. 

Op kantoor was het vreemd en ook heel gewoon. Het was af en toe wennen er weer te zijn, maar met andere zaken was het alsof ik er dag ervoor nog aanwezig was. Ik vind het bijzonder hoe sommige gewoontes zo vastzitten dat je er onbewust, als op de automatische piloot, mee omgaat. Een dag op kantoor met oude en nieuwe indrukken gaat snel voorbij. Voor ik het wist zat ik alweer op mijn fiets naar het metrostation. Ik kan het mis hebben, maar de fietsketting leek op de terugweg minder moeilijk te doen. Toen ik bij het plaatsen van vriend Medley per ongeluk aan de fietsbel zat, rinkelde deze verdacht opgewekt.

GAY

Sinds deze maand neemt Hongarije een wet aan die het promoten van homoseksualiteit en het veranderen van sekse verbiedt. Dit betekent dat jongeren tot achttien jaar niet mogen worden blootgesteld aan inhoud die homoseksualiteit, afwijking van genderidentiteit en het veranderen van sekse, aanmoedigen. Met deze wet kan het worden verboden om mediaproducties zoals films, televisieseries, videoclips en documentaires met homoseksuelen uit te zenden en op andere manieren aandacht te besteden aan de lhbti-gemeenschap. Ook wordt voorlichting op scholen door de wet aan banden gelegd en zijn openbare steunbetuigingen aan de gemeenschap verboden.

Wanneer ik ruim vierenvijftig jaar geleden niet in Nederland, maar in Hongarije geboren zou zijn, dan was ik op dit moment zeer waarschijnlijk jarenlang getrouwd met een Hongaarse vrouw. Dan was ik vader van minimaal twee kinderen en, gezien mijn leeftijd, wellicht ook grootvader van één of meerdere kleinkinderen. Ik was opgegroeid in een communistisch land, waar de sociale, politieke en economische ideologie gericht is op de oprichting van een klasseloze, staatloze en socialistische samenleving. Kortom, iedereen zou gelijk moeten zijn.

In het begin van de jaren negentig viel het communisme in Oost-Europa en moest de Hongaarse ik, samen met mijn landgenoten, alle dingen zelf regelen en bedenken. Niets werd meer voor ons gedaan. Wanneer je iets wilde worden kon je er zelf voor zorgen door hard te werken. Eindelijk een vrije wereld waar zo lang naar was verlangd. Wanneer ik daadwerkelijk in Hongarije opgegroeid zou zijn, dan had mijn leven er heel anders uitgezien. Maar mijn geaardheid zou hetzelfde blijven, want homoseksualiteit verkrijg je niet door een attitude of via een les over homoseksualiteit op de basisschool. De Hongaarse ik was wellicht een ware familieman, maar wel eentje met een geheim.

Ik was dan opgegroeid met het idee dat mijn gevoelens onnatuurlijk en verderfelijk zijn. Dat ik deze moest negeren en onderdrukken. Homoseksuelen werden meer dan eens het lidmaatschap ontzegd of uit de communistische partijen gezet. De Hongaarse ik zou mijn geaardheid verloochenen. Ik zou mijn beste best hebben gedaan om zo gewoon mogelijk te zijn, maar ik ben ook maar een mens. Gevoelens laten zich niet makkelijk bedwingen. Daar waar de Hongaarse ik nog wel een de spreekwoordelijke kat in het donker kon knijpen, is het risico nu te groot. Vooral nu de nieuwe wet is aangegaan.
Love is love, but not everywhere.

Bijbelverhaal

David, een knappe jongeman met rossig haar en een volle baard leefde duizenden jaren geleden in het oude Israël. Door zijn brutale en onverschrokken optreden tegen de Filistijnen wekte hij de nieuwsgierigheid van koning Saul. Deze raakte geïntrigeerd door deze succesvolle, en ook brutale actie van de jongeman en liet hem daarom voorkomen om hem te ontmoeten. Met het hoofd van de Filistijn nog in zijn linkerhand stond David voor koning Saul. ‘Wie ben jij?’ vroeg de koning en David vertelde waar hij vandaan kwam en wiens zoon hij was.

Jonathan, de zoon van koning Saul, voelde zich onmiddellijk en sterk aangetrokken tot David en vatte een innige vriendschap voor hem op. Niet alleen de brutale actie van David wakkerde zijn toewijding aan. Ook het stoere uiterlijk van David gaf hem een gevoel van genegenheid. Koning Saul nam David vanaf deze ontmoeting onder zijn hoede. Jonathan, die David zo liefhad als zijn eigen leven, sloot al snel vriendschap met hem: hij deed zijn mantel af en gaf die aan David. Zo ook zijn uitrusting, tot en met zijn zwaard, zijn boog en koppelriem.

Alle veldtochten die David sindsdien ondernam bracht hij tot een goed einde. De koning benoemde hem na de zoveelste overwinning tot legeraanvoerder. Dit met instemming van de soldaten en de hovelingen. Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn zoveelste overwinning, liepen in alle steden de vrouwen zingend en dansend uit om de koning feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. Opgetogen zongen ze: ‘Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.’

Deze aanbidding voor David stak de koning. Zijn affectie voor de succesvolle legeraanvoerder maakte plaats voor afkeer. De koning zei boos: ‘Zij geven David tienduizend, doch mij hebben zij maar duizend gegeven. Dit is onacceptabel. Nog even en het volk gunt David het land toe.’ Het was sinds dat moment, en voor altijd, dat David niet meer goed kon doen voor de koning. Daarom sprak hij tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Jonathan die meer dan vriendschap voelde voor David zag dit totaal niet zitten en waarschuwde David voor deze plannen van de koning.

Hierop bedachten de twee geliefden het idee dat David zou onderduiken. Jonathan liet David tot God zweren dat hun afspraak bindend was, omdat hij hem liefhad. Hij had hem lief met de liefde zijner ziel. Tijdens De nieuwe maan vroeg de koning zijn zoon waar David was. Hierop reageerde Jonathan met een leugen. De koning was buiten zinnen door het verraad van zijn zoon. Jonathan vertrok naar David, buiten de stad. Ze kusten elkaar, terwijl de tranen over hun wangen liepen, tot Jonathan zich vermande en zei: ‘Vaarwel. Onthoud wat wij tweeën voor God hebben gezworen.’ Daarop ging David weg en Jonathan keerde terug naar de stad.

Veel later, bij terugkeer hoorde David over de dood van de koning en zijn zoon Jonathan. Beiden bleken te zijn vermoord. Hierop hief David een klaaglied over zijn grote liefde:
‘Jonathan ligt gesneuveld op de heuvels. Het verdriet verstikte me, Jonathan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend.
Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.
Ach, dat de helden moesten vallen, dat jullie, wapens in de strijd van Israël, verloren moesten gaan.’

Bovenstaande komt uit het Oude Testament. Voor de achterdochtige goedgelovigen: het is te lezen in de hoofdstukken van Samuël. Ik was aangenaam verrast door dit verhaal. Niet omdat ik nu als homoseksuele medemens door christenen geaccepteerd zal worden, maar om de immer agressieve bijbelzwaaiers die mij en mijn gelijkgeaarden ons met de Bijbel om de oren willen slaan, een weerwoord te kunnen geven. Niet dat ik ooit een discussie over het geloof met hen aan zal gaan, want veel gelovigen zitten vast in de eigen gedachtekronkel, en daarom niet meegaand genoeg om te discussiëren.

Geprikkeld

Jawel. Het is eindelijk zover. Dit is mijn eerste stukje geschreven als gevaccineerd mens! Ik ben blij en ik vind het ook hoog tijd dat we weer een vrijere wereld creëren. Ik ben niet zo een knuffel-type, dus ik blijf wel een groot voorstander van de anderhalve meter-samenleving. Echter heb ik nu wel die behoefte om de voor mij geliefde mensen weer eens in de armen te sluiten. Het heeft lang genoeg geduurd (sinds maart 2020) om deze mensen alleen met de elleboog aan te tikken.

Zo langzaamaan gaan we weer terug naar het oude normaal. Welke nooit meer echt het oude zal worden (we zetten die anderhalve meter-samenleving door!). Zo zal ik na mijn zomervakantie weer zoals voorheen een aantal dagen per week naar kantoor forenzen. Hoe dit zich zal ontwikkelen zal ik nog met de werkgever moeten bespreken, want de tijd van veertig uur op kantoor werken is -volgens mij- definitief voorbij. 

Dat is dan nog even onzeker. Gelukkig hebben we al ruim een jaar in een onzekere wereld geleefd, en daar hebben de meeste van ons zich netjes naar gedragen (nee, ik verspil verder geen energie betreffende mijn menig over corona-ontkenners of samenzweringswappies), dus daar slaan we ons de komende tijd ook wel doorheen. Wel weet ik dat er iemand totally not amused is wanneer ik binnenkort weer voor een paar dagen naar kantoor ga om te werken, en dat is Oprah. Onze veertienjarige zwarte poes.

Terug in de normale wereld waar ik nog vijf dagen in de week van Almere naar Amsterdam afreisde -en andersom, was onze Oprah een neurotisch huisdier. Van de eenzaamheid of van de stress vrat ze rond haar staart de eigen vacht helemaal kaal. Eén grote, schrale kale plek. Sinds ik enige tijd weer verplicht ben aan het thuiswerken heeft ze weer een mooi, egaal bontjasje. Het is dat ze een doodnormale huis-tuin-en-keuken-kat is, anders was ze een fantastische werkassistente voor me geweest. Ze volgt me de hele dag en overal waar ik ga.

Toen ik het er laatst in een meeting met een collega over had, dat wanneer ik uiteindelijk totally ben beschermd tegen Covid-19, ik dan ook weer naar kantoor kan komen om te werken. Toen zag ik vanuit een ooghoek dat Oprah-poes, die achter me op een kussen lag, heel even nieuwsgierig het koppie ophief. Na de meeting met mijn collega’s zat Oprah in de deuropening van de werkkamer. Nu kan ik het mis hebben, maar ze keek me op dat moment enorm geprikkeld en verwijtend aan. 

Zomer

Grote opwinding: Mooi weer! Waar het vandaan komt is onbekend. Velen zagen het niet meer zitten en dachten dat het mooie weer zelf ook in een lock-down zat, maar daar is het dan. Meteen ook mooi weer voor een hele week. Beloofd door de weermannen en vrouwen en de app op mijn slimme telefoon en tevens via een gelijke app op het slimme horloge, en bam! Inderdaad: bij het ontwaken blijkt de lucht blauw, zonder een wolkje aan de lucht, en is de zon aangenaam warm.

Na maanden drijven de wolken langzaam weg, kinderen verzamelen zich met voetbal op het grote veld voor ons huis. Hetzelfde veld en alle andere velden worden deze week ook meteen door de gemeentelijke ambtenaren in maaimachines gekortwiekt. Terrassen mochten, en gíngen eindelijk open! Bij de Jumbo, en ik denk ook bij alle andere supermarkten, is het druk. Houtskool en briketten zijn nodig om de vele barbecueën brandend te houden. Bier, wijn en rosé worden ingeslagen om ons koel te houden.

Op hetzelfde moment reageert ook de natuur. Vlinders fladderen door de lucht, hagedissen zwemmen in vijvers. Muggen, vliegen, wespen irriteren de mens. De knoppen van de diverse bomen en struiken zwellen op en de koeien hier even verderop dansen over het grasveld. Tegen de tijd dat de zon ondergaat krijgen we een concert van de krekels te horen. Het is ons allemaal duidelijk. De zomer is begonnen.

Een kleine week van hoge temperaturen. Het hoeft eigenlijk maar een halve dag te warm te zijn of je bent niet anders meer gewend. Zo mag het van mij dus altijd blijven. Korte broek en slippers. Een week vol gele zonnen op de weerkaart en de belofte van onheilspellende regen en onweer horen hierbij. Echter komen die niet altijd zoals voorspeld, dus wordt het naast warm weer ook benauwd weer. En wat genieten we enorm. Tegen de tijd dat we er echt genoeg van beginnen te krijgen is de verkoelende regenbui van harte welkom.

 We laten het zomers weer over ons heen komen. We genieten. De coronacijfers en het aantal IC-opnames dalen, in tegenstelling tot de aanhoudende zomerse temperaturen. Deze lijken stabiel en aanhoudend. Dus tot die tijd genieten we van het zwartgeblakerde vlees van de barbecue. We houden van de altijd volle glazen bier, wijn en rosé. Tot we lichtelijk aangeschoten mijmeren over de voorgaande zomers van vroeger. Ja, het leven is fijn. Al is het soms maar voor een paar dagen. 

Eerste Keer

Ik mocht van de week weer voor een dag naar kantoor komen om te werken, en om er een training te volgen die niet via een online-meeting kon plaatsvinden. Daags tevoren was ik druk met het voorbereiden van alle zaken die ik mee mocht nemen, zoals een laptop en de bijbehorende elektronische accessoires en tevens moest ik ook de zaken zien te regelen die ik vorig jaar als normaal en alledaags beschouwde. 

Dat mij dit niet helemaal is gelukt, merkte ik toen ik bij metrostation Henk Sneevliet mijn fiets uit de stalling wilde trekken. Ik had de, in die negen maanden aardig verroeste fietsketting van het slot gekregen, maar het primaire slot dat door mijn achterwiel stak kon ik niet openen. Het fietssleuteltje van dat slot hing nog thuis in het sleutelkastje. 

Onverwachts mocht ik een wandeling ondernemen. Het regende lichtjes, net iets te hard voor motregen en te zacht om het een regenbui te noemen. Noemen we dat een miezerbui, voor een vleugje regen dat net tussen deze twee buien zit? Tijdens de wandeling was ik er niet zo mee bezig. Ik keek om me heen. Naar de bekende omgeving die in de afgelopen negen maanden toch wel enigszins een heel klein beetje veranderd was.

De veranderingen waren me onderweg, tijdens de treinreis en trip van vijf minuten met de metro, al opgevallen. In die negen maanden stonden er ineens hoge torenflats of waren er complete gebouwen verdwenen. De wereld leek voor mij even te hebben stilgestaan, maar alles blijkt toch te zijn doorgegaan. Dat is ook niet zo vreemd. In negen maanden kan er veel gebeuren.

Eenmaal op kantoor bleek dat sommige dingen niet veranderen. Het was alsof ik na een paar weken weer terug van vakantie was, maar wel met een klein verschil. Aangezien ik deze middag een training had met meerdere collega’s in een beperkte ruimte, werd ik verzocht (niet verplicht!) een sneltest af te nemen. Mijn werkgever heeft hiervoor een ruimte gereserveerd, waar een verpleegkundige iedere donderdag klaarstaat met de neusstaafjes.

De verpleegkundige was aangenaam verrast dat ik nog nooit eerder een coronatest had ondergaan. Sommige collega’s kunnen of willen niet thuiswerken en hebben inmiddels meer dan tien keer een test gedaan. Ik kreeg een korte uitleg over de test en een voorbereidend praatje over de in te brengen staafjes. Ik was er klaar voor. Neus in de lucht, om die nieuwe ervaring aan te gaan.

Binnen een halve minuut was het gedaan. Het wachten op de uitslag van de snel-eiwit-test duurde langer dan het geschraap in mijn keel- en neusholtes. Ik leek er emotioneel van te worden, maar ik kreeg uitgelegd dat het staafje de zenuwen van de traanbuis stimuleert en dat je daar traanogen van kunt krijgen. Na een flink aantal minuten wachten werd via de testcassette bekend gemaakt dat ik negatief was getest. Ik was nu net als andere collega’s ervaringsdeskundige. Daar mag je de neus voor ophalen.

Bekwaam

U merkt er vanzelfsprekend helemaal niets van wanneer u dit leest, maar dit stukje schrijf ik vanaf mijn nieuwe computer. Het is een spiksplinternieuw apparaat en het ding heeft een heel nieuw, revolutionaire processor-chip. Deze werkt heel snel. Niet dat ik daar veel aan heb, want ikzelf ben hartstikke traag achter mijn computer. Ik moet er enorm aan wennen. Waar ik sinds de ontwikkeling van de homecomputers, zo’n kleine dertig jaar geleden, alles op het besturingssysteem Windows heb geleerd, mag ik nu alles opnieuw leren, omdat mijn nieuw computer op een compleet ander besturingssysteem draait.

Waar ik jarenlang automatisch met de cursor van de muis naar rechtsboven veeg om iets af te sluiten, moet ik nu naar linksboven. Wil ik weten hoe laat het is, dan kijk ik niet rechts onderaan, maar sinds mijn nieuwe computer ergens anders. Dan zwijg ik verder maar over mijn toetsenbord. Het is er een van het formaat Madurodam. Nu is het niet het gepriegel met mijn dikke vingers op de zeer bescheiden toetsen, maar waar ik voorheen automatisch Alt TAB intoetste om van scherm te wisselen, was ik nu heel even de weg kwijt. Deze combinatie heb ik inmiddels gevonden, maar ik voelde me even niet helemaal feskull*.

Het is een kwestie van wennen, en daar zit het voor mij ook een beetje het probleem. Ik ben zo ongeduldig als het maar kan, wanneer ik iets moet leren. Mijn eerste autorijles viel me destijds enorm tegen (naast het feit dat ik zelf autorijden volkomen vervloekt vind). Ik dacht bij mijn eerste rijles dat ik wel even zo weg kon rijden. Ik had geen moment gedacht aan een koppelingspedaal of de versnellingspook. Het is ook vanzelfsprekend dat je niet alles in één keer kunt. Ik ken niemand die na een eerste les in een andere taal, in het betreffende land een voordracht in die taal kon houden.

Dus wanneer ik hier een volgende keer weer een tekst met u deel, weet ik wel zeker dat ik het stukje veel sneller heb zitten schrijven dan dat ik het zo-even deed (ik heb af en toe online hulp moeten inschakelen). Ik vind het best een beetje frustrerend om op te zoeken hoe ik iets simpels als een streepje boven de letter E kan krijgen. Naast die frustratie krijg ik er ook iets voor terug, en dat is kennis. Dat maakt het voor mij meer dan waard. 

*cool

Eurovisie Song Festival

Het was op zaterdag 22 maart 1975 toen ik samen met mijn ouders op visite ging bij mijn zus Gré en zwager Hans in de Volkerakstraat van Den Helder. In de jaren zeventig was deze straat nog gelegen in een vooraanstaande buurt, welke een paar decennia later verloederde tot een achterbuurt, en inmiddels is gesloopt en opgebouwd tot de nieuwe wijk ‘Duindal’. Het was een grauwe zaterdag met af en toe een paar flinke windstoten toen mijn ouders en ik op de fiets naar de andere kant van Den Helder op visite gingen. Ik kan me niet veel herinneren van die avond, ik was nog maar een jongen van acht jaar oud.

Wat ik me nog wel kan herinneren is dat de televisie op de achtergrond aanstond. De uitzending betrof, naar ik later begreep, het Eurovisie Song Festival. Mijn herinnering laat me denken dat de puntentelling heel spannend was. De eerste keer dat ik naar dit fenomeen keek wonnen we de wedstrijd. De popgroep uit Enschede, Teach-In won met Ding-a-Dong, en ik ging er toen vanuit dat Nederland dit concours altijd ging winnen.
Tjonge, had ik dat even verkeerd begrepen.

Ik kan niet zeggen dat ik op die avond in maart van 1975 meteen werd getroffen door het Eurovisie-virus, maar het trok wel mijn aandacht, het volgende jaar. Deze uitzending was op zaterdag 3 april 1976. Ik logeerde die dag bij een familielid en Engeland was favoriet. De popgroep Broterhood of Man scoorde al voorzichtig een hit in Nederland met Save Your Kisses for Me. Zelf had ik aan het einde van de uitzending de voorkeur voor de inzending van Frankrijk; Catherine Ferry met het kinderlijke lied Un, Deux, Trois.

Zo ben ik het Eurovisie Song Festival in de jaren erna blijven volgen. Ik heb de singletjes van Heddy Lester (De Malle Molen, 1977), Harmony (’t Is OK, 1978) en Bill van Dijk (Jij en Ik, 1982) hier nog liggen.
Toen ik in de jaren erna opgroeide koelde mijn liefde voor het liedjesfestijn iets af, maar wanneer het werd uitgezonden zat ik wel voor de televisie met een kladblokje om punten en opmerkingen op te schrijven op schoot. Ik ben niet zoals sommige fanatieke fans die in meteen kunnen vertellen wie in 1987 op de twaalfde plaats eindige (dit was Zweden, heb ik zojuist opgezocht).

De laatste vijftien jaar volg ik het Eurovisie Song Festival weer iets meer enthousiast. Het televisieprogramma van jaren geleden is niet gelijk aan de uitzendingen van de afgelopen tijd. Waar vroeger vaak de kandidaat en het liedje pas op het Festival bekend werden, kan je de laatste jaren al veel voorrondes uit de diverse deelnemende landen en de diverse inzendingen online volgen. Zo kon het gebeuren dat begin 2009 het al klaar als een klontje was dat Noorwegen de winnaar van het Eurovisie Song Festival ging worden.

De afgelopen week hebben we kunnen genieten van de twee halve finales en vanavond is de grote finale van het vijfenzestigste Eurovisie Song Festival. Dit jaar zijn er veel landen favoriet: Italië, Malta, Oekraïne, Zwitserland, IJsland, en mijn persoonlijke favoriet Frankrijk.
Barbara Pravi zingt het prachtige Voilà. Een Frans chanson waar ik inmiddels verliefd op ben geworden. Of het de winnaar van 2021 is, weet ik niet. Bij het Eurovisie Song Festival is het al decennialang dat niet altijd het beste liedje wint, maar de meest populaire act.
Dat is prima. Volgend jaar is er -zeer waarschijnlijk, weer een nieuw Eurovisie Song Festival!

Weer of Geen Weer

Het wil maar niet zo vlotten met het mooie weer deze lente van 2021. Wanneer ik onlineberichten of -statussen van voorgaande jaren van begin mei lees hebben we in de voorgaande jaren al aardig wat dagen van zonneschijn en zomerse temperaturen achter de rug gehad. Dit jaar zijn ze maar sporadisch: de aantal dagen dat ik in korte broek heb doorgebracht zijn op een paar vingers te tellen.

Nu is er ook niet echt een reden tot klagen: het regent niet constant en het is niet stervenskoud, maar ik ben nu toch echt wel toe aan het dragen van mijn slippers en shirt met korte broek. En daarin zit het weer, naar mijn mening, een beetje tegen. Wanneer ik me op de fiets door Almere begeef valt het me op dat meerdere stadsgenoten de weg een beetje kwijt zijn. Een scholier met lang blond haar fietst mij, gekleed in een shirtje met trainingsbroek en hippe sneakers voorbij, terwijl ik even later langs een mevrouw met sjaal en de handen gehuld in wollen handschoenen voorbijfiets, terwijl haar hond in het gras staat te piesen.

Ik zie mensen die de zomer in de bol hebben, maar ook mensen die denken dat de kerstspullen zojuist op zolder zijn weggezet. Ga er maar aan staan: wil je barbecueën, dan blijkt de stevige wind je ideeën voor buitenactiviteiten in het water te gooien. Met daarbij temperaturen waarbij het stuk vlees eerder kouder dan warmer wordt. Of je kleedt je lekker warm aan voor een wandeling door het bos en dan smelt je even later, figuurlijk uit je winterjas. We zijn de weg kwijt, en niet alleen voor wat het weer betreft. Coronaversoepelingen die niet voor alle situaties of voor iedereen gelden. We worden gevraagd om in ons eentje boodschappen te doen, maar we mogen wel weer met zijn allen vliegen naar nieuwe vakantiebestemmingen.

Thuis heb ik de winterjas inmiddels een etage hoger weggelegd, maar ik heb dan wel weer een extra hoodie aan de kapstok hangen, voor de mindere, koude, dagen. Ik kijk het maar per dag aan. Soms droom ik even weg en fantaseer over ik dat ik elders woon, waar het nooit een raadsel is naar wat je moet aantrekken. Dat je iedere dag op slippers en in shirt met korte broek kunt doorbrengen, maar dat kan natuurlijk ook heel erg saai zijn. Iedere dag dezelfde kleding dragen. Maar wanneer het om slippers en een shirt met korte broek gaat, dan kan het eigenlijk nooit vervelend worden.

Overtuigingskracht

Ik zit in de trein. Het is één van de weinige ritjes die ik tegenwoordig maak. De laatste keer dat ik in de trein zat is alweer twee maanden geleden. Waar ik voorheen dagelijks van thuis naar werk, en andersom, in de trein zat, is het tegenwoordig heel zelden dat ik nog per trein op pad ga. Als ik al eens van huis ben.
Het afgelopen jaar was raar. Veel mensen zijn thuisgebleven. De uitzonderingen, zoals mijn buurvrouw, daargelaten, Deze mensen hebben bijna ieder weekend een feestje te vieren. Ik weet niet wat er te vieren valt, want er zijn inmiddels meer dan 17.000 mensen overleden aan het Covid-virus. Jippie, hang de slingers op en schenk me het glas nog maar eens vol!
Dit is volgens de feestvierders hartstikke onwaar. De coronacijfers zijn afkomstig van de overheid, en die kunnen we sowieso niet vertrouwen.

Dit hoorde ik ook tijdens mijn treinritje naar Amsterdam. Een reiziger was van mening dat hij een ander moest overtuigen over de onzin die de corona-maatschappij tegenwoordig is. Ik vond het opmerkelijk dat de aanhoorder het totaal niet eens was met de stelling dat de overheid de macht wilde pakken door middel van een avondklok, vaccinaties en andere maatregelen. De twee reizigers stonden (en zaten) letterlijk tegenover elkaar, en er was geen hoor en wederhoor. Je bent voor of tegen. Er is geen middenweg.
Toen ik uiteindelijk de trein verliet waren ze nog in discussie.

Elkaars mening wordt niet meer getolereerd, en er wordt niet meer logisch nagedacht. Velen hebben de focus vooral op het gelijk hebben.
Zo las ik van de week een bericht op twitter en deze was (naar mijn mening) doordrenkt door complete stupiditeit. Er was een mevrouw die aan ‘rastapipo’ Willem Engel de situatie aanvoerde dat ze een paar uur per week met een recent gevaccineerde collega moest meerijden en of dit invloed kon hebben op haar gezondheid? Ze meldde er nog wel even bij dat ze absoluut niet gevaccineerd wilde worden.
Nu ben ik van mening dat wanneer je echt niet gevaccineerd wil worden, men je niet kan verplichten. Dat is de vrije wil van de mens.

Dat het niet gevaccineerd willen worden consequenties heeft, dat is dan botte pech. Daar moet je niet boos om worden. Van regen word je tenslotte ook nat.
Ik zie de angstige mevrouw van Twitter, bang voor haar gevaccineerde collega, al voor me. Ongewassen haren en verslonsde kleding, want je weet maar nooit welke giftige ingrediënten er allemaal in shampoo of wasmiddelen wordt gedaan. Of dat weet ze wel en gebruikt het juist hierom niet.
Ze is zo bezig met haar overtuiging dat ze geen logica meer ziet in deze verwarde wereld, en dan keert ze zich tot de alwetende Engel van Viruswaarheid. Deze corona-goeroe wist haar het verlossende antwoord te geven. ‘Ik denk dat het wel meevalt. Geen seks of bloedtransfusie, dan ben je vast veilig.’

Ik was met stomheid geslagen. Ik weet nu wel waarom mensen vaak denken aan de naam Viruswaanzin bij deze dwarsdenkers-stichting. Deze onnadenkende, in principe autodidacte deskundige lijkt van mening te zijn dat gevaccineerde mensen besmettelijk zijn. Niet gevaccineerde mensen kunnen door onveilige seks of een bloedtransfusie door gevaccineerde mensen besmet worden met het medicijn. Volgens de corona-goeroe is met de stelling de gevaccineerde mens gevaarlijker dan het coronavirus zelf. Hoe verzin je het, en hoe debiel ben je wanneer je dit idee geloofwaardig vindt?

Je mag anti-vaxxer zijn en denken dat corona een hoax is, maar probeer mij niet te overtuigen van jouw ideeën. Mij interesseert het niet wanneer je niet in de overheid gelooft of dat je er stellig van bent dat het medicijn erger is dan de kwaal. Ik vertrouw op mijn gezond verstand en niet op de door anderen verzonnen, ongemotiveerde feiten. Wanneer jij daar een andere mening over hebt, vind ik dat prima. Maar denk eerst eens na voordat je iemand online condoleert wanneer deze zich laat vaccineren.

Tegenwind

Er waaide een flinke voorjaarsstorm toen ik, in de aanhoudende tegenwind, op mijn fiets onderweg naar mijn afspraak was. Een beetje chagrijnig trapte ik stevig de pedalen in om nog een beetje op tijd te kunnen zijn. Onderweg haalde ik met gemak een paar andere fietsers in. Een mevrouw wier derrière haar fietszadel als een Hans Kolk-act wist laten te verdwijnen stapte uiteindelijk af, en tadah! Daar was haar fietszadel weer. De stevige tegenwind had het bijna van de vrouw gewonnen, maar de omvang van de vrouw won het qua stevigheid van de wind.

Ik fietste op een viaduct twee meisjes voorbij. Ik denk dat ze nog in de brugklas zaten en ze slingerden over het fietspad van rechts naar links, en weer naar rechts. Het meisje met halflang blond haar, wat alle kanten op om haar hoofd waaide, schreeuwde luid: ‘Godverdomme!’ Het werd niet alleen uit frustratie geroepen, maar meer ter kennisgeving aan haar vriendin. Ze was duidelijk niet blij met deze enorme tegenwind. Haar vriendin met het korte donkere haar onder een zwarte beanie verstopt, lachte het uit en stapte van haar fiets af om deze vervolgens uit haar handen te laten vallen. Het vloekende meisje met het door-de-war-kapsel volgde het voorbeeld en smeet ook haar fiets op de grond. Daar zaten ze beiden: lachend en op hun hurken in de voorjaarsstorm tussen hun fietsen op het fietspad. Tieners. Ze zien overal de lol van in.

In het stadspark aangekomen had ik minder last van tegenwind, door beschutting van de bomen. Meer hier en daar ontweek ik de afgewaaide boomtakken die op het fietspad lagen en even dacht ik dat ik er alert op mocht zijn dat er geen grote takken op mijn hoofd konden waaien. Voor je het weet lig je daar door een boomtak knock-outgeslagen op het fietspad. Zwaar bebloed buitenwesten, naast je fiets en je jaszakken leeggeroofd door onaardige stadsgenoten. Er zijn tenslotte genoeg onaardige mensen hier in Nederland. Zelfs zonder op mijn hoofd getikt te zijn, kan ik al aardig in mijn hoofd beginnen te malen en raak ik af en toe op dreef. Gelukkig kon ik deze middag normaal doorfietsen, zonder gewond of geraakt te worden door takken en ander groenafval.

Uiteindelijk ben ik zonder verdere kleerscheuren op mijn afspraak aangekomen. Het leuke daaraan was toch wel de wetenschap van de terugweg naar huis. Deze was in de tegengestelde richting van de heenweg en daarom als vanzelfsprekend zonder tegenwind. Ik genoot al van het idee dat de stevige wind niet zou gaan liggen en dat ik daarom als een ware renkoekoek over de weg naar huis zou vliegen.

Gezellig

De hardloper loopt de laatst geplande kilometers. Het zijn bekende meters voor hem, omdat hij wel deze route vaker heeft gelopen. Hij kijkt er naar uit om straks de hardloop-app op zijn mobiel uit te zetten en te zien wat zijn gemiddelde tijd is. Het afgelopen uur is hij iedere kilometer geïnformeerd over zijn gemiddelde snelheid, maar de ervaring leert hem dat zodra hij het rondje officieel in de app beëindigd, deze er steevast en zonder goede reden toch een paar seconden bij het gemiddelde optelt. Dit heeft al meer dan eens geresulteerd dat hij de laatste honderden meters nog even een sprintje inzet, om zo toch een mooie tijd weg te hebben weggezet. De planning van de hardloper is om zijn hardlooprondje in het stadspark te volbrengen. Dan kan hij door het park in een rustig wandeltempo naar huis lopen.

Nadat de hardloper net het park inloopt, ziet hij verderop dat een drietal dames, druk pratend, het pad blokkeren. Hij zucht, maar glimlacht ook.
Even snel er voorbij en dan nog een paar honderd meter te gaan, denk hij.
Bij het voorbij gaan roept hij gemoedelijk: ‘Niet het hele pad blokkeren hoor, dames!’
Als door een wesp gestoken staan de dames met rechte rug boos te kijken en een van hen, de vrouw met paardenstaart scheef op het hoofd, roept terug dat hij niet zo a-sociaal moet doen, en het woord Klootzak wordt nog even aan de uitroep toegevoegd.
Heel even denkt de hardloper het niet te hebben verstaan, maar dan pauzeert hij toch de hardloop-app en wandelt terug naar de drie vrouwen.

‘Nou, nou dames,’ zegt hij. ‘Het hoeft niet zo agressief hoor. Ik vroeg iets, ik commandeerde niets.’
‘Jullie hardlopers denken zeker dat jullie de wereld bezitten en dat wij dan maar even snel aan de kant gaan,’ zegt de scheve paardenstaart en loopt op de hardloper af.
Net waar ik zin in heb, denkt de hardloper.
Terwijl de paardenstaart nog steeds als een fluitketel reutelt wandelt de hardloper rustig naar de drie dames.
‘Wacht eens even,’ zegt de man tegen de drie vrouwen. ‘Ik maakte alleen een opmerking over het in de weg staan. Het was niet iets persoonlijks.’
‘Dat had er nog moeten bijkomen,’ schreeuwt de meest aanwezig vrouw.

‘Zoals?’ vraagt de hardloper. ‘Zoals een opmerking over dat dikke lijf van je? Want als ik zo naar die heupen van je kijk, blokkeer je in je eentje een heel fietspad.’
‘Wat zeg je!?’ brult de paardenstaart hees.
‘Je hebt me wel gehoord. Je bent obees. Niet doof. Denk niet dat dit geschreeuw indruk op me maakt.’
De twee andere vrouwen blijven op de achtergrond staan en het lijkt er op dat ze stiekem staan te genieten.
De scheve paardenstaart kijkt, happend naar adem, naar haar vriendinnen die beiden met gebogen hoofd naar hun schoenen kijken.
‘Ik zie er verder geen voordeel in om gezellig te blijven praten,’ vervolgd de hardloper. ‘Ik ga weer verder. Fijne dag.’
De hardloper activeert de hardloop-app en begint te lopen.
Enkele minuten later zijn de dames de hardloper uit het oog.

Bezoek

Aan de wand van de lift hangen naast het knoppenpaneel diverse posters en affiches met de richtlijnen betreffende Covid-19. Op een A4’tje word ik verzocht om op deze locatie geen handen te schudden, maar te glimlachen.
Ik ben verbaasd.
Ik kan lachen tot mijn mondhoeken uitscheuren, maar vanachter mijn mondkapje zal niemand mij zien lachen, en ik beheers het smizen* niet.
Wanneer ik de lift uitloop hangen er nog meer tips en adviezen.
Over nare huiduitslagen en andere aandoeningen die je kunt oplopen, maar nog beter kunt voorkomen. Of verhelpen. Lettend op de borden loop ik door de gang van het ziekenhuis op de tweede etage richting de afdeling Dermatologie.

Daar aangekomen meld ik me bij de medewerkster achter de balie. Nadat ik mijn persoonlijke gegevens heb doorgegeven en mijn identiteitskaart heb laten zien mag ik plaats nemen op een van de grasmatgroene stoelen. Ik draai me om naar de wachtkamer en, rekeninghoudend met de anderhalvemeterregels, loop naar een stoel. Zoveel mogelijk verwijderd van de andere wachtenden.
Het heeft een voordeel de anderhalvemeter-maatschappij. Ik zit tenslotte in de wachtkamer van de afdeling dermatologie.
Weet jij wat voor besmettelijke huidaandoeningen de anderen in deze wachtruimte hebben?

Ik zit nog geen minuut wanneer ik vanuit een hoek een stem hoor vragen: ‘Meneer Bosma?’
Ik steek mijn hand op, sta op en loop naar de man in witte doktersjas, zijn gezicht verscholen achter zijn mondkapje. We geven elkaar vanzelfsprekend geen hand, en ik glimlach vriendelijk vanachter mijn mondkap. Ik weet niet of mijn vriendelijk gebaar overkomt, maar de man in witte jas heeft de techniek van het smizen* wel onder de knie. Ik zie aan zijn ogen dat hij mij toelacht.
Hij gebaart me mee te lopen en ik volg hem gehoorzaam naar de behandelkamer.

In de behandelkamer volgt een kort, soort van, intakegesprek. Ik vertel over de kwaal, de groeiende moedervlek bij mijn wenkbrauw. Ik vertel over dat het meer dan eens is weggehaald, maar toch terugkomt. De arts bevestigt dat ik ben doorverwezen door mijn huisarts.
ik knik.
De arts staat op. Ondanks dat de moedervlek best aanwezig is, wil hij de vlek beter bekijken. Er wordt een grote loep voor mijn hoofd gehouden en daarna met een soort van lichtgevend kijkglaasje wordt deze nogmaals onderzocht. Het lampje geeft dat beetje meer (in)zicht.
De arts doet een stap achteruit en komt met een bekentenis.
Hij is nog in opleiding en wil mijn moedervlek graag bespreken met zijn collega. Of ik dit goed vind.
Natuurlijk vind ik dit goed.
‘Twee weten meer dan één,’ vertel ik hem vanachter mijn mondkapje.

Ik wacht.
Ik wacht nog even wat langer.
Uiteindelijk wacht ik langer dan dat ik in de wachtkamer heb gedaan. Ik denk ondertussen aan al mijn andere lichamelijke gebreken: De artrose in mijn rechtervoet. De ontsteking in mijn linkervoet. Hier in het ziekenhuis kunnen ze nog wel even aan de slag met het oplappen van mijn oude lichaam en ik denk aan wat er eventueel nog meer aan mij opgekalefaterd kan worden.
De arts komt terug en vertelt me wat hij zojuist met zijn collega heeft besproken. Het blijkt dat het twee keer eerder wegschrapen niet echt heeft geholpen. De vlek komt terug.
Ik knik bevestigend.

Er is daarom door de artsen besloten om mijn vlek te bevriezen, en dat ik over vier weken terug mag komen voor een vervolgbehandeling.
‘Oké,’ antwoord ik. Eigenlijk had ik gehoopt vlekkeloos naar huis terug te keren, maar dit idee vind ik ook goed.
Voorzichtig mag ik kennismaken met de stikstof. De arts sprayt heel licht wat koude lucht over mijn hand, waarna hij even later de vlek bij mijn wenkbrauw te grazen neemt. Deze wordt nu bevroren. Tot twee keer toe.
Na de behandeling mag ik naar huis, maar niet voordat ik me nogmaals heb gemeld bij de medewerkster achter de balie, om een nieuwe afspraak te maken.
Deze is zo gemaakt.
Ik loop in het ziekenhuis dezelfde route als een kleine twintig minuten geleden terug, en na enkele minuten sta ik weer buiten.
Het zonnetje schijnt.
Maar de schijn bedriegt. Het is koud, en ik knoop mijn jas dicht.

*glimlachen met je ogen.

Vooroordeel

Het is vroeg. Ik wandel een ommetje. Dat doe ik sinds een paar weken. Voorheen rolde ik ’s-ochtends vroeg mijn bed uit, zo door naar de werkplek op de kamer ernaast. Nu doe ik iedere ochtend, voor de werkzaamheden, een wandeling van 2 kilometer. Het is een blokje om een bedrijventerrein hier in de buurt en zo doe ik ook mee aan de app van de Hersenstichting. Het is een zelfgecreëerde pendelaarsbestaan, en het helpt om de zaken op orde te krijgen. In mijn hoofd.
Een paar dingen vallen mij op. Net als het pendelen tussen thuis en de werklocatie zie je vaak dezelfde mensen. Voorheen met het openbaar vervoer en tegenwoordig tijdens de wandeling in de vroege ochtend. Een jonge vrouw loopt dagelijks met haar drie hondjes een rondje. Het zal een uitdaging zijn om op dit vroege tijdstip met je hondenuitlaat-job bezig te zijn, of gewoon gekkenwerk om je eigen drie honden uit te laten. Het zijn naast mij de hondeneigenaren en hondenuitlaat-werkers die zo vroeg rondwandelen.
In de verte zie de man die al eerder mijn aandacht heeft getrokken. Hij wandelt met een drietal big shoppers met daarin zijn hele hebben en houden. Hij is dakloos en zwerft door de straten van Almere. Heel even moet ik denken aan mijn ouders. Die hebben altijd beweerd dat ik als kind op de vraag; wat wil je later worden? steevast het antwoord gaf dat ik later als zwerver onder de bruggen van Parijs wilde leven. Waar dat idee vandaan komt is voor mij tot op vandaag een raadsel. Parijs is een van de mooiste steden ter wereld, maar ik hoef er niet dakloos onder een brug te liggen.
Wanneer de man en alles wat hij bezit in zijn drie tassen dichter bij me in de buurt komt speel ik even met de gedachte hem aan te spreken. Ik ben benieuwd hoe hij in deze situatie is gekomen, maar ik ga het hem niet vragen, want ik ben er niet nieuwsgierig genoeg voor en voor je het weet zit zo’n persoon in no time bij je thuis op de bank om er vervolgens nooit meer te vertrekken.
Het is een vooroordeel. Deze rare, onsympathieke gedachte, en ik vergoelijk het met de gedachte dat het misschien met groepsinstinct heeft te maken: Buitenstaanders zijn gewoon niet welkom. Ze passen niet in het groepsplaatje, zeg maar. Wederom weet ik dat ook deze gedachte een onsympathiek vooroordeel is. Wanneer de man met zijn tassen mij passeert groet ik hem vriendelijk. Hij rochelt wat vastzittend slijm omhoog. Hoestend en kuchend groet de man mij binnensmonds terug.