Zaterdagochtend

Zaterdagochtend. Het is 07:00 uur en ik lig klaarwakker in bed. Het lijkt of ik niet meer kan uitslapen, zodra ik me aan paar keer in bed heb omgedraaid. Ik sluit mijn ogen, maar Droomland is niet meer bereikbaar. De poorten zijn dicht en mijn ogen blijven open. Na een paar pogingen om er toch te komen geef ik de moed op en stap uit bed. Buiten is het nog schemerig donker.

Ik geniet van het moment. Het lijkt er op of de wereld nog wakker moet worden en ik ben er getuige van. Ik geef de katten Oprah en Harpo wat te eten en ik kijk even later door het keukenraam naar buiten. Een fietser rijdt naar een voor mij onbekende stemming. Ik vraag me ook niet af waarheen de fietser rijdt. Ik kan, en wil ook niet van alles op de hoogte zijn. De fietser stapt af. Er wordt iets in het gras gevonden, maar het is het niet waard om opgepakt te worden.

Een paar momenten later loop ik in mijn hardloopoutfit langs het gras. Ik kan zo snel niets vinden over wat de aandacht van de fietser trok. Misschien is het weggewaaid of is er iemand anders voorbijgekomen die het wel het oppakken waard vond. Ik loop door en na tweeënvijftig minuten en nog een tweeënvijftig seconden heb ik mijn toen kilometer hardgelopen. Het was rustig onderweg. Vele mensen liggen zeer waarschijnlijk nog in bed.

Thuis trek ik de hardloopschoenen uit en ik zet het koffiezetapparaat aan. Op de deurmat ligt de ochtendkrant die opgepakt wil worden. Met het ochtendnieuws loop ik terug naar de woonkamer. De koppen op de voorpagina melden geen nieuws. Tegenwoordig zijn de meningen van mensen het nieuws. Ook wordt de dood van Theo van Gogh, vandaag vijftien jaar geleden, herinnerd.

Ik schenk me een kop koffie in en eet een krentenbol. Buiten is het inmiddels licht geworden, maar het blijft er grijs en grauw. Sky Radio Christmas op de achtergrond herinnert me eraan dat over een paar weken hier de kerstboom weer in de huiskamer staat. Zoals in alle laatste weekenden van november. De dag komt pas echt op gang wanneer ik heb gedoucht en Echtgenoot ook uit bed is gekomen. En ik denk: Wat zullen we vandaag eens gaan eten?

Donker

Wintertijd. De klok is het vorige weekend een uur teruggezet, dus we kunnen niet meer ’s-avonds een uurtje langer van het daglicht genieten. Dat merk ik ook meteen met het hardlopen. Vorige week deed ik na thuiskomst van het werk mijn hardloopkloffie aan, en daar waar ik vorige week nog hardlopend van een ondergaande zon kon genieten, loop ik nu in de vroege avond al in de schemering te hardlopen. Gelukkig heb ik voldoende hardloopverlichting om te dragen, zodat de andere bewoners van Almere mij als een hysterisch opgetuigde kerstboom kunnen zien hardlopen. Veiligheid voor alles!

Tijdens de laatste kilometer van mijn rondje eindig ik bij de Leeghwaterplas in Almere. Ik loop op een stukje grasveld van het Bos der Onverzettelijken, langs het water, richting Randstad. Het grasveld wordt vaak gebruikt door mensen die hun hond uitlaten of door de fanatieke sporters, want langs het smalle pad staan diverse fitnessapparaten. Het is inmiddels al aardig donker en vanaf het water drijft er een lichte mist het land op. Waarschijnlijk komt het door de verlichting van de overkant van het water, maar de nevel krijgt hierdoor een spookachtig effect. Het kruipt langzaam naar het pad waar ik wandel.

Ik kijk op het scherm van mijn mobieltje naar mijn gelopen tijd. Ik ben tevreden met mijn prestatie. Door het schijnsel van mijn telefoonscherm zie ik niet alles helder om mij heen, maar ik zie duidelijk een donkere schim bij het water. Het lijkt om een menselijk figuur. Ik denk er verder niet bij na, tot ik opeens mijn naam hoor roepen. Ik kijk om me heen, maar zie landinwaarts alleen maar het zwarte van het bos en verder is inmiddels alles gehuld in mist. Ik kijk achterom en zie niks. Wanneer ik weer voor mij uitkijk zie ik de donkere schim voor mij staan.

Het lijkt op een vrouw. Ze heeft halflang en nat haar, alsof ze net onder douche is gestapt en ze draagt een witte toga. Het lijkt als ze zojuist van een of ander themafeestje komt. De stof plakt nat op haar blote lichaam. Ik kijk naar het magere, vermoeide gezicht en ze opent haar mond. Zonder te praten kermt ze klagelijk. Ik wacht niet op wat er kan gebeuren en ren heel snel langs haar weg, richting het bos. Richting de woonwijken. Heel even kijk ik achterom en ik zie niets meer. Het is vast mijn verbeelding. Even rust ik met mijn handen op mijn knieën en voorovergebogen tuur ik naar de plek waarvan ik vandaan kom. Ik zie niets, behalve een lichte nevel in het donker.

Ik draai me weer om. Ik wil thuis zijn. In rap tempo loop ik richting het bedrijventerrein  even verderop. Ik moet door een kleine bebossing en ik zie in de verte het oranje licht van een straatlantaarn door de mist schijnen. Ik ren richting de verlichting van de stad, en moet nog een paar meter tussen de bomen door rennen. Dan voel ik een klap tegen mijn rechterschouder en ik verlies mijn evenwicht. Ik val op mijn kont. De natte herfstbladeren kleven aan mijn handen. Bij de lantaarnpaal zie ik de vrouw met open mond weer staan. Ze jammert zonder geluid. Om mij heen bewegen verschillende schaduwen en ik voel dat onzichtbare handen me bij mijn schouders grijpen.

Schreeuwend sta ik op. Ik glij een paar keer uit, maar loop dan toch snel verder. De vrouw staat niet meer bij de lantaarnpaal. Ik haal opgelucht adem en ren door, door naar huis. Dan zie ik de vrouw naast mij. Ze beweegt zich voort in hetzelfde tempo als ik. Ze kijkt mij met lege ogen aan, en ik knijp mijn ogen even dicht voor het afschuwelijke beeld. Wanneer ik mijn ogen weer open doe is de vrouw weg. Ik ren door. Nog een paar honderd meter te gaan voordat ik op het drukke fietspad naast het spoor ben. Daar ben ik zo goed als thuis. Ik ren door, onder het spoor door, naar de straat waar ik woon.

Ik minder snelheid en wandel zwaar ademend, en met een zware hartslag, naar huis. In de mist komen verderop twee dansende lichten mijn kant op. Ik schrik, maar na een paar tellen zie ik dat het de fietsverlichting van twee fietsers is. Opgelucht haal ik adem. Achteromkijkend zie ik straatverlichting in de nevel, en de rode achterlichten van de twee fietsers verdwijnen verderop in de mist. Ik sla af, mijn straat in en na een minuut sta ik in de voortuin. Ik weet niet wat er is gebeurd, maar alles lijkt weer normaal. Niets is eng en er is geen angst meer.

Voordat ik naar binnen stap, kijk ik een laatste keer om. Een bestelbus van Post.nl rijdt langzaam door de straat. Ik kijk het busje na hoe het de straat uitrijdt. Aan de overkant van de straat staat de vrouw met de holle ogen in de mist naar mij te kijken. Ze strekt haar rechterarm uit en met kromme vingers wijst ze naar mij. Ik hap naar adem. Ze steekt langzaam de straat over en ik stap heel snel naar binnen. Ik sla de voordeur dicht. Binnen wacht ik een paar meter van de voordeur af. Bij de buren hoor ik een aanhoudende schreeuw.

Foto

Van de week vond ik een oude foto uit 1978. Het was in de zomer van dat jaar, tijdens een bezoek aan Artis in Amsterdam, om precies te zijn. Op de foto staan mijn zus Gré, mijn zwager Hans en hun dochter, mijn nichtje Diana en ik. De foto was mij digitaal toegezonden door mijn neef Pieter, de zoon van mijn zus en mijn zwager, die in het jaar 1978 net anderhalf jaar oud was en daarmee te jong om mee te gaan naar Artis voor dagje uit. Zo werd dat besloten in die jaren van het vorige millennium: Kinderen hebben naar hun ouders te luisteren in plaats van andersom.

Dit is mogelijk een van de redenen dat mijn nichtje Diana en ik bloedchagrijnig op de foto van toen staan. Of niet. Ik weet niet meer wat de ware reden is geweest waarom we zo knorrig en nukkig op de gevoelige plaat zijn vastgelegd. Het zal wel te maken hebben gehad met een vermoeiende reis vanuit Den Helder. Vanuit deze plaats in Noord-Holland, waar ik toch zo’n dertig jaar heb gewoond, is iedere bestemming buiten de stad een hele onderneming. Zeker wanneer je weet dat het minimaal twintig minuten duurt voordat je vanuit deze stad op de snelweg aankomt, en dit zal in 1978 niet sneller zijn gegaan.

Ik kan me verder heel weinig herinneren van het uitstapje naar de dierengevangenis van Amsterdam. Heel vaag kan ik me de apenrots en haar bewoners voor de geest halen en er is een wazige herinnering over het reptielenhuis. Verder zie ik het beeld van een paar leeuwen die onrustig rondjes lopen, maar dat is van een laatste bezoek aan Artis in 2005. Ik heb het niet meer zo op dierentuinen of andere parken waarin dieren gevangen worden gehouden. Of ze nu kunstjes doen of alleen maar achter glas of tralies ademhalen. Ik vind het gevangenhouden van dieren niet meer van deze tijd. Dat is geen feit, maar gewoon mijn mening.

Bij het bekijken van de foto van ruim veertig jaar geleden komen langzaamaan meerdere herinneringen naar boven. Op de foto draag ik oude gympen van een merk dat nog steeds modieus, en daarom tijdloos is. Op de foto staat ik als een kleine jongen met blond haar, terwijl ik in 1978 al het kind-zijn ontgroeid was, volgens mij in dat jaar, en ik vond mezelf een heuse tiener. Als ik dit ook hardop had gezegd, had ik vast de lachers op mijn hand gehad, maar zo denkt een kind van elf jaar. Dat denk ik. Hoop ik. Verder is het leuk om de tijdsgeest te herbeleven. Het zijn niet alleen herinneringen, het is ook het gevoel van het verleden. Toen alles gemoedelijk was, of leek. Want dat is het verraderlijke aan herinneringen. Ze zijn altijd begiftigd met een verzachtend, onrealistisch filter.

img_9310

Commentaar

Meneer Barend is een schappelijke man van ongeveer vijftig jaar oud. Misschien een paar jaar ouder, maar hij oogt iets jonger. Tenminste, dat is wat hij zelf denkt. Hij is een vrolijke en altijd glimlachende man. Maar wat niet iedereen weet, is dat meneer Barend een mopperkont is. Meestal binnensmonds en nog vaker in zijn gedachten. Mopperen over het nieuws en mopperen op alles wat hem op het pad tegenkomt. Het meest klaagt hij over het gedrag van andere mensen in zijn omgeving. Over de mensen die doelloos als een zombie over straat lopen, constant starend naar het schermpje van hun telefoon. Hij kan het niet laten om er iets van te zeggen. Geërgerd maakt hij een bijtende opmerking, om vervolgens door te lopen.

Vandaag fietste meneer Barend naar een afspraak. Hij was op tijd van huis vertrokken, maar het waaide hard en er stond een flinke westenwind om tegenaan te fietsen. Om zeker te zijn dat hij op tijd voor zijn afspraak zou zijn, checkte hij snel de tijd op het scherm van zijn mobiele telefoon. Het horloge lag ter reparatie bij de juwelier. Hij bevond zich op een recht stuk fietspad en het zou nog honderden meters duren voordat hij op een kruising zou aankomen. Een snelle blik op zijn telefoon gaf aan dat hij nog voldoende tijd had, en nog voordat hij zijn telefoon weggestopt had, werd hij ingehaald door een wielrenner.
‘Van kleine kinderen had ik dit gedrag nog wel verwacht, maar..’ zei de wielrenner en reed zonder zijn zin af te maken, snel door.

Meneer BBarend schrok van de onterechte opmerking. Hij voelde zich betrapt op iets waaraan hij zich niet schuldig had gemaakt. Hij zat niet als een zombie op het scherm van zijn telefoon te kijken. Hij checkte alleen de tijd. Hij was niet alleen geschrokken, maar ook ontzettend boos. Waar haalde deze man het recht vandaan om het te bekritiseren? Om hier achter te komen fietste hij met alle kracht die hij in zijn benen had achter de wielrenner aan. Na een paar honderd meter lukte het hem om naast de oudere wielrenner te komen.
‘Waar sloeg dat op?’ vroeg hij hijgend en boos aan de verraste wielrenner. ‘Je kent mijn verhaal niet, dus wie ben jij om mij te bekritiseren?’
‘Ik zag dat je op je telefoon zat te kijken! Dat kinderen dat doen, oké, maar van volwassenen verwacht ik wel iets anders.’
‘Ik keek alleen voor de tijd,’ riep meneer Barend en liet een kale pols zien. ‘Kijk, ik heb geen horloge en daarom keek ik op het scherm van mijn telefoon.’
‘Het zal wel,’ zei de wielrenner. ‘Maar ik ben al twee keer over de kop gevlogen omdat er kinderen constant met hun neus op hun telefoon zitten te kijken.’
Nog steeds boos zei meneer Barend: ‘Misschien moet je in een drukke stad niet zo hard op je racefiets racen. Je kent mijn verhaal niet, maar het is al goed. We komen er toch niet uit. Ik wens u een fijne middag toe.’
‘Ik geef commentaar aan wie ik wil, en wanneer ik wil.’ Met deze laatste opmerking trapte de oude wielrenner snel zijn pedalen in en ging er vandoor.

Beduusd bleef meneer Barend alleen achter. Hij had zojuist een man kwaad aangesproken die niets anders had gedaan dan wat hij zelf dagelijks bij anderen doet. Commentaar leveren en bits naar anderen roepen dat ze asociaal zijn. Dat iemand dit bij hem deed, vond hij verwarrend. Hij was nog steeds van mening dat een wielrenner in een stad niet zo snel moest fietsen, maar meneer Barend moest ook lachen om zijn eigen belachelijke actie. Hij realiseerde dat hij in principe zichzelf achterna had gefietst. Per vandaag heeft meneer Barend zich voorgenomen om in het vervolg milder te zijn, niet meteen te oordelen en ook minder botte opmerkingen te maken.

Herenfiets

Nadat mijn vorige ‘On the Road’ fiets tijdens de grote fietsenrazzia van mei 2019 werd opgepakt en afgevoerd heb ik niet lang zonder een vervoersmiddel gezeten. Anderhalve week nadat mijn oude fiets voor recycling was afgevoerd, had ik al een zo goed als nieuwe, maar toch wel een oude herenfiets in Amsterdam staan. Het is de oude ‘Medley’-fiets van Edo, die er niet langer op wenste te fietsen. De achterband stond constant leeg en dat was iets om moedeloos van te worden. Ik besloot de Medley mee te nemen naar de fietsenmaker die er om de wielen van de fiets een bijna-niet-lek-te-krijgen-binnenband van zeven millimeter dikte 7 mm om wilde leggen. Al snel was een fietsenadoptie een feit en op de zomerse eerste dag van juni 2019 nam ik mijn Medley met de trein mee naar zijn nieuwe woonomgeving in Amsterdam Nieuw-West.

Hier heeft mijn Medley-fiets het heerlijk naar zijn zin. Dit in tegenstelling tot zijn voorganger. Waar mijn vorige ‘On the Road’ fiets onafgebroken haar banden in het zand zette en er alles aan deed om duidelijk te maken dat ze niet gelukkig was met de verhuizing naar Amsterdam, doet mijn Medley het heel goed. Medley neemt mij mee naar mijn werk en van mijn werk terug naar het metrostation. Toen het nodig was bracht hij mij zonder tegenstribbelen naar familieleden zo’n zesenhalve kilometer verderop in Amsterdam. Daar heeft hij zelfs nog een paar dagen mogen logeren in de kelderbox, totdat ik hem nodig had voor het traject metrostation en werklocatie. Dat hij daarna weer dag en nacht bij Metrostation Sneevliet in de buitenlucht moest staan, heeft hem niet in karakter veranderd.

Wel heeft mijn Medley een afvallige periode van dunne bandjes gehad. Ik dacht eerst dat het een lekke achterband betrof, maar dat leek juist onmogelijk, omdat de fietsenmaker de bijna-niet-lek-te-krijgen-binnenband om de wielen had gelegd. Toch hebben we samen ruim een anderhalve week met samengeknepen billen de dagelijkse drie kilometer tussen het metrostation en mijn werklocatie (en terug) afgelegd. Tot het moment dat ik besloot de hulp van een fietspomp in te schakelen. Ik nam de pomp mee van huis en al ras waren we in opperste stemming. Mijn fiets met volle banden en ik vol goede moed. Het was samen genieten, in volle vaart fietsend over de Johan Huizingalaan en de Henk Sneevlietweg.

Tot afgelopen maandagochtend. Ik dacht even dat mijn fiets een plan had beraamd, tezamen met zijn rijwielomstanders. Ontsproten uit de frames van de andere rijwielen bij het metrostation, natuurlijk. Wanneer je slechte ervaringen hebt opgedaan met een eerdere fiets, in dezelfde omgeving, dan ben je al snel vooringenomen in je oordeel. Het werd al snel duidelijk dat de fiets het sleuteltje niet langer in het slot leek te accepteren. Het fietsslot bleef wel open, maar verder werd er niets gepikt of geslikt. Ondanks mijn stinkende best kreeg ik geen beweging in het sleuteltje, en met enig geweld brak de fietssleutel tot mijn grote schrik in tweeën. Wilde mijn herenfiets hiermee aangeven dat de relatie tussen ons over was?

Met licht betraande ogen peuterde ik het restant van het fietssleuteltje uit het slot. Mijn fiets moest ik aan de reling van de brug laten staan, terwijl ik verder lopend naar mijn werk mocht. Nu moest ik alleen nog op zoek naar het reservesleuteltje. Het geluk was aan mijn zijde die avond; het reserve fietssleuteltje was snel gevonden. De volgende ochtend stak ik met een kloppend hart en trillende vingers het sleuteltje in het slot. Het gaf mee en met een luide klap schoot het fietsslot open. Mijn herenfiets had toegegeven en ik kon weer plaatsnemen op het zadel. Samen waren we snel onderweg, waar ik niet meer aan twijfelde of het een geplande vergelding van mijn rijwiel was geweest.

Snor

Waar ik heel blij mee ben tijdens deze koude dagen, is mijn baard. Het is een natuurlijke koude-beschermer. Ooit ben ik gestopt met het dagelijks scheren van mijn gezicht en ben ik begonnen met het groeien van mijn baard. In het begin wilde ik na vijf á zes weken af van gezichtsbegroeiing, even zonder baard en schoor ik mijn kin en kaaklijn weer helemaal glad, maar sinds enige tijd ben ik in het bezit van een baardtrimmer en heb ik sindsdien niet echt nog een blotebillengezicht gehad.

Het is niet zo dat ik nu groepslid ben van ‘Kamp Baard’ en dat alles wat niet baard is, per definitie stom of ongepast is. In de zomer draag ik de baard korter dan in de winter en wanneer er aankomende zomer een hittegolf heerst, overweeg ik vast en zeker de baard weer eens helemaal voor de volle honderd procent weg te scheren. Maar daar kan ik nu nog geen beloftes over maken. Mijn vader zou dan een van zijn vaste uitspraken hebben gezegd: ‘Tegen die tijd kan je wel een geitenkop hebben.’ Mijn vader had soms rare, maar ook rake uitspraken.

Nu ik er zo over nadenk, bedenk ik dat mijn vader nooit een baard heeft gehad. Wel heeft hij ooit een snor laten groeien. Dat was toen we, mijn ouders en ik, op vakantie in Nijverdal waren. Het was in de zomer van 1981. Mijn ouders hadden een huisje gehuurd op het erf van een ondernemer aan de Boomcateweg, die hiermee een aardig zakcentje verdiende. Het toeval wilde dat diezelfde zomer ook een vakantiekamp van Turnlust, de drumband van Den Helder op hetzelfde erf vakantie vierden. Enkele familieleden waren lid van deze drumband en via, via was er zeer waarschijnlijk het een en ander geregeld om mijn ouders daar vakantie te laten vieren.

Mijn vader was deze zomer waarschijnlijk toe aan verandering. Of wilde gewoon even iets anders. Op een ochtend deelde mijn moeder me tijdens het ontbijt mede dat mijn vader zijn snor liet groeien. Waarschijnlijk was deze beslissing in goed overleg gegaan en vond mijn moeder dat haar bijdrage in deze, de mededeling moest zijn. Natuurlijk wilde ik de snor meteen van dichtbij bekijken, maar dat was een teleurstelling. Daar waar bij mijn vader vooral alles snel moest gaan, liet de snor zich niet meteen zien. Daar ging wel even een flinke tijd overheen. Aan het eind van de vakantie zag ik eindelijk iets van een schaduwachtige snor op mijn vaders bovenlip staan.

De snor heeft overigens geen eerlijke kans gekregen. Op de laatste vakantiedag reden we vanuit Nijverdal naar de hoofdstad van Drenthe, omdat mijn nicht Clara ging trouwen. Mijn vader ging sinds die dag weer snorloos door het leven. Zijn gezicht schoon en glad. Ik heb het nooit gevraagd en hierdoor is het mij nooit duidelijk geworden of het afscheren van vaders snor een beslissing van mijn moeder was of dat mijn vader het zelf een jeukend onding vond.

Diagnose

‘Ik doe het niet.’
‘Maar ik wil het…’
‘En toch doe ik het niet.’
‘Maar ik heb er speciaal een afspraak voor gemaakt!’
‘Het is te oppervlakkig. Je maakt er meer mee kapot, dan dat het iets oplevert.’
‘Maar ik heb pijn.’
‘Dat is geen reden. Wil je van de pijn af, dan moet je de oorzaak weten, en van daaruit gaan werken aan een oplossing.’

Het was een discussie met mijn huisarts die ik niet ging winnen. Al weken had ik last van een ontsteking in mijn rechterelleboog en Google had bij mij een tennisarm gediagnosticeerd. Op het moment dat ik vergat dat ik een ontsteking had, probeerde ik bij metrohalte Van Sneevliet in Amsterdam een fiets bij het stuur op te tillen. Big mistake. Een enorme pijnscheut schoot er door mijn rechterarm en er keken kort een paar mensen naar mij toen ik het eventjes uitschreeuwde van de pijn. Dat was het moment dat ik besloot om een afspraak te maken voor een cortison-injectie.

Wanneer ik die avond verder had gegoogeld, had ik zelf ook kunnen lezen dat een cortison-injectie in je arm nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor het kapsel, pezen en het kraakbeen. Dat bedoelde mijn huisarts waarschijnlijk. Toch maar goed dat er huisartsen zijn die niet alleen even snel op Google een ziektebeeld checken. Geen snelle oplossing voor mijn pijn. Om de pijn in mijn arm te verlichten kreeg ik het advies om twee keer daags mijn rechterelleboog in te smeren met Voltaren Emulgel. Hiermee was de discussie met de huisarts gesloten.

‘Zijn er verder nog klachten?’ vroeg de huisarts mij.
‘Ik heb dagelijks pijn aan mijn voet door de artrose,’ zei ik. ‘Ik heb inmiddels de pijn een plaatsje kunnen geven, maar kunt u er eens naar kijken?’
‘Natuurlijk,’ zei ze vriendelijk lachend.
Ze vroeg me de schoenen en sokken uit te doen en plaats te nemen op de behandeltafel en nam mijn voeten onder handen. Ze bekeek de bult op mijn rechtervoet en bewoog mijn grote teen heen en weer, en op en neer.
‘Doet het zeer wanneer ik dit doe?’
‘Nee,’ zei ik naar waarheid.
‘Ik denk niet dat het artrose is. Het is een drukpunt.

Vervolgens gaf de huisarts mij wat advies over het aanschaffen van goede en ondersteunende schoenen. Tips waar ik niets aan heb, want gezien het feit dat ik al 10 jaar lang het idee -of de pretentie, dat ik artrose aan mijn rechtervoet heb, hou ik jarenlang rekening met de pasvorm van mijn schoenen. Ik loop constant op hetzelfde merk hardloopschoen om vooral geen last van mijn artrose-knobbel te hebben en mijn ‘normale’ schoenen lijken eerder op de schoenen van Katrien Duck, omdat deze altijd zo breed mogelijk moeten zijn.

Enigszins teleurgesteld verliet ik het gezondheidscentrum van Filmwijk. Geen cortison-injectie. Dit betekende dat ik nog even met pijn in mijn arm mag doorlopen en de gedachte dat ik artrose in mijn voet heb, blijkt nu een illusie te zijn! Wat ik vreemd vind, want op 14 mei 2007 is er toch echt wel artrose in mijn voet gediagnosticeerd. Dokters. Kan je de geneesheren en -dames tegenwoordig nog wel vertrouwen?

 

Evaluatiegesprek

Ik was vorige week maandagmiddag op bezoek bij mijn moeder, die nu een kleine maand woonachtig is in een verzorgingshuis voor licht dementerende bewoners. Deze middag was er een eerste evaluatiegesprek, tevens kennismakingsgesprek ingepland. De huisarts, de apotheker en de vaste begeleidster waren hierbij aanwezig.
Na een paar weken in het verzorgingshuis woonachtig te zijn is mijn moeder tevreden met haar nieuwe onderkomen en heeft ze het erg naar haar zin. Ook het contact met de andere bewoners is goed. Gezellig.
Ondanks dat ze vergeetachtig is, is ze niet onnozel. Zo weet mijn moeder dat het verzorgingstehuis haar laatste station is. Zoals ze dat beeldend aan ons kan melden. Ze zegt zich er wel bij neer te leggen en laat de dingen gebeuren zoals ze komen.
‘Uiteindelijk went alles,’ zegt ze me wanneer we in afwachting zijn van de huisarts, de apotheker en de begeleidster. Ik vind het heel verdrietig wanneer je beginnend dementerend bent en je er bewust van bent dat je de dingen begint te vergeten. Wanneer ik mijn moeder spreek vraagt ze iedere keer om een bevestiging betreffende het overlijden van mijn oudste zus, dat een paar maanden geleden is gebeurd.
‘Gré is er toch niet meer?’ vraagt ze dan.
Ik wil niet verzachtend of ontkennend antwoorden en leg haar uit dat haar oudste dochter alweer een enige tijd geleden is overleden.
‘Ach, wat is dat toch snel gegaan,’ zucht ze dan. ‘Inderdaad,’ antwoord ik en vertel haar grenzeloos voor de zoveelste keer dat we het allemaal heel verdrietig vinden. Mijn moeder weet het dus wel. Ze vergeet het gewoon af en toe.
Het evaluatiegesprek verloopt vlot. De nodige dingen, zoals de te gebruiken medicijnen en eventuele klachten, worden besproken, en vragen worden gesteld en beantwoord.
Mijn moeder zit er een beetje terughoudend bij. Af toe grapt ze komische opmerkingen. Op haar achtentachtigste leeftijd heeft ze soms toch nog de lachers op haar hand. Maar alle aandacht voor haar vindt ze helemaal niet nodig. Aan haar lijf geen polonaise. Wanneer de bezoekers met elkaar in gesprek zijn over pillen, recepten of alarmeringen zoekt ze oogcontact met mijn zus of met mij en knipoogt ze even. Het is niet dat ze het wonen in een verzorgingshuis niet serieus neemt, ze houdt niet van poeha en blabla. Mijn moeder doet graag haar eigen ding.
Zolang dat mogelijk is.

Strand

Vorige week zondag, de dag na de hittegolf -toen de buitentemperatuur niet meer gelijk of hoger lag dan de menselijke lichaamstemperatuur, zijn we na een afwezigheid van ongeveer 20 jaar weer eens op het strand nabij Den Helder gaan liggen. Ik weet het; het was die zondag niet echt een stranddag, maar de combinatie van een bezoek aan het strand nabij Den Helder is ook een bezoek aan mijn oude moedertje, die net een paar weken in het verzorgingshuis Dyckzicht woont.

Het was druk op het strand. Niet dat er hier en daar met zonnebrand ingesmeerde zonaanbidders lagen, maar het was druk met wandelaars en hondenuitlaatmensen. Het zonnetje brak door en wij besloten ons strandtentje uit te klappen. Met één greep uit de hoes stond het tentje meteen klaar voor gebruik. Wat een verschil met het opzetten van een windscherm, zoals we voor het laatst in het jaar 2000 deden. Dat was de tentstokken in elkaar schuiven, die vervolgens door de plooien van het schermdoek gestoken moesten worden, om vervolgens de lijnen aan te trekken totdat het scherm alle wind kon tegenhouden.

Eenmaal rustend met de blote billen op onze strandlaken, zagen we dat er meerdere strandgasten hetzelfde idee hadden. Niks wandelen, gewoon luierend op het zand. Bijna allemaal met de nieuwerwetse strandtentjes, als die van ons. Op een ouder echtpaar van net over de 70 na. Zij waren minutenlang bezig met het opzetten van het windscherm. Hoewel het eigenlijk de meneer was die druk was met het opzetten van het scherm. Mevrouw ging meteen op haar handdoek liggen. Soms zijn de taken niet helemaal gelijk gedeeld, maar wie ben ik om te oordelen?

Tijdens het mijmeren in het zonnetje gingen mijn gedachten naar het strand waar we ons nu bevonden, maar dan in de tijd dat we nog in Den Helder woonden en in de zomermaanden bijna dagelijks naar het strand gingen. Dat waren hele gebeurtenissen. Met vrienden van het in Den Helder niet meer bestaande café Chez Nous waren we geroutineerde strandbezoekers. Met flink gevulde boodschappentassen en koelboxen hebben we er uren doorgebracht.

Het was de tijd dat we als twintigjarigen dachten het strand te beheren. De wereld was van ons. We vermaakten ons met geanimeerde gesprekken, roddels en discussies. We speelden en zwommen in de zee en we hadden altijd te eten en te drinken. Honger was er alleen naar meer plezier. We verveelden ons nooit. We lachten luid en hielden ons niet in. We kenden geen zorgen over dat dit ooit voorbij kon gaan.

Mopperkont

De man schuin tegenover mij in de trein is me niet geheel onbekend. Ik heb hem vaker gezien. Hij is ongeveer van mijn leeftijd. Hij is altijd gekleed in een nette spijkerbroek met gestreken overhemd en fris gepoetste schoenen. Zijn kapsel is kort, ziet er verzorgd uit en is een beetje grijs bij de slapen. Verder heeft hij bolle hamsterwangen en een zuinig, samengeknepen mondje, waarmee hij een klein kind zou kunnen uitdagen om met de vingertjes in zijn wangen te laten prikken, zodat er een straaltje water uit zijn mond spuit. Wanneer ik deze man in de trein of op het perron zie, staat of zit hij altijd een beetje in elkaar gebogen. Als een bedeesd persoon dat verlegen opkijkt en om zich heen loert.

Ik kom de man, die ik voor het gemak Jan noem, niet iedere werkdag tegen. Ik weet ook niet of hij fulltime werkt of niet. Jan is een mysterieus mens. Ooit, toen de NS ons onbedoeld met een omweg naar onze bestemming wilde laten reizen, zag ik hem op ander station staan. Toen zag ik dat Jan ook mij herkende van het reizen. De eerste keer dat Jan mij opviel was op een terugreis in een volle trein, waarbij  3 moslima’s in gesprek waren met een oudere heer over het dragen van hijaabs. Jan ergerde zich aan het gesprek, want hij draaide constant met zijn ogen en mompelde onverstaanbaar.

Vandaag zit Jan met een koffie to go in zijn hand en kijkt vanuit zijn ooghoeken de trein in. Als door een wesp gestoken reageert hij op oogcontact. Ik denk dat Jan, ondanks zijn leeftijd, nog thuis bij zijn ouders woont. Het klopt met het idee dat ik van hem heb. Het tegenspreken van zijn ouders is uit den boze, vandaar het binnensmonds gemompel. Thuis, op zijn eigen kamer, waar hij beschikt over luxe gebruiksvoorwerpen waar zijn ouders helemaal geen weet van hebben, spreekt hij uit over het onrecht dat de wereld hem aandoet. Alleen op zijn kamer is hij de baas. Alleen daar is Jan de man.

In de trein zit Jan weer onverstaanbaar en binnensmonds te mopperen. Vooral nu, nadat uitzendkrachten in witte NS-jasjes, kaartjes hebben uitgedeeld met de mededeling dat er binnenkort weer werkzaamheden op het traject zullen zijn. Jan schudt in ontkenning en boosheid zijn hoofd. Hij is het er duidelijk niet mee eens. Hij is echt boos, want ik hoor duidelijk, ondanks dat het fluisterend uit zijn mond geperst worden, de woorden: tyfus en teringzooi. Vanavond wanneer hij thuis is, zal Jan op zijn kamer wel even duidelijk vertellen wat híj er allemaal van vindt.

Gedachten

De afgelopen weken was ik door familieomstandigheden vaak in mijn oude geboortestad Den Helder te vinden. Mijn moeder van 88 jaar, mocht haar intrek nemen in het verzorgingshuis Dyckzicht. Een thuis voor bewoners met een vorm van lichte dementie, zoals het verzorgingshuis het op haar website aan de bezoekers meldt. Dit hield in dat ik, in plaats van de reguliere familiebezoekmomenten, voor een langere periode in Den Helder aanwezig was.

De afgelopen jaren moest ik bij bezoek aan Den Helder een beroep doen op mijn geheugen, omdat al het nostalgische er niet meer aanwezig is (daar waar ik in de stad herinneringen heb opgedaan, is alles gesloopt), ben ik de weken op plaatsen geweest die er nog uitzagen zoals ik ze vroeger voor het laatst heb gezien. Zo fietste ik, samen met mijn zus Yvonne, door de diverse buurten waar ik allemaal herinneringen van 30 jaar geleden, of eerder, heb opgedaan. Toen ik vorige week woensdag door de Stakman Bossestraat reed was ik weer de tiener van toen en ervoer ik de herinnering van mijn jas, die in 1982 altijd zwaarder was door de vele buttons die ik erop had geprikt.

En zo kwam het dat tijdens het inrichten van mijn moeders nieuwe onderkomen en het verhuizen van haar oude inboedel dat ik constant met mijn gedachten in de vroege jaren 80 aanwezig was. De herinneringen aan de lp’s van Adam & the Ants, Culture Club en andere artiesten van toen, beantwoorde ik met afspeellijsten in Spotify. Tijdens het in elkaar zetten van de nieuwe linnenkast voor in mijn moeders nieuwe slaapkamer en tijdens het winkelen in mijn oude leefomgeving, schoten de herinneringen aan de oud-klasgenootjes en -collega’s door mijn hoofd, en dacht ik ineens aan de winkels in Den Helder van toen (zoals de niet meer bestaande stripwinkel Suske & Wiske aan de Middenweg en het bakkertje op de hoek Ooievaarstraat, Reigerstraat).

Ik vind het grappig dat je door de kleine ervaringen, evenwaardig aan die van vroeger, de herinneringen naar boven komen schieten en dan ook worden ervaren als een handeling die je de vorige dag nog gedaan zou kunnen hebben (terwijl dat voor mij ruim 35 jaar geleden is). Het blijft verwonderlijk hoe die hersenen van ons, ons ook zo voor de gek kunnen houden. Dat gebeurt niet alleen met de hersenen van mij, maar ook die van mijn moeder. Haar herinneringen van vroeger komen steeds vaker naar de voorgrond, waardoor ze het heden af en toe niet meer zo helder meemaakt.

Spaghetti

Ik kwam er van de week op het werk achter dat ik en de collega’s waarmee ik altijd lunch, naast onze werkgever nog een overeenkomst hebben. We blijken allen godloochenaars te zijn. Ik vind dat wel iets illusionistisch hebben. Het woord godloochenaar lijkt op goochelaar, terwijl de godloochenaar juist niets van de illusie wil weten. God bestaat niet en religie is een aanname. Daar zijn wij het over eens.

Het is nu niet zo dat we en ook meteen een atheïstenclub willen oprichten dat zich fanatiek bezighoudt met het ontkennen van god. We hebben niet zo een behoefte om anderen te overtuigen van ons denkbeeld, zoals andere groeperingen of partijen anderen dat wel graag doen. We willen geen bevestiging vinden in het overtuigen van mensen over het bestaan van een platte aarde of van een oppermacht.

De collega’s en ik willen niet tegen heilige huisjes schoppen, maar we ontkennen het bestaan van God, Allah, Jahweh, Krishna en andere opperwezens, zoals Bacchus. Hoewel ik deze laatstgenoemde wel een warm hart toedraag. 🍷
Het is ook niet zo dat we het grote aantal mensen die wel in geloven belachelijk maken. We denken dat het geloof best wel troost kan bieden. Voor diegene die het nodig hebben, om welke reden dat ook is.

Zo bracht collega Tom het pastafarisme aan de orde. Deze religieuze stroming, welke altijd kritisch is naar de huidige maatschappij en andere religies, maar deze altijd in de waarde laat, aanbidden het Vliegend Spaghettimonster. Het is een religie die werd opgesteld om de onzinnigheid van religieus geïnspireerd onderwijs aan te tonen. Hoewel de aanhangers zich met publicaties en symboliek als echte gelovigen presenteren, wordt het vaak als parodie op religie beschouwd. De volgers van dit geloof herken je door het dragen van een vergiet op het hoofd.

Ik had zelf al eens van het Vliegend Spaghettimonster en de vergietdragende aanhangers gehoord en het geeft ook heel goed aan waar -volgens mij- het geloof op is gebaseerd. Het zijn aangenomen hypotheses die door ontwijkende uitspraken en vage verklaringen worden bevestigd als de waarheid. We hebben geen religie nodig om een fatsoenlijk persoon te zijn. Wees je bewust van het verschil tussen goed en kwaad. Neem je eigen verantwoordelijkheid en schuil niet achter de naam van een religie of een opperwezen. Blijf verantwoordelijk voor je eigen daden. Iets zelf realiseren of creëren, werkt beter dan bidden. Geloof dát maar.

Gewoon

‘Hoe gaat het nu?’ vraagt een meisje in de trein aan haar reisgenoot. Ze is iets ouder dan 16 jaar. Blond haar, in een spijkerjack met veel kleurrijke patches erop genaaid. Ik denk dat het een nieuwe rage is, of een trend.
Ze kijkt hem aan en lacht: ‘Wat doe je als je met hem alleen bent? Kus je hem en hou je zijn hand vast?’
De jongen lacht stilletjes. Zijn glimlach is een bevestiging.
‘Wat vind je omgeving ervan?’ vraagt ze hem.

De jongen rolt heel even met zijn ogen en zucht: ‘Soms word ik moe van de opmerkingen over wie de man is en wie het vrouwtje. Het gekronkel om mijn geaardheid. Vinden ze mij ziek of zien ze het als een geintje van Moeder Natuur?’
‘Ik niet hoor,’ antwoord het meisje in spijkerjack.
De jongen knikt. ‘Ik hoef me niet te schamen. Ik ben naar God’s evenbeeld gecreëerd. Maar mijn broer kan niet begrijpen dat ik van een man kan houden, en mijn vader denkt dat we zijn vervloekt.’

Het lijkt alsof hij een traan wegdrukt, maar hij glimlacht al snel naar zijn reisgenoot. Zij pakt zijn hand.
‘Het is precies hetzelfde, maar dan net andersom,’ zegt ze lieflijk. ‘Het is niet beter en ook niet erger. Het is gewoon hetzelfde.’

‘Maar wat kan ik zeggen en waar moet ik heen?’ vraagt hij zachtjes.
Ze haalt haar schouders op. ‘Wil je dat de wereld het weet of bouw je een gevangenis van je eigen angst. Wordt een kamikaze-nicht.’
‘Maar kan ik me beheersen,’ fluistert hij luid. ‘Moet ik mijn mond houden? Ik ben toch niet de enige gay?’

‘Je hoeft niet bang te zijn,’ sust ze hem.
‘Ik weet het,’ zucht hij. Ik ben naar God’s evenbeeld gecreëerd en het is precies hetzelfde, maar dan andersom.’
‘Juist,’ bevestigd zij hem en pakt hem bij zijn beide armen. ‘Vind je hem leuk, hou je van hem?’ vraagt ze.
‘Hou ik van hem? Ja, ik hou van hem. De mensen hoeven niet te twijfelen aan mijn genegenheid. Mijn liefde is geen aandoening. Het is liefde in contradictie.’
‘Amen,’ zegt ze. Ze klopt met de vlakke hand op zijn bovenbeen en geeft hem vervolgens een kus op zijn wang. ‘

Zweet

Warm. Warmer. Week 30, 2019.
We zitten momenteel met zijn allen in Nederland middenin een hittegolf. Dat merken we niet alleen door de hoge, aanhoudende temperaturen of het smeltende asfalt, maar vooral ook door het geklaag over de enorme aanhoudende warmte herinnert ons aan de zomer. Het aanhoudende gejeremieer van de mensen over het warme weer kan ik persoonlijk minder goed verdragen dan de hitte zelf.

Gelukkig mag ik door-de-week naar mijn werk in Amsterdam, waar het op de werkvloer tot ± 15:00 uur lekker koel en fris is vertoeven. Aan het einde van de dag stap ik pas de warmte in. Op de fiets terug naar metrostation Henk Sneevliet is het wel lekker, maar wanneer ik op lijn 51 stap, richting Station Amsterdam-Zuid ervaar ik ook de warmte. Iedereen heeft een glimgezicht van het zweet en ik voel het zweet op mijn rug, en ben blij dat ik het kan. Anders lag ik in no-time voor dood op de metrovloer.

In de metro is alles warm. Zelfs het metalen interieur straalt warmte uit. Andere reizigers zitten verslagen en verhit voor zich uit kijken. Zelfs de mobieltjes worden amper bekeken, behalve om af en toe te zien hoe warm het precies is en dat door te geven. Mensen zijn gek. Er wordt een tussenstop gemaakt bij metrohalte Amstelveenseweg en een vrouw met droog strohaar stapt in en blijft zo’n 30 centimeter voor mij staan. Ik ervaar het als een schending van mijn aura.

Het droge haar van de vrouw, blijkt niet zo verdord. Bij de haargrens zie ik druppeltjes zweet langs haar gezicht en nek naar beneden gaan. Ze zucht, steunt en kreunt. Alsof het aanstellerig gedrag enige verkoeling geeft. Ik betwijfel het. De metrowagon komt aan op station Amsterdam-Zuid en de mensen verdringen zich bij de deuren. Nog meer ervaar ik mijn aura als gemolesteerd. Zeker wanneer een hele grote meneer naast mij komt staan. De geur die hij met zich meeneemt is indringender dan de temperaturen in de stad.

We redden het de adem in te houden tot de metrodeuren opengaan, en wanneer we naar buiten stappen, ademen we warme lucht in. Ik ervaar het als een nieuwe belevenis. Ik krijg geen frisse lucht, maar alleen warme zuurstof in mijn longen. Toch zijn er mensen die zelfs in deze warmte de trein moeten halen en als een halvegare naar de poortjes rennen om vervolgens de aansluitende trein net niet te halen. Daar sta je dan zwaar te transpireren op het perron, te wachten op de volgende trein. Mensen zijn gek, en ik denk: ik doe het rustig aan. Daarom zweet ik een pietsie minder dan die anderen.

Slim

Ik zit op een houten plateau op het stationsplein in Almere te wachten en van het mooie weer te genieten. Schuin tegenover de Primark (of de Praaimark als ik ervaringsdeskundigen moet geloven) en de ijssalon op de hoek. Het is druk in het centrum. Veel mensen zitten naast, en rondom mij op het plateau, en op de terrassen zit men te genieten van hun drankje en het gezelschap.

Twee meiden, of eigenlijk vrouwen, want ze zijn de leeftijd van ‘het meisje zijn’ net ontgroeid, komen van de ijssalon naar het bankje lopen. Druk likkend aan hun verkoelende traktatie drukken ze hun achterwerken in de krappe opening tussen mij en de andere bankzitters. Ik schuif mijn billen iets naar rechts. De volle papierentassen van de Primark klemmen ze vast tussen de benen.

‘He he,’ zucht de vrouw naast mij. ‘Even zitten hoor. Ze draagt een sierlijke paardenstaart achter op haar hoofd en heeft haar voeten in slippers met een pluizig bontje gestoken. De nagels van haar tenen zijn felroze gelakt.
‘Nou, echt wel. Even zitten,’ verzucht de ander. Ze heeft kort blond haar en draagt een zwart zomerjurkje met knalrode gympen aan de voeten.
De vrouw met de pluchen slippers likt nog even wat gesmolten ijs van haar hoorntje. ‘Wat was dat voor een mens daarnet bij de kassa?’
De vrouw in het jurkje rolt met haar ogen. Ik kan niet zien dat ze het doet, maar ik hoor aan haar zucht dat ze met haar ogen rolt.
‘Nou, dat was echt een heel dom wijf. Niet de slimste.’

Ze zijn even stil. Ze laten even de gedachten bezinken, denk ik. Verder likken zij vurig aan de ijsjes. Het smakkend geluid doet me denken aan mijn kat thuis. Die kan ook heel fanatiek likken bij het wassen van zichzelf.
De vrouw met de slippers gaat rechtop zitten en schudt even het hoofd los, waarbij haar paardenstaartje mooie zwaaibewegingen maakt.
‘Kijk,’ zegt ze. ‘Je hoeft van mij niet mega-slim te zijn om in een winkel te werken. Ik heb ook geen hoog IQ, maar mijn EQ.. Die is prima. Mijn emotie kwasjent ligt best wel hoog.’
Dit bevestigt ze door haar hoofd enthousiast te knikken. De paardenstaart zwaait weer.
‘Het is emotioneel quotiënt,’ zegt de vriendin in het jurkje.

Ik kijk van mijn mobieltje op. De vrouw in slippers kijkt haar vriendin met een schuin hoofd aan.
‘Ja, dat bedoel ik. Emotioneel kwasjent,’ zegt ze.
‘Quotiënt,’ zegt de ander rustig.
‘Ja-ha,’ lacht ze. ‘Dat bedoel ik. Mijn EQ, zeg maar.’
De vrouw in het jurkje kijkt haar vriendin in slippers recht in het gezicht en vraagt: ‘Wist je dat mensen met een laag IQ altijd lopen te pochen dat ze een hoog EQ hebben? Komisch toch?’
De vrouw lacht hardop en roept: ‘Ja, inderdaad!’
Haar lach verdwijnt langzaam en ik hoor bij wijze van spreken de radertjes in haar hoofd draaien.
‘Ha ha. Nee! Wacht eens even,’ stelt ze. ‘Nee, dat bedoel ik dus niet.’De vrouw in het jurkje neemt een hap uit haar ijshoorntje. Ze knipoogt en glimlacht naar haar vriendin.