Denken

Van de week ging ik voor een avondwandeling. Met alle moderne technische snufjes op mijn horloge wordt er netjes bijgehouden hoeveel calorieën ik zo’n beetje verbrand en ik kan u zeggen dat thuiswerken, zittend achter de computer niet heel veel energie verbrandt. Dus na het avondeten, nadat ik weer wat calorieën tot me heb genomen, geeft mijn horloge een vrolijk riedeltje met de boodschap: ‘Dray, vandaag heb je niet zo veel bewogen,’ en dan komt het apparaat met het voorstel om toch vooral maar te gaan bewegen. Het geeft je een schuldgevoel, en dan ga ik maar.

Ik loop graag een stukkie door het stadspark dat de wijken Filmwijk, Waterwijk en de Verzetswijk aan elkaar verbindt. Het is er niet echt druk. Gewoon een gezellige boel. Er wordt met de hond gelopen en er wordt door ouderen powergewandeld, en jongeren hangen er een beetje rond,. Diep gefocust op het beeldscherm van hun mobiel. Ik vraag me soms af of ze elkaar berichtjes sturen terwijl ze bij elkaar zijn. Het zou me niet verbazen van wel, maar ook weer van niet. Ik behoor dan wel tot de inmiddels oudere generatie, maar eens was ik een hangjongere, die zich ook ’s-avonds nèt niet verveelde met vrienden, dus ik kan me hun nonchalance voorstellen.

Wanneer ik wandel vind ik het heerlijk om helemaal in gedachten te zijn. Als ik er zo over nadenk is het ook een van mijn meest favoriete plekken om aanwezig te zijn. Lekker in mijn eigen hoofd. Inclusief mijn eigen gedachten. Fantasietjes, ideeën en wereldbeschouwingen. De hele reutemeteut. Het voelt heel comfortabel. Met hardlopen denk ik ook wel, maar dat zijn meer vluchtige gedachten over de zaken die op dat moment in mijn leven van belang zijn. Het denken gaat als het hardlopen; in een hogere versnelling. In tegenstelling tot bij het wandelen. Daar gaat het er meer gemoedelijk aan toe.

Anders wordt het wanneer je een bekende tegenkomt. In tegenstelling tot het hardlopen, waarbij je met een ‘hoi’ en een opgestoken hand iemand prima kan begroeten, is dat met wandelen iets anders. Wanneer je wandelend iemand tegenkomt, bijvoorbeeld waarmee je ooit een werkgever hebt gedeeld, ben je niet zo snel klaar met een ‘hoi’ en een handzwaai. Soms word ik staande gehouden en moet ik vertellen waar ik sta in mijn leven. Of ik er op vooruit bent gegaan sinds de gezamenlijke werkgever. Ik zeg altijd maar dat ik het er tegenwoordig naar mijn zin heb, en dat ik leuke collega’s heb. Daar lieg ik niets mee, overigens.

Ik mis soms het sociale aspect om het terug te vragen, over hoe het met hen gaat. Dat heeft een reden. Het antwoord is vaak saai en vooral ook standaard, want het huidige werk is altijd beter dan voorheen. Bovenal ook meer uitdagend. De huidige collega’s zijn vaak gelijken, op hetzelfde denkniveau, zeg maar. Natuurlijk joh. Vergeet vooral ook niet het standaard verhaal over het huidige en hogere salaris dat wordt verdiend. Ik hoef nog net niet met mijn ogen te rollen, want ik denk dan aan wat me vader ooit zei: ‘Een tevreden mens hoeft het eigen gras niet groener voor te stellen.’ Daar liep ik laatst tijdens een avondwandeling aan te denken.

Toeval

Happend naar adem zit ik in de wachtkamer van de eerste hulp. Met paniek in mijn ogen kijk ik om me heen. Ziet niemand dat ik hier dood zit te gaan? Ik ben stervende!
Dat is één van de eerste gedachte die me te binnen schiet, wanneer er na vijf kilometer hardlopen op de Rietveldbrug een enorme vliegend beest mijn keel in schiet. Het beest is van dat formaat, dat het onmogelijk is om deze door te slikken. Het vloog zojuist met een enorme vaart mijn mond in, dat het in een frontale botsing met mijn huig kwam. Met wat gehoest en geproest weet ik het beest, volgens mij zo groot als een euromunt, uit te spugen. Wanneer ik het op de grond zie vallen, lijkt het meer ter grootte van een dubbeltje.

Zonder te stoppen of verder te wandelen, vervolg ik hardlopend mijn route. Ik denk nog wel: Stel dat het een bij of een wesp was, en ik blijkt allergisch te zijn, lig ik daar straks in het veldje langs het wandelpad te stuiptrekken tot een voorbijganger net te laat is. Moet ik mijn locatie aan het thuisfront appen? Nog meer scenario’s schieten me door het hoofd. Terwijl ik wel in een lekker tempo doorloop.
Ik stel me niet aan, maar het is een pijnlijk gevoel en het slikken gaat moeilijk. Het is niet zomaar een vliegje dat tegen de huig botste. Daar ben ik van overtuigd. Ik ben over de helft van mijn te lopen rondje en voel me verder prima. Geen allergische, of een aanhoudende dramatisch allure.

Het hardlopen gaat lekker. Geen pijntjes in mijn scheenbenen, kuiten of enkels, en ik besluit door middel van een extra lus onder een viaduct een kilometer aan mijn rondje toe te voegen. De gevoelige keel heeft geen invloed op mijn loopritme. Ik denk dat de pijn vooral door de snelheid van het vliegende beestje is veroorzaakt. Het vloog te hard tegen mijn huig aan. Dit is een huig ook niet gewend. Dat het met iets in hoge snelheid in botsing komt. Je gooit nooit iets met een enorme vaart in je kakement. Ik niet tenminste. Ook niet wanneer ik iets heel lekker vind en naar binnen schrok.

Na een tiental kilometers ben ik klaar met het hardlopen. In rustig tempo loop ik door het Hanny Schaftpark naar huis. De pijn in mijn keel is aanwezig bij het slikken en bij het hoesten doet het zeer. Tijdens het hardlopen heb ik het een en ander weten te relativeren. Ik zal hier niet aan doodgaan, maar waarom loop ik nu net op dat moment net op die plek op de brug, wanneer er ook een insect blind rondvliegt? Het zal toeval zijn.
Thuis aangekomen kijk ik met open mond naar mezelf in de spiegel. Een zaklamp beschijnt mijn huig. Het ziet er rood en een beetje opgezwollen uit. Ook zie ik er iets dat er niet hoort. Het lijkt op iets wat het insect heeft achtergelaten. De vleugeltjes of een pootje? Het geeft geen constante pijn. Het voelt alleen ongemakkelijk.

’s-Avonds lijkt het of mijn keel dicht zit en ik besluit actie te ondernemen. Tegen elk advies op het internet in -wat ik natuurlijk pas achteraf lees, ga ik met een pincet het plekje op mijn huig bewerken. Na een paar pogingen en iets meer gevloek, heeft het pincet houvast. Het is minuscuul. Ik haal het uit de keel en leg het voorzichtig op een vel keukenpapier. Ik voel er lichtjes met de vinger aan en merk dat er een nog kleiner haakje aan zit. Ik ben ervan overtuigd dat het zonder behulp van een pincet nu nog op de huig had gezeten.
Door het geklooi achter in mijn mond is de keel nog meer geïrriteerd geraakt en voelt het alsof mijn huig achter op de tong ligt. Bij het praten, bij iedere g-klank, lijkt het of ik mijn huig kan inslikken. Verder is er niets meer wat ik er aan kan doen, en ik laat het rusten. Dit blijkt een goede beslissing. De volgende dag, aan het einde van de middag ben ik van alle klachten af. Morgen ga ik weer hardlopen. Dit keer misschien met mondbescherming. Je ziet het tenslotte steeds meer op straat; mensen met een mondkapje.

Riekerpolder

Het is de dag in de week dat ik sinds een maandje standaard op kantoor werkzaam ben en ik heb net mijn lunch weggewerkt. Twee boterhammen met geitenkaas. Heerlijk. Ik zie dat ik nog voldoende lunchtijd over heb om een wandelingetje te maken. Al snel sta ik buiten. Het is mooi weer. Niet zomers, maar het regent niet en de temperatuur is aangenaam. Leuk genoeg om even een kwartiertje te kuieren. Ik loop door een kantoortuin, maar dan in de verkeerde betekenis. Het is een stuk groen tussen de kantoorpanden.

Ik loop langs manege De Ruif die hier sinds 1971 is gevestigd, nog voordat het stadse karakter het insloot. Ooit zal het in een soort van middle of nowhere hebben gestaan. Nu staat het verscholen tussen groen en nieuwbouw. In een strook groen staat een nieuw bankje. Grote letters op de rugleuning vertellen me dat dit ‘Het Bankje Van Jan’ is. Het is vernoemd naar Jan Strijbos, natuuronderzoeker, fotograaf en publicist. Geboren in 1891 en gestorven in 1983. Hij deed hier onderzoek naar de Blauwe reiger in de kolonie aan de Sloterweg. Een stukje historie in nieuw Amsterdam. 

Met deze nieuw verworven wetenschap valt het me tijdens deze lunchwandeling op dat veel kantoorpersoneel van andere bedrijven eengezinscollega’s moeten zijn. Collega’s die samen één huishouden delen. Op het bedrijfspark lopen ze langs de kantoorpanden zo dicht bij elkaar gezellig te doen, dat anderhalve centimeter de nieuwe gedragsregel van het RIVM lijkt te zijn. Ik denk er het mijne van, maar dat zal een ander aan zijn reet roesten, om maar eens een populaire kreet van 40 jaar geleden te gebruiken.  

Onderweg, langs de achterkant van hotel Artemis, een uitstekende keuze voor zakenreizigers als vakantiegangers, kom ik een rode kater tegen. Het beestje is niet bang en loopt met de staart omhoog mauwend naar me toe. Het dier heeft aandacht nodig. Wanneer ik het dier wil aaien rent het snel weg, Zelfs katten kunnen pestkoppen zijn. ‘Dan niet,’ roep ik het dier grimmig na, en ik loop door, terug naar mijn eigen kantoor. Ik moet nu even de pas er in zetten, want over een paar minuten ben ik te laat van mijn lunch terug. 

Pendelen

In de vierde week dat je weer een dag op kantoor in Amsterdam mag gaan werken, is het niet zo bijzonder meer om met het openbaar vervoer te reizen. Zelfs het dragen van een mondkapje went. Het is het nieuwe normaal waar iedereen het over heeft. Voor mij is het allemaal ook al zo normaal geworden, dat ik het sinds deze week aandurf om twee dagen per week naar kantoor af te reizen. 

Om enige gewenning hierin bij de passagiers te vertragen heeft het openbaar vervoer in het algemeen wat trucjes achter de hand. Zo had het GVB ervoor gekozen om deze week een wissel op het metrospoor te vervangen (wat moet, dat moet), waarbij de reizigers vanaf station Amsterdam-Zuid naar de twee metrostations op het traject per pendelbus vervoerd mogen worden. Dit lijkt wellicht een goed idee, maar bij aankomst bij metrostation Amstelveenseweg bleek het niet zo te zijn. 

Bij de tussenstop toen de deuren van de pendelbus opengingen stappen er nieuwe passagiers in. Dit waren zo veel extra reizigers, waardoor het onmogelijk werd om zelfs een halve meter afstand te houden. Hutjemutje werden we op de vroege dinsdagochtend door de hoofdstad gereden. Nog voordat de pendelbus in de buurt van haar eindbestemming was, wist ik al dat ik die middag niet meer per pendelbus ging reizen.  

Aan het einde van de werkdag stapte ik op de fiets. Niet naar het metrostation om nogmaals op de pendelbus te stappen. Ik reed nu via De Oeverlanden naar station Amsterdam-Zuid. Het is een fietstochtje dat iets langer duurt dan een kwartier en met mooi weer, en windje mee was dit een prima ritje. Je rijdt er door een rustig stukje natuur van Amsterdam, waar je zo halverwege de rit bij het Olympisch Stadion weer onder de mensen komt. 

Zo kon ik donderdagochtend op station Amsterdam-Zuid vanuit de trein meteen van het perron lopen en op mijn fiets springen. Whoop, geen pendelbus deze ochtend! Jammer was het dat er deze ochtend een miezerig regenbuitje boven Amsterdam hing. Ik was er enigszins op voorbereid; paraplu mee en een extra regenjasje, en droge kleren in de rugtas voor op kantoor, mocht ik helemaal doorweekt op kantoor aankomen.  

Ondanks mijn watervaste planning, kwam ik toch niet geheel droog aan op kantoor. Een kwartiertje -eigenlijk twintig minuten, want ik reed nog even verkeerd- door de miezerregen fietsen houdt je niet droog. Aan het einde van de dag regende het nog steeds. Na deze werkdag op kantoor volgde hetzelfde verhaal als afgelopen dinsdagmiddag. Fietsen door een stukje natuur van Amsterdam en langs het Olympisch stadion. Dit keer met regen en ook tegenwind. Om tien over half vijf liep ik kletsnat het perron van station Amsterdam-Zuid op. Net op tijd om de trein naar Almere voor mijn neus te zien vertrekken. Volgende week kan het forenzen alleen maar beter gaan.

Hardlooprondje #79

Het is nog erg vroeg, de zon is vandaag nog geen uur op en kleurt de lucht pasteloranje. Een nieuwe dag. De hardloop-app op mijn horloge en mijn hardloopschoenen zijn aan. Klaar om de dag met een hardlooprondje van minimaal tien kilometer te lopen. Een hond van een paar huizen verderop slaat aan. Stadsgeluiden. Geen plattelandshaan die je kan horen kraaien, wel een sprinter die vertrok uit het station, onderweg naar een nieuwe bestemming in het oosten van het land. Over het grote weiland voor ons huis hangt een nevel, die zodra de zon iets sterker wordt zal oplossen.

Een vriendelijke stem van mijn horloge vertelt me via mijn oortjes dat ik mag gaan hardlopen. Ik loop langs het spoor, tegen de wind in, naar het westen. Ik hou een rustig tempo aan en denk er tijdens het lopen aan dat ik deze keer een iets andere route wil lopen om naar de Oostvaardersdijk bij de Noorderplassen te lopen. Vaak loop ik via het Beatrixpark, maar vandaag loop ik er omheen, door Kruidenwijk. Het lopen gaat lekker en de stem in mijn oor meldt dat ik iets sneller loop dan mijn voorgaande hardlooprondjes.

Ik loop door de woonwijk Noorderplassen-West, en ben getuige van het ontwaken van de buurt. Hondeneigenaren die met een slapend hart de hond uitlaten en een paar kinderen die met zware rugtasjes bij hun vader of moeder in de auto stappen. Ze zijn opgewekt. Logisch, denk ik, het is de laatste schooldag voor de zomervakantie. Mochten ze een paar weken geleden eindelijk weer naar school, worden ze vanmiddag weer naar huis gestuurd. Deze keer hebben de vaders en moeders ook vakantie, want er zijn geen schooltaken waar op gelet moet worden.

Nadat ik zes kilometer heb gelopen ruil ik de woonwijk in voor het natuurgebied. Er is nog geen andere wandelaar, hardloper of recreant te zien. Nog een voordeel van het vroeg opstaan. Ik loop in een lekker tempo over het fietspad. De regen van afgelopen dag heeft de natuur de kans gegeven om in overvloed te kunnen groeien. Hierdoor is het uitzicht over het water afgenomen door hoge begroeiing. Het is een charmante afwisseling van omgeving. Het lopen gaat lekker, ondanks dat ik de afgelopen maanden af en toe last heb van mijn scheenbenen.

Bij elf kilometer en het verlaten van het natuurgebied mag ik voor een openstaande brug wachten. Een zeilboot glijdt er over het water wanneer ik sta te wachten. Voor mijn gevoel duurt het allemaal te lang, maar dat komt omdat ik die laatste drie kilometers van mijn rondje naar huis wil lopen. Na de eeuwigheid van een minuut mag ik mijn run voorzetten en krijg ik op de Trekvogelweg enige belemmering van een stevige tegenwind. De vermoeidheid stroomt me in de benen. Ik wil niet gaan sjokken, want dan loopt mijn gemiddelde snelheid op.

Wanneer ik bij het Bos der Onverzettelijken aankom, heb ik genoeg gelopen. Ik beëindig mijn hardlooprondje en sluit deze ook af op mijn hardloop-app. De vriendelijke stem vertelt me dat ik een uur en dertien minuten heb gelopen, veertien kilometer en-een-beetje heb afgelegd, en dat ik gemiddeld vijf minuten en-nog-wat per kilometer heb gelopen. Het zijn natuurlijk bijzaken, maar voor mij interessant genoeg om te weten. Tevreden wandel ik langs het Hanny Schaftpark naar huis.

Regen

De euforie van het werken op kantoor is vanmiddag plotsklaps verdwenen wanneer er dikke regenwolken boven Amsterdam hangen. Net wanneer ik op mijn fiets naar het metrostation moet fietsen slaat de regen vreselijk tegen de ramen van het het hoge kantoorgebouw op Riekerpolder. Geen regenjas, wel een paraplu. Maar met een open paraplu gaan fietsen staat voor mij gelijk aan het dragen van sokken in sandalen, dat doe je gewoon niet.

Ik heb geen zin om een trein eerder te nemen, want dan moet ik me haasten en ben ik juist meer doordrenkt van het zweet op mijn rug dan van de regen op mijn hoofd. Ik hou me aan de normale werktijd en sta even na half vijf, buiten voor het pand. Ik gooi een Smint in mijn mond, loop naar de altijd wachtende fiets en ik pedaaltrap als een jekko mezelf naar het metrostation. Ik heb wind mee, maar dat betekent niet dat ik hierdoor minder kletsnat word. Integendeel.

Bezweet en bijna doorweekt (ik kan gewoon niet rustig fietsen!) kom ik aan op Henk Sneevliet. Ik ben op tijd voor de metro, die net het metrostation in komt rijden. Ik druk mijn natte gezicht in mijn gezichtsmasker en stap in de metro. Hijgend in een mondkapje is niet verfrissend, en zeker niet met een natgeregende baard. Ik weet niet hoe het virustechnisch ligt, maar beschermt een mondkapje ook tegen microben wanneer deze nat is? Om geen boete van vijfennegentig Euro te riskeren hou ik het masker op mijn gezicht.

Op station Amsterdam-Zuid waar ik moet overstappen voor de trein naar Almere, laat ik bij het verlaten van de metro geduldig de andere reizigers de knoppen van de deuren bedienen. Het duurt een flink aantal minuten tot mijn trein op het station aankomt. Rustend op de roltrap naar het andere perron trek ik het mondkapje van mijn gezicht. Niets lijkt er op dat mijn natte gezicht schade aan mijn beschermingsmasker heeft toegediend. Tevreden plaats ik het terug.

Het is rustig in de trein. Ook na een tussenstop op station Duivendrecht. Twee reizigers zijn ingestapt. Ze gaan op gepaste afstand van elkaar zitten. Een van hen draagt een mondkapje met tijgerprint, de ander draagt fluorescerend roze. Vanachter de maskers kan ik niet zien of ze glimlachen, maar ze spreken elkaar vriendelijk aan. Fluorescerend roze klaagt toch een beetje over het weer. Vooral over de regen. Waarop tijgerprint reageert: ‘Ach, wees niet boos op de regen. Het weet niet hoe het omhoog moet vallen.’

Watch

Het was in het voorjaar van 1978 in Den Helder toen ik voor het eerst een James Bondfilm in de bioscoop zag. Samen met buurjongen Maarten en zijn vrienden gingen we ter gelegenheid van zijn twaalfde verjaardag naar de bioscoop. Oh, wat was ik opgewonden. Op dat moment was de Engelse spion, voor mij als elfjarige jongen, de grootste held van de hele wereld. Bond was stoer, hij was populair en had de beste gadgets. Deze kreeg hij van kwartiermeester Q. Het horloge in de openingsscène van The Spy Who Loved Me was een bijzonder snuisterij. Voor zover de vintage gadgets in de jaren zeventig van de vorige eeuw bijzonder konden zijn.  

Tijdens een flinke vrijpartij in een berghut, waarbij James Bond (Roger Moore) en een Russische spionne (Sue Vanner) liggen te flikflooien, kijkt James naar zijn horloge wanneer deze een ratelend geluid maakt. Er komt een plastic strook met tekst uit zijn horloge, zoals een strook uit een lettertang. De strook vertelt Bond: ‘007 TO REPORT HQ. IMMEDIATE M. Dit was voor een elfjarige jongen in 1978 een ultiem hebbedingetje. De beroemde Lotus Esprit die onder water een onderzeeër werd, was voor anderen het ultieme Bondmoment, maar ik wilde het horloge. Helaas heb ik nooit een digitaal horloge om mijn pols gedragen. Ik had een opwindbaar horloge met als gadget dat de wijzers in het donker licht gaven.

We hebben er toen geen trauma’s aan overgehouden. Na het bioscoopbezoek ging het leven met ons door, maar ik heb toch altijd een zwak gehad voor gadgets. In iedere nieuwe Bondfilm die later in de bioscoop kwam, wist ik wanneer Q met een nieuw dingetje aankwam, het later in de film goed van pas ging komen. In mijn eigen leven kwamen er ook meer gadgets. Wanneer ik zelf geld ging verdienen met baantjes bij de bollenboer tijdens de schoolvakanties. De walkman was het apparaat dat iedere tiener in de vroege jaren tachtig in het bezit moest hebben. Het uitzoeken hoe het allemaal werkte was een ontdekkingsreis. De walkman, origineel van Sony of niet, en cassettebandjes. Welk zelf respecterende puber kon er nog zonder?

Een paar dagen geleden ben ik eindelijk in het bezit gekomen van een horloge dat mij doet denken aan het uurwerk uit de James Bondfilm van ruim veertig jaar geleden. Ik heb jarenlang een Fitbit-horloge gedragen, maar die telt alleen het aantal stappen en het aantal traptreden die ik loop. Tegenwoordig draag ik -en zo heet het officieel, een Apple Watch Series 5 Nike. Ik noem het maar een smart-watch. Het kan net zo veel als een Fitbit-horloge, en meer. Wat het apparaat allemaal kan moet ik nog precies uitzoeken, maar een ding weet ik wel. Het spuugt geen plastic strook met boodschap uit. Jammer.

Motivatie

‘Het lukt me gewoon niet om de motivatie te vinden,’ zegt de vrouw die mijn haar knipt. Ze heeft het over hardlopen, net nadat ik heb gezegd dat ik toch wel zo’n drie keer per week de deur uitga voor een rondje. ‘Het lijkt altijd zo makkelijk. Dan zie ik iemand heel relaxt rennen en dan denk ik: dat kan ik ook. Maar als ik de bus moet halen, dan geef ik het al op, want ik ben al buiten adem wanneer ik tien stappen heb gelopen.’

‘Dat moet je opbouwen,’ zeg ik. ‘Negen jaar geleden kon ik ook niet meteen een rondje van vijf kilometer lopen. Ik ben begonnen met een hardloop-app, waarbij je een halve minuut gaat hardlopen en dan anderhalve minuut wandelen, en dat bouw je op. De eerste keer waren voor mij die dertig seconden ook gelijk aan een half uur. Maar als je echt iets wilt, moet je niet opgeven.’ Ik hoor mezelf het laatste zeggen en ik lijk wel zo’n motivatie-goeroe, die alle wijsheden van een tegeltje afleest.

‘Plan je altijd alles van te voren, over waar je naartoe gaat hardlopen?’ vraagt ze me, en ik vertel haar dat ik van te voren weet hoe ik wil gaan lopen, maar ik hou ook rekening met het weer. ‘Een rondje hardlopen is net als alle doelstellingen in het leven. Je moet weten wat je wilt, en waar je naar toe wilt. Je hebt een doel voor ogen en dan bedenk je hoe je dit gaat uitvoeren, en soms moet je de dingen een beetje aanpassen.’

‘Het is normaal dat je tijdens het hardlopen besluit om via een omweg de finish te bereiken, of dat je een stukje afsnijdt omdat het gaat regenen. Maar je moet wel blijven hardlopen, anders behaal je niet het doel wat je voor ogen hebt. Net als in het leven,’ zeg ik lachend, en ik bedenk dat ik als een motivator tegen mijn kapster zit te ouwehoeren.

Ze knikt, ik zie in de spiegel dat ze even naar zichzelf kijkt. Ze is met haar gedachten niet op het werk en zegt dan: ‘Ik weet het niet. Het klinkt allemaal wel zo makkelijk, maar wanneer ik aan het einde van de dag thuis komt heb ik echt geen zin meer om de deur uit te gaan. Dan wil ik met mijn vermoeide voeten op de bank naar een realityshow kijken. Even de gedachten verzetten en weten dat mijn leven minder ernstig is als die van de mensen op tv.’ Ik knik. Een carrière als motivatiecoach is voor mij niet weggelegd.

Corona-dans

Vanmorgen stond ik extra vroeg op uit bed. Nadat ik de slaap uit mijn ogen had gewreven wist ik ook waarom, en ik voelde me als een kind dat een schoolreisje te wachten staat: Opgewonden en licht gespannen. Vandaag mocht ik, na een afwezigheid van twaalf weken, eindelijk weer naar kantoor. Een normale werkdag op mijn eigen, normale werkplek en niet op een gecreëerd werkplekje thuis. Ik had me voorgenomen om ruim op tijd te vertrekken, want ik wist niet of het druk op het station of in de treinen kon zijn.

De reis verliep spoedig. Zo zie je maar dat je heel makkelijk in het oude ritme terugvalt. Alsof ik niet drie maanden afwezig ben geweest met het forenzen. Er viel me niets bijzonders op, behalve dat het heel rustig was met het aantal reizigers in de trein en iedereen droeg de verplichte mondkapje. Sommigen droegen het alleen ter bescherming van hun kin, maar je kunt natuurlijk niet verwachten dat iedereen weet waarom ze een masker moeten dragen.

Op station Amsterdam-Zuid kon ik heel relaxt overstappen op de metro. Ook op het perron was het niet druk en na een paar minuten kon ik in de metro zelf plaatsnemen, zonder te dicht bij andere reizigers te staan. Wel zag ik op een stukje industrieterrein langs het metrospoor ineens een hoge silo staan, die er drie maanden geleden nog niet stond. Het voelt misschien alsof de tijd de afgelopen periode heeft stilgestaan, maar dat is niet echt zo.

Bij metrostation Henk-Sneevliet werd ik ook weer herenigd met mijn fiets. Het heeft de afgelopen maanden geduldig op me zitten wachten, zonder te veel lucht uit de banden te verliezen. Mijn fiets en ik zijn nog steeds een goed team. Eenmaal bij het werk voelde alles als vertrouwd. Ik hoefde dit keer geen plekje te zoeken voor de fiets, en nog voordat ik door de voordeur kon lopen stonden er voldoende corona-instructies op het pand en op de vloer voor het pand geplakt.

Als in een puzzeltocht liep ik naar mijn werkplek. Iedereen wordt door het gehele pand verzocht alle instructies goed op te volgen. Het desinfecteren van de handen op iedere etage, niet meer dan twee personen in de lift en het verplicht doorspoelen van het toilet met de deksel dicht. Het is goed. Ik vind het prima wanneer je wilt dat ik met mijn rechterbeen draai en vervolgens met de ander zwaai. Samen moeten we deze corona-dans succesvol uitvoeren.

Rendez-Vous

Als jongeman van ongeveer twintig jaar oud kende ik iemand die een paar jaar ouder was dan ik, en waar ik een gepaste bewondering voor had. Deze vent had alles mee. Een mooie kop op een gespierde lichaam, en wat ook niet algeheel onbelangrijk was, was dat hij een enorm geestig gevoel voor humor had. Altijd was er wel even tijd voor een mop of een geintje tussendoor waar ik dan hardop lachend reageerde. Het was een kameraadschap waarbij we elkaar af en toe opzochten. Vaak was dit in de zomermaanden wanneer de dagen lang waren, en dan toerden we in zijn autootje een beetje doelloos rond. Mijn vriend had altijd de lachers aan zijn kont hangen en was zeer succesvol favoriet bij de vrouwen.

Zo had hij het idee bedacht om succesvol te scoren bij de dames waarmee hij een rendez-vous had. Ik denk dat het hem ook wel lukte zonder een bedacht concept, maar je weet nooit wat een man motiveert om geliefd te worden. Ik heb hem een paar keer geholpen met het voorbereiden van zijn succesvol idee. Achter in zijn autootje had hij een kistje met inhoud en het bevatte twee flesje wijn. Rood en wit. En wat lekkers erbij om te eten. Vervolgens reden we met de auto naar de duinen aan de Noord-Hollandse kust en begroeven het kistje in een duinpannetje.

De dag erna vond het afspraakje plaats. Er werd een lange strandwandeling gemaakt en wanneer het weer het toeliet werd er ook gezwommen. Mijn vriend wist het dan zo te plannen dat ze rond etenstijd in de duinen wandelden.
‘Ik zou best wel wat lusten,’ riep hij dan.
‘Nou, ik ook,’ zei het meisje dan. ‘Maar we hebben niets bij ons..’
‘Laten we dan maar hier eens graven!’ stelde hij dan voor. En onder grote hilariteit van het afspraakje kwam dan de kist tevoorschijn. Het was een succesvolle grap waarmee mijn vriend altijd als succesvol minnaar zijn date beëindigde.

Dit alles heeft bijna zo’n veertig jaar geleden afgespeeld. Het kwam me eerder dit jaar weer voor de geest toen ik in Noord-Holland in een antiekzaakje was om te schuilen voor een regenbui. Ik keek zeer geïnteresseerd naar de aangeboden inboedel om vooral het chagrijnige gezicht van de eigenaar te ontwijken. Ondanks dat herkende ik toch, met enige moeite, mijn vriend. Ja, dit was zijn winkel. Ja, hij was getrouwd. Kinderen en kleinkinderen. Alles.
‘Heb jij nóg een rol met kwartjes nodig?’ riep een dikke vrouw van achter uit de zaak.
‘Oh nee, ik red het wel Marie,’ antwoordde hij snel.
‘Is ze dat?’ vroeg ik geïnteresseerd.
‘Ja,’ zei hij bezorgd.
‘De kist?’ vroeg ik strak.
Hij knikte en sloot zijn ogen, als een slecht uitgekomen droom.

Geïnspireerd door een kronkel (1952) van Simon Carmiggelt.

Zomerochtend

Een paar weken geleden verdampten de laatste regenbuien lichtelijk van het droge land op om er de gebarsten grond te verlaten. Het verkoelende hemelwater heeft niet de kans gekregen de bodem geheel te voeden, en ondanks dit tekort van regen schiet het groen snel op en groeien de grote graspollen in grote hoeveelheden naar de berm van de weg, zodat het grauwe land en de gebarsten grond onder een dek van groen gaat. Uiteindelijk klaarde het weer op en werden de grauwe wolken verdreven. De zon staat dagenlang op het gewas te branden. Een zielig regenbuitje probeert het nog wel eens, maar geeft het uiteindelijk toch op. Het groen wordt meer donkerder groen om aan te sterken en de komende droogte te overleven.

In de ochtend wanneer de zon nog niet op haar hoogst staat, maar de hitte wel al een gloeiende trilling in de lucht veroorzaakt, neemt de arbeider op het land een kleine pauze. Met hangende schouders en een sigaret in de mond loopt hij op zijn dooie akkertje naar het einde van het veld om daar in de schaduw van de bomen te genieten van een rookpauze. De uitgeblazen nicotinerook wordt één met de opwaaiende stofwolk. De arbeider gaat, om geen last van rook en stof te hebben, met zijn rug richting de lichte bries staan. De sigaret hangt slap tussen de vingers wanneer hij een toonloos wijsje met de getuite lippen fluit. Hij kijkt gedachteloos over het veld.

Daar waar geen groen groeit stuift het droge zand van het land door de lucht. In de verte, aan de horizon, vliegt het zand op nadat het wordt bedolven door de grote wielen van een tractor. De zwoele zomerwind drijft het elders en een achteloze fietser verderop, wordt met een zacht windstootje door het zand in het gezicht geaaid. Een buizerd hangt biddend in de lucht. De vleeseter zal een prooi over de droge grond hebben zien rennen, waarbij het kleine slachtoffer kleine stofwolkjes veroorzaakte. Een duik naar beneden van de roofvogel creëert nog meer stofwolken en beëindigt het bestaan van de kleine veldmuis. Het zal deze ochtend lang duren voordat het stof gaat liggen.

Winteravond

Ooit een vriendin had eens, jaren geleden, een avond bij ons zitten babbelen, over koetjes en kalfjes, maar toch vooral het meest over mensen.
‘Het is altijd zo gezellig bij jullie,’ zei ze telkens en dan keek ze ons met grote, jammerlijke ogen aan, want gezellig is een woordje dat je pas veelvuldig gaat gebruiken als het leven niet meer zo gezellig is. Of wanneer je iets te veel wijn hebt gedronken. Dat is mijn mening. Na twaalven was ’t steevast: ‘Hemel lief, al na twaalven.’ Ze stond dan op, ging een rondje omhelzen en mijn antwoord was dan altijd: ‘Kom, we laten je uit.’

Dat even uitlaten komt je bij koud weer op een lichte bronchitis te staan, want bij de open voordeur is ze altijd op zoek naar haar vest, om vervolgens een verkeerde jas in te duiken, en dan schiet haar altijd ineens een gespreksonderwerp te binnen, waar altijd over te discussiëren valt. Toen ze echt alles had -d’r tas, d’r sjaaltje, d’r paraplu, d’r etcetera- vertrok ze. Ik had de voordeur nog niet op slot gedraaid of ze stond er op te bonzen.
‘Zo vervelend,’ zei ze. ‘Maar het slot van mijn auto is bevroren.’
‘En wat doen we nou?’ vroeg ik.
‘Kun jij er niet een beetje op ademen?’ zei ze. ‘Jouw adem is veel steviger dan de mijne.’
Ik wist toen dat het geen slim idee was dat ze nog ging autorijden, maar morgen was het een doordeweekse werkdag.

‘Och, met plezier,’ was mijn antwoord aan haar.
Het is koud, ongezond en absurd om in januari op straat neer te hurken om een poos te hijgen tegen de deur van een autootje die niet wil openen. Ik raakte bijna buiten adem.  Door mijn inspanning had ik het niet meer koud.
”t Helpt niet,’ zei ze. ‘Probeer eens met een aansteker.’
‘We roken allebei niet. Waar halen we een aansteker vandaan?’ riep ik.
‘Heb je een kaars?’ vroeg ze.
‘Nee. Niet bij me,’ antwoordde ik, en klopte demonstratief met vlakke handen langs mijn lijf.
‘Hè, doe nu niet zo akelig,’ sprak ze en haar glimlach deed me daar besluiten nooit meer te akelig te doen.

‘Sorry,’ verontschuldigde ik.
‘Hou maar op, zei ze. ‘Weet je wat? Pak een hamer. We slaan de ruit in.’
‘Dat is zonde,’ zei ik.
Ooit een vriendin keek om zich heen op de grond en vond een halve straatklinker.
‘Achteruit, anders raak ik je misschien.’ Ik week meters terug. Ik denk soms een stoere vent te zijn, maar ben dat helemaal niet. Ze hief haar rechterarm naar achteren en met een snelheid van een intercity brak ze met de steen in de hand met een klap de autoruit aan diggelen.
‘Zo, nu kan je erin,’ zei ik stoer na de schrik.
Ze rustte met haar gewicht op haar linkerbeen en stond er even met haar heupen te wiegen, en zei: ‘Zeg…’
‘Ja?’
‘Het is mijn autootje helemaal niet. Dat zie ik nu pas. Mijn autootje staat even verderop. Dáár.’
Ze wees, ontmoette mijn ontstelde blik en zei hulpeloos: ‘Nou ja, ze maken ze tegenwoordig ook allemaal zo gelijk.’

Geïnspireerd door een kronkel (1956) van Simon Carmiggelt.

Muizen en Mensen

Het is vroeg in de avond van de prille zomermaand. Ik zit op het bankje in de voortuin en ik kijk naar de overkant van mijn straat. Er zijn geen buren die terugkijken. Ik heb uitzicht op een grote grasvlakte en de zon heeft zojuist haar vertrek naar morgen aangekondigd. De lucht begint met het kleuren van het avondrood. Het doet me denken aan de openingsscène in het eerste hoofdstuk van Muizen en Mensen uit 1937 van de Amerikaanse schrijver John Steinbeck, zoals ik het heb meegemaakt.

Voor een moment voel ik me aanwezig aan de oevers van de rivier Salinas, enkele kilometers ten zuiden van de stad Soledad in de Amerikaanse staat Californië. Ik mis alleen nog het uitzicht op een sprong konijnen, die iedere zomeravond op het zand van de oevers van de rivier wat afkoeling zoeken, en ieder moment verwacht ik dat de twee hoofdpersonages uit de novelle van de Amerikaans schrijver vanuit het struikgewas tevoorschijn komen. George, de kleinere van de twee mannen, voorop en de lange slungel Lennie loopt een paar meter achter hem aan.

Er volgt deze avond geen dialoog tussen de twee mannen. Vanavond krijg ik niets mee van de geïrriteerde George Milton die zich enigszins ergert aan het overmatige waterdrinken van de niet al te snuggere Lennie Small. Wanneer hij te veel drinkt is deze weer de hele nacht misselijk. George is kwaad over de idiote buschauffeur die hen eerder deze dag zes kilometer heeft laten lopen. Daarnaast moet hij Lennie in de gaten houden. Hij is vergeetachtig en altijd ergens anders met zijn gedachten. Tenzij het over aaibare dieren gaat. Want die hebben altijd zijn aandacht.

Ik ben weer ter plaatse in mijn eigen voortuin wanneer een fietser met een beetje lawaai het trottoir oprijdt. De buurman van een paar huizen verderop groet vanachter zijn mondkapje mij een fijne avond toe. Ik groet terug en lach hem een vriendelijke grijns toe, en ik denk: Kan het leven altijd gevuld zijn met zomeravonden als deze, waarbij ik mag mijmeren over dingen die er niet toe doen. Ja, ik weet het, na een zoveelste avond met ondergaande zon, te midden van diverse mooie kleurschakeringen in de lucht, gaan deze wellicht ook vervelen, maar ik kan toch enorm genieten van deze momenten. Waar ik net als Lennie Small uit Muizen en Mensen niet al te veel behoef na te denken over allerlei zaken die alledaags, en soms ook overbodig zijn.

Buiten

Sinds het begin van de crisis kom ik niet vaak buiten. Af en toe verplaats ik me naar de buurtsuper en twee, vaak drie, keer per week ga ik een uurtje hardlopen. Het is letterlijk zoals de wind waait, waait de planning voor de te nemen hardlooprondjes. Zo ook een paar dagen geleden toen ik een dagje vrij was. Ik wist tijdens het hardlopen nog niet helemaal hoe ik mijn route zou gaan hardlopen, om na zo’n zes kilometer het impulsieve besluit te nemen om daar op de Pampushoutweg in Almere, linksaf het wandelbos in te slaan.

Aangezien ik al om half zeven ‘s-ochtends de deur uit was gegaan, was het op dat moment dat ik het bos insloeg rond vijf over zeven in de ochtend en enorm rustig. Er waren nog geen mensen die met de hond aan de wandel waren. Ik liep in de bebossing op mijn gevoel naar de plek waar ik weer op een bekend stukje wandelpad zou aankomen, maar mijn intuïtie liet mij deze ochtend in de steek. Nadat ik een kenmerkend, afgebroken boomtak voor een derde keer voorbij liep, wist ik dat ik niet helemaal naar de buitenkant van het bos zou komen.

Te trots om via een app op mijn telefoon te checken waar ik mij bevond, ging ik voor de klassieke wijze van het vinden van de juiste weg. Iedereen weet dat de zon in het Oosten opkomt. Ik hoefde alleen maar de richting vanwaar de zon scheen, te gaan lopen. Helaas is het zo dat je bij een splitsing niet altijd de keuze hebt om de gewenste richting op te lopen, waardoor ik wederom een rondje in het bos had afgelegd. Mijn gedachten dwaalden even af naar gruwelverhalen waarbij mensen in bossen verdwalen en nooit meer terugkeren. 

Er was geen reden tot paniek. Het wandelbos bij Pampushout is niet groot en ik had inmiddels al een eerste hondeneigenaar, tezamen met twee hyperactieve labradors gespot. Ik groette de honden en het baasje en liep richting het Oosten. Ik had het idee dat ik aardig in de buurt van het, voor mij bekende Michelinpad was, maar ik zag alleen maar bebossing, waarbij de zon mij constant in de ogen scheen. Wijsheid won het van eigenwijsheid en ik besloot toch maar even op mijn mobiel te kijken. De app wist aan te geven dat ik bij de splitsing linksaf moest slaan. 

Nadat ik het bospaadje linksaf was ingegaan zag ik verderop de bekende betonnen bodem van het Michelinpad. Vanaf dat punt wist ik met gemak de weg naar huis te vinden. Mijn hardloopervaring had me ook geleerd dat het vanaf daar vijf kilometer duurt om thuis te komen. Nadat ik het bos achter mij had gelaten, werd me door de stem van mijn hardloop-app gemeld dat ik in totaal acht kilometer had afgelegd. Ik had zojuist twee kilometers over een afstand gedaan waar ik doorgaan nog geen hele kilometer over doe.  

Afstand

In deze tijd van Corona kom ik niet meer zo vaak onder de mensen. Eigenlijk helemaal niet meer. Een bliksembezoek aan de supermarkten is het hoogtepunt betreffende het samenkomen met andere mensen. Dit is niet altijd even gezellig. Mensen schuilen zich achter mondmaskers of kijken je schuchter aan, bang dat je hen besmet. Dan heb je nog de mensen die zich helemaal niet bewust zijn van hun omgeving. Die gaan hun eigen gang, hebben een eigen beleid over de huidige wereld, en ze doen maar. Waar ik me eerst nog kon ergeren aan dit zwikkie mensen, haal ik nu mijn schouders op. Deze rebellerende menigte raken naar mijn idee nooit besmet met enig verstand.

Naast de korte supermarktbezoeken kom ik alleen nog buiten voor het hardlopen. Op thuiswerkdagen trek ik na werktijd graag de hardloopschoenen aan. Ja, het corona-virus heeft ook sommigen op de been gekregen om te gaan hardlopen. Ik zie mensen puffend en hijgend in hun nieuwe hardloopschoenen voorbij strompelen en ik ben oprecht trots op deze mensen. Het maakt niet uit of je twee of nog niet eens één kilometer loopt, je bent in beweging in tegenstelling tot de anderen die thuis blijven zitten. Door de nieuwe hardlopers is het wel iets drukker in het groene Almere, maar er zijn voldoende parken en bossen om sportief te doen.

Zo is het weer mogelijk om langs de noordzijde van de Noorderplassen te lopen of te fietsen, nu de brug tussen Schateiland en Oostvaardersdijk weer in gebruik is genomen, zonder een enorme omweg te moeten maken. We kunnen ons weer op een van de mooiste wandel- en fietspaden van Almere begeven. Het Lepelaarpad. Het is in deze tijd van corona iets moeilijker om op dit pad afstand te houden. Het pad is niet heel breed, zeg maar smal. Maar met wederzijds begrip en wanneer alle partijen vertrouwen op de gewenste afstand van anderhalve meter is er genoeg afstand mogelijk voor de gedisciplineerde stadsgenoten.