Anders

Vanmiddag vaarden er tachtig boten door de grachten van Amsterdam, met hierop de flamboyante, kleurrijke, maar ook serieuze personen met het doel om het bestaansrecht van de homoseksuele medemens te rechtvaardigen. Het is vandaag de dag nog nodig om hier aandacht voor te vragen, want er zijn te veel homofoben in onze (Nederlandse) samenleving. Zij die homoseksualiteit zien als een ziekte of een afwijking. Ik vraag me af hoe deze mensen reageren wanneer hun eigen kind, of kleinkind, uit de kast komt. Ik hou mijn hart vast voor deze kinderen.

Het is vandaag ook precies 74 jaar geleden dat Anne Frank, tezamen met de andere bewoners van het Achterhuis aan de Prinsengracht, opgepakt werd om vervolgens naar verschillende kampen afgevoerd te worden. Niet omdat ze anders dachten of deden, maar omdat ze ander waren. De nationaalsocialisten vonden de Joodse mensen afwijkend en daarom verachtelijk. Dat er juist vanmiddag mensen die niet alledaags zijn over de Prinsengracht vaarden doet mij goed. Er is in de laatste zeventig jaar wel wat veranderd, maar het kan altijd beter.

Sprinterstop

De warme temperaturen in Nederland houden nu weken aan. Horden mensen kunnen er geen genoeg van krijgen, terwijl andere groepen er al weken genoeg van hebben. Zij verfoeien alles wat overdadig lichaamszweet oplevert. Daar kan ik me wel in vinden, want ondanks de zomerhitte zijn sommige mensen heel zuinig met het watergebruik, wat vaak een onaangename geurzone veroorzaakt. Ondanks dat hou ik van de warmte van de zomer. Ik heb het liever dan een strenge winter. Hoewel ik de afwisseling van de seizoenen heel prettig vind.

Op een van de warmste dagen van de afgelopen week, rij ik met het openbaar vervoer naar huis. De vervoersbedrijven hebben het niet makkelijk in de zomer (..herfst, winter en lente). Door de aanhoudende hitte van de afgelopen weken valt er veel uit. Beschadigde bovenleidingen, sein-, stroom- en andere storingen zorgen voor vertragingen of zorgen ervoor dat gehele reisadviezen komen te vervallen. Daar sta je dan met een verhit lijf te wachten op een trein die niet rijdt.

Zo kan het dat je op weg naar Almere geen keuze meer hebt en er maar één treinadvies is. Het advies dat je normaal gesproken ontwijkt, omdat die trein op alle tussenliggende stations stilstaat. Wanneer ik in een stoptrein zit, ervaar ik het alsof ik aan een kleianimatiefilmpje meedoe. Stop Motion. Stop Motion. Stop en stap uit. Maar wanneer je naar huis wilt en de stroptrein is de enige mogelijkheid dan stap je wel in de trein. Zelfs wanneer het een sprinter is.

Wie ooit bij de NS heeft bedacht dat de Sprinter een fantastisch vervoersmiddel is, verdient het om op de rails vastgebonden te worden. Het is een volslagen vervoersonvriendelijk en onooglijk rijtuig. Daarbij mag ook de persoon die heeft bedacht dat reizigers wel even 9 minuten op station Weesp (een station nog lelijker dan een sprinter) kunnen stilstaan, ook op de rails gaan liggen. Zo is het op deze extreem warme dag, waarbij te weinig treinen rijden, dat er tientalle -bijna gestrande reizigers in de Sprinter stappen. In no time staan er 8 reizigers in mijn aura.

Daar sta ik, met mijn rugtas tussen de benen. Omringt door een meute chagrijnen. Zij worden niet vrolijk van de mededeling dat deze Sprinter niet verder reist dan station Almere Centrum. Sprinter. Ik moet lachen om de incorrecte naamkeuze. De chagrijnen grijpen meteen naar de mobiele telefoons om vervoer vanaf Almere te regelen. Dit levert iets aardigs op. Mensen worden verleid te reageren en niet langer chagrijnig voor zich uit te fronzen. Reizigers vragen aan onbekenden of ze met hen, verder dan Almere Centrum, mogen meereizen.

Zo ontspruit er saamhorigheid. We zijn begaan met de anderen, omdat we allemaal in hetzelfde schuitje* zitten. Er worden afspraken gemaakt en we trakteren elkaar op grapjes en ervaringen die met het openbaar vervoer zijn opgedaan. Zo rijden we even later in een langzaam tempo naar Almere Centrum. Met een vertraging van ruim 30 minuten stappen we eindelijk uit de Sprinter. Op het perron is het de zomerse hitte die ons in het gezicht mept. Bijna thuis, denk ik verheugd.

*Sprinter

Voorraad en Verraad

Ik las van de week dat deze zomermaand sinds juli 1976 de droogste maand is. ‘Als het zo droog blijft, gaat het droogterecord van 1976 er binnen nu en twee weken aan. Dat jaar zorgde voor de droogste zomer ooit in Nederland,’ berichtte RTL van de week op haar website. Ik las het met een glimlach op mijn gezicht, want ik kan wel aan deze droge warmte wennen. Iedere dag voelt voor mij als een vakantiedag in Zuid-Europa of in de landen waarvan ik de droge warmte heb mogen meemaken. Ook de dagen dat ik mag werken voelen als vakantie.

Mijn glimlach was er ook omdat ik de warme, droge zomer van 1976 nog heel goed kan herinneren. Het was de zomer van mijn eerste zomerkamp in Zeist met Scouting -toen nog door iedereen de Padvinderij genoemd. Als negenjarige pre-tiener ging ik voor het eerst zonder mijn ouders op vakantie. Dat maakt het sowieso een ervaring waarvan ik toen wist dat ik deze nooit ging vergeten. Het was een week van onbezorgd plezier, onder begeleiding van volwassenen waarvan het autoritaire die ouders hebben, ontbrak.

Het was een week waar ik als kind de wereld heb ervaren met alleen jongens van mijn eigen leeftijd. Niemand die zich verder met ons bemoeide. Persoonlijke hygiëne was die week op vakantie. Wanneer je niet wilde douchen, was dat de reinheid die we hadden. Met die aanhoudende droogte wervelden de stofwolken in iedere huidplooi. Dit resulteerde later in het verhaal dat ik jaren heb mogen aanhoren: Bij terugkeer in Den Helder werd ik niet meteen door mijn moeder herkend, omdat ik eerder op een buitenlands jongetje leek dan op haar eigen zoon.

Die week in de zomer van 1976 was ongedwongen, maar we hadden ons wel aan regels te houden. Open vuur was verboden tijdens het zomerkamp in die droge zomer van 1976. We mochten geen brood bakken met klef deeg om een boomtak gerold. Dat heb ik in de latere zomerkampen wel mogen meemaken. Het aangebrande brooddeeg met je tanden van een boomtak schrapen. Mieters. Ook was het ons verboden om in de voorraadkamer van het kamp te komen. Dit gold niet voor Simon Peters. Hij was de populaire jongen in de groep, die opviel door zijn onverschrokken gedrag.

Simon had het idee opgedaan om op een avond naar de voorraadkamer te gaan om er wat kasten leeg te plunderen. Als negenjarige dacht ik nog de wereld aan te kunnen en samen met Simon en andere padvindertjes liepen we op een bepaalde avond na bedtijd richting de keuken. De spanning was te snijden. Met een druk op de blaas liepen we op onze tenen over de gang. Het plan was dat ik bij de voorraadkamer op de uitkijk zou blijven staan, zodat de anderen van de voorraad konden gappen. Ik was doodsbang, maar vond mezelf ook heldhaftig. Ik voelde me een tienjarige jongen.

Simon en de anderen waren goed bezig. Tijdens het roven kreeg ik door een kier van de deur een flinke handvol chocolaatjes toegestoken. Van de spanning propte ik alles in een keer naar binnen en probeerde ik al kauwend alle chocolade weg te malen. Ik beleefde een bijna-dood-ervaring toen ik vlak naast mij ‘Wat doe jij daar!?’ werd toegesnauwd. Van schrik slikte ik alle chocolade in een keer door. De persoonlijke carrière als uitkijk was toen en daar voor altijd gedaan. Hoestend en proestend wist ik te liegen dat ik op weg naar het toilet was.

De leidinggevende, die wij Bagheera noemden, vertelde me dat ik uit koers was en hij wees richting de toiletten. Ik knikte en liep in de richting die zijn vingers aanwezen. Hij liep achter mij aan. Ik wist dat dit de bedoeling was, want zo konden Simon en de anderen ongestoord uit de voorraadkamer terug naar de slaapzaal lopen. Zo bleef het ons geheim. Bij de toiletten vroeg Bagheera aan mij of de chocolade lekker was geweest. Ik keek hem gespeeld niet begrijpend aan. Wederom wees hij met zijn vingers. Mijn ogen volgden de vingers, en in de spiegel die boven de wastafels hing zag ik mijn eigen geschrokken gezicht, met daarin mijn chocoladebruine mond.

Uit 1977

Onderweg naar mijn metrostation haal ik hem op de Henk Sneevlietweg in. Hij is een man van middelbare leeftijd. Het pak dat hij draagt heeft ruim de tand des tijds doorstaan. Zijn jasje zit iets te krap en de broekspijpen zijn iets te wijd. Daarbij is de lange broek te kort. Hoog water. Als een kalenderjaar een persoon kan zijn, dan had het jaar 1977 de man gebeld en aan hem gevraagd het pak te retourneren. Voor een moment slaat mijn fantasie op hol. Ik verzin dat de man wel eens een tijdreiziger kan zijn. Eentje die in het verkeerde jaar, 41 jaar te laat, terecht is gekomen. Bij aankomst van mijn metrostation ben ik de tijdreiziger alweer vergeten.

Op het perron mag ik een paar minuten op de metro wachten. Met lichte verwondering kijk ik naar de zomerse kleding van mijn medereizigers. Of eerder het gebrek er aan. Vanuit het werk loopt men tegenwoordig in de stad rond in strand- of zwemkleding. Ik zie meer door inkt gekleurde huid dan kleurrijk textiel. Noem me ouderwets, maar in korte broek en op teenslippers naar je werk gaan, vind ik persoonlijk niet kunnen. Maar het is 2018 en mijn mening zegt alles over mij, dan dat het iets over de bijna blote mensen in Amsterdam zegt. En dan onthoud ik me van enig commentaar over het gebrek aan lichamelijke verzorging en de geur van de mensen.

Om 16:45 uur brengt de metro ons allen in de wagon naar station Amsterdam-Zuid, waar ik mag overstappen naar de trein die me naar Almere brengt. Het voelt bijna als een geluksdag. De trein rijdt het station binnen wanneer ik via de roltrap het perron op stijg. Een zitplaats is al snel gevonden. Ik neem plaats op een klapstoeltje op het balkon van de trein, en ik app naar huis dat ik er aankom. Andere reizigers lopen door naar een zitplaats in de coupé. Eén reiziger loopt niet door en komt op het stoeltje naast mij zitten. Vanuit een ooghoek herken ik de te korte lange broek. Het is de man uit 1977. Ik kijk hem aan en hij kijkt terug.

‘Wat een heerlijk weer is het toch, vind u niet?’ vraagt hij mij.
‘Nou,’ antwoord ik, en ik hoor mijn vader via mijn mond praten. ‘Deze zomer duurt nu al langer dan de zomer van vorig jaar.’
‘Ja. Dat zei ik vanmorgen precies zo tegen mijn vrouw!’
Het laatste woord komt er een beetje geforceerd uit. Schreeuwerig. Ik schrik er zelfs een beetje van. Denkt hij dat ik hem niet wil geloven? Ik kan niet bedenken waarom hij geen vrouw kan hebben getrouwd. Ik kan even geen antwoord geven en val stil. Ondanks het door mij verzonnen mysterie van het pak uit 1977 heb ik de man niets te vragen, en mijn vader houdt ook zijn mond.

D-Day

Het is me niet duidelijk of het de schoorsteenveger is geweest of dat het een vandaal was die -eerder dit jaar- het nodig vond om op het dak van de garage te gaan staan. Dat er uiteindelijk een scheur en een gat in het garagedak door een manspersoon is ontstaan, is een feit. Een onaangename verrassing waar je nooit op voorbereid bent. Lijkt me ook niet logisch. ‘Vandaag maar eens kijken wie er als laatste een gat in ons garagedak heeft getrapt,’ is een vraag die men niet dagelijks stelt.

Maar ineens is het er dan. Heel aanwezig. Een scheur c.q. gat in het dak. Eerst ben je boos, daarna ontmoedigd en uiteindelijk reken je uit wat een reparatie je gaat kosten. Een gat in je dak is niet zo maar te verhelpen met een stukkie dakbedekking. Wanneer je dan de rekensom hebt gedaan ga je denken aan alle leuke dingen die je met zo’n bedrag kunt doen, en heel even reken je het bedrag terug naar de Nederlandse gulden. Een lichte infarct is het gevolg.

Je troost jezelf met de gedachte dat je blij mag zijn dat je het bedrag voor een reparatie kunt uitgeven, terwijl het duiveltje op de andere schouder je influistert dat je ook een luxe vakantie had kunnen boeken. Het is niet anders. Het dak moet worden hersteld naar originele staat. Je vraagt een paar offertes aan en besluit uiteindelijk voor een aannemer te kiezen die de opdracht mag uitvoeren. Hierna volgt de klus om de garage te ontdoen van inhoud, want een ingrijpende dakreparatie houdt in dat het hele dak er af moet.

Zo ben je op je vrije zaterdag een paar uur druk met het uitruimen van de garage, en ben je verrast van alle troep die je in de loop van jaren hebt verzameld. Gelukkig is het zomer en is het deze maanden ook echt zomers weer geweest, waardoor de troep -weliswaar onder een zeiltje- droog kan blijven staan. De katten in de buurt vinden het allemaal heel interessant, want die lopen constant door onze verzameling. Vooral de tuinkussens worden uitgebreid getest. De kattenharen zijn het bewijs.

Dan is eindelijk die dag aangekomen. D-Day. Dak-dag. De mannen trekken ‘s-ochtends in no-time het dak eraf, om daarna het dak weer op te bouwen. Het is warm deze dag en de stoere mannen ontdoen zich van onnodige kleding waardoor ze met ontbloot, gespierd en getatoeëerd bovenlijf aan het werk zijn. Dit beeld is een buurvrouw van een paar huizen verderop niet ontgaan. Ze komt zeer zomers gekleed aan met ijsjes voor de mannen, om later nogmaals met koude drankjes langs te komen.

De mannen accepteren de koude traktaties. Wanneer de buurvrouw weg is worden er een paar seksistische machograpjes gemaakt. Het is iets waar deze, voor ons onbekende, buurvrouw zeer waarschijnlijk op had gehoopt. Het is duidelijk: de beweging die #metoo heeft losgemaakt is haar helemaal voorbijgegaan. Ondanks de hitte werken de mannen stug door, en aan het einde van de dag is alles gedaan. De buurvrouw kreeg haar aandacht, de mannen de vergoeding voor hun werk en wij zijn trotse eigenaars van een nieuw garagedak.

Kleinhartige Killer

De afgelopen week heeft het niet veel geregend. Dat is helemaal niet zo erg. Dat wordt naast het dagelijks genieten van het droge weer, ‘s-avonds de tuin besproeien. Daar knapt het groen van op. Onze poezen daarentegen vinden dat maar niets. Plaatselijke regenbuien die vanaf de grond spetteren. De katten mekkeren, maar dat gezeur laat me niet weerhouden van achtertuingespetter.

Van de week lag ik in de avond op de bank. Een beetje bankhangen met een opengeslagen boek voor mijn neus, toen Harpo zich bij mij meldde. Hij is een zwarte, uit de kluiten gewassen je-weet-wel-kater, met een aparte vacht die wellicht het meest doet lijken op het stekelige haar van Barbabob. De tuin was gesproeid en Harpo had iets te klagen. Dat mag, ik luister toch niet naar kattengeklaag.

Ik moet bekennen, Harpo is een aparte kat. Als je hem voor het eerst ziet lijkt hij een grote gevaarlijke kater met zijn beschadigde linkeroor. Zeer waarschijnlijk tijdens een gevecht ontstaan. Maar dat maakt hem nog geen stoere kat. Zijn bekje staat altijd wel een beetje open en daarbij kijkt hij altijd een beetje afwezig. Dat er heel soms er een druppel kwijl uit zijn bekje valt, geeft het hem eerder een sukkelig uiterlijk.

Zo zit hij van de week naast mij op de bank. Zijn koppie dicht bij de mijne. Hij kijkt me aan (zo lijkt het) en dan komt er een idioot hoog geklaag uit. Het past totaal niet bij zijn grote postuur. Alsof hij aan het heliumgas heeft gezeten. Zijn gemiauw is te vergelijken met de stemmen van Betty Boop en Mickey Mouse. Dat maakt hem bijzonder. Een stoere kat, maar toch ook weer helemaal niet.

‘Een sukkel eerste klas,’ hoor ik u zeggen? Dat is niet helemaal waar. Misschien in de ogen van de mens, maar vanuit de beleving van een veldmuis is het een monster. Een wreedaard, waar Godzilla nog iets van kan leren. De grootste hobby van Harpo is op muizenjacht gaan. Hij doet het graag, en vaak. Dat kan ook prima met het grote grasveld voor ons huis. Gisteravond vrat hij 2 veldmuizen op. Binnen 15 minuten. Dat is toch best stoer? Mij ziet u het niet doen.

Onaardigheden

Waar ik mijn hele leven altijd heb gedacht dat ik wel een aardig persoon ben, raak ik er de laatste tijd steeds meer van overtuigd dat het waarschijnlijk niet zo is. Ondanks dat ik de laatste jaren glimlachend door het leven ga (van fronzen krijg je rimpels, en ja, ik ben hier te laat mee begonnen) maakt dat niet altijd alle mensen blij. Dat geeft niets. Er zijn veel mensen die mij niet blij maken, maar daar heb ik het wel eens een andere keer over. Ik maak de mensen niet blij. Het zij zo.

Een maand geleden haalde ik dankzij een kort sprintje op station Amsterdam-Zuid nog net de trein naar thuis. De conducteur floot zijn fluit op het moment dat ik de trein in schoot. Zwaar ademend liep ik de coupé in op zoek naar een zitplaats. Er was nog plaats bij een meisje en een oudere vrouw. Ik ging zitten en het meisje keek mij heel teleurgesteld aan. Met een trillend stemmetje zei ze dat ze deze plek, waar ik zat, voor haar zusje en haar vader was.

Met een ‘In de trein hebben we geen gereserveerde plaatsen,’ bleef ik zitten. Het meisje liep weg en de mensen in de coupe keken mij aan. De oudere vrouw schuin tegenover mij mompelde mij het woord flauw toe. ‘Hoezo flauw,’ vroeg ik haar. ‘Ik heb net zo veel recht op een zitplaats als iedereen.’ De vrouw viel in de herhaling, ze mompelde mij hetzelfde woord toe en verschool zich achter haar e-reader. Van het meisje, haar zus en vader heb ik trouwens niets meer vernomen.

Diezelfde week reageerde ik op social media op een tweet met de opmerking dat de term homohuwelijk  inmiddels achterhaald is. Het is een huwelijk, ongeacht wie er trouwt. Ik antwoordde bevestigend met een vergelijking van andere huwelijken die juist niet specifiek benoemd worden. Ik sprak over een gehandicaptenhuwelijk en een moslimhuwelijk, maar ook over een huwelijk waarbij ik, zonder na te denken, het n-woord heb gebruikt. Hierop werd mij door een andere twittergebruiker de titel racist toebedeeld.

Mijn uitleg dat men mijn woorden uit de context haalde, werd juist als de superioriteit van een typisch blanke man gezien. Dat vond ik zelf dan een beetje racistisch, maar enige verdere uitleg van mij kwam gewoon niet goed over. De vrouw was zeer stellig. Ik wilde haar graag overtuigen omdat ik mezelf helemaal niet als racist zie, maar toen er meerdere twitteraars ook tegen mijn ageerden, haakte ik af. Dit was iets dan ik niet kon, en ook niet meer wilde winnen.

Zo blijkt maar weer dat je onbedoeld toch als een onaardig persoon kan worden ervaren. Zo bleek van de week op Amsterdam-Zuid. Vanuit het werk was het weer een uitdaging om mijn verbinding naar Almere te halen. Vanuit de metro moest ik versneld naar perron 1 lopen. Tijdens deze spits was er een mevrouw met een beker koffie in de linker- en een koffer op wieltjes in de rechterhand, die hierdoor de toegang tot de roltrap belemmerde. Licht geïrriteerd glipte ik langs haar.

De mevrouw met koffie en koffer schrok hiervan en tetterde verwijtend dat ik haar aan de kant duwde. Een paar treden hoger hield ik mijn pas in (ik zag dat mijn trein er nog niet was), en zei haar dat er veel dingen zijn die ik niet doe, en het aan de kant duwen van mensen hoort daar zeker bij. ‘Laten we vooral normaal met elkaar omgaan,’ zei ik voordat ik het perron op steeg. Mevrouw met koffie en koffer zocht schetterend bijval van medereizigers, maar mijn aandacht had ze niet meer.

Hierbij biecht ik het dan maar op. Ik ben een onaardig persoon. Ik steel de zitplaats van jonge meisjes in de trein, ik gebruik foute woorden die nu niet meer kunnen en ik geef mensen het idee dat ik hen aan de kant zet. Al deze handelingen waren geen opzet. Ik vind mezelf nog steeds de knul van een toen, die denkt vriendelijk naar anderen te zijn. Ondanks dat ben ben ik toch een zeer onsympathieke man. Juist wanneer ik geen rekening houd met de ervaring van anderen. Het is iets waarmee ik moet leren leven.

Skwiesj

Een paar maanden geleden liep ik samen met een collega vanuit het werk naar metrostation Henk Sneevliet. Het had die dag flink geregend, want onderweg mochten we meerdere regenplassen ontwijken. Halverwege onze wandeling werd mijn aandacht door een vreemd geluid aangetrokken. Een geluid dat ik niet thuis kon brengen.
Skwiesj. Skwiesj. Skwiesj. Skwiesj.
Ik keek mijn collega aan en vroeg: ‘Hoor jij dat ook? Wat is dat?’
Skwiesj. Skwiesj. Skwiesj. Skwiesj.
‘Oh,’ zei hij. ‘Dat zijn mijn schoenen. De hakken onder mijn schoenen zijn versleten en nu komen die luchtcompartimenten in de hakken vrij. Het regenwater maakt dat geluid.’ Het was een duidelijke verklaring en we praatten door over wat er die dag was gebeurd en wat ons de komende dagen stond te verwachten. Op het metrostation stapte mijn collega in de metro richting Sloterdijk en even later vertrok ik met de metro richting Amsterdam-Zuid.

In de trein naar thuis dacht ik nog even aan het ‘Skwiesj-geluid’ en begreep toen, op dat moment, dat ik het geluid lang geleden al eens eerder heb gehoord. Ik heb vroeger vaak genoeg schoenen afgesleten en de kapotte schoenhakken maakten toen hetzelfde geluid.
Skwiesj. Skwiesj.
Vroeger hadden de kinderen in mijn omgeving maar 1 paar schoenen. Sommige kinderen hadden misschien 2 paar schoenen, maar dan was het tweede paar voor de zondag. Zondagse kleren waren vroeger een bekend gegeven. Voor mijn moeder zal het moment dat mijn schoenen versleten waren dan ook de gelegenheid zijn geweest om nieuwe schoenen voor mij te kopen. De nostalgische herinnering aan mijn oude schoenen met een flink maatje kleiner dan nu, waren al vervlogen toen de trein het station van Almere Centrum inreed.

Afgelopen donderdag regende het flink toen ik vanuit het werk naar het metrostation Henk Sneevliet liep. Het kwam nog net niet met bakken naar beneden, maar een paraplu was wel nodig om niet als een verzopen kat thuis te komen. In een flink tempo liep ik door deze regenbui. Totdat ik halverwege een ietwat bekend geluid hoorde.
Skwiesj. Stap. Skwiesj. Stap.
Het duurde een paar stappen voor ik wist wat het geluid met zich meebracht. Ik stopte en keek ontstemd onder mijn schoenen. In de hak van mijn rechterschoen zag ik een klein sneetje. Deze miezerige snee gaf het regenwater toegang tot de luchtkamers van mijn hak, en veroorzaakte het irritante geluid.
Skwiesj. Stap. Skwiesj. Stap.
Met een lichte ergernis liep ik door naar het metrostation.

Jip en Jammer

“Wanneer gaan we naar de Hema?”
“Hoezo? We zijn laatst nog geweest.”
“Ik wil iets van Jip en Janneke kopen.”
“Voor jezelf?”
“Ja. Voor mezelf.”
“Oké, prima.”

“Wist je dat Annie M.G. Schmidt de schrijfster is van Jip en Janneke?”
“Wie?”
“Annie M.G. Schmidt. Van de musicals en televisieliedjes.”
“Zegt me niets.”
“Cultuurbarbaar. Ze deed vroeger heel veel voor het amusement.”
“Ja hoor, whatever.”
“Nou, ik dacht een leuk weetje met je te delen.”
“Het zal mij boeien dat die Annie de Hema heeft opgericht.”

Home Alone

Edo, mijn beste vriend, mijn echtgenoot, mijn maatje, is samen met zijn zus op familiebezoek naar Bali. Voor ongeveer 12 dagen is hij weg en vertoeft hij, samen met familie, 10.050 kilometer van Nederland vandaan in de tropische omgeving van Indonesië. Het is hem gegund. Ik vermaak me prima (tot nu toe; dag 2) in mijn Home Alone-situatie. De katten heb ik wel om mij heen, maar daar kan ik geen praatje mee maken. Doe ik dat wel, dan zijn de antwoorden toch hersenspinsels van mijzelf.

Het is momenteel de langste periode van elkaars afwezigheid in de 25 jaren waarin wij elkaars beste maatjes zijn. Niet dat het erg is, want we weten dat ook aan deze iets langere periode van het niet samenzijn een einde komt. Geen reden voor mij tot oproep van medelijden of mededogen. I am doing okay. Het alleen-zijn heeft natuurlijk ook wel een paar voordelen: Heb ik trek in patat, dan laat ik het bezorgen. Wil ik een horrorfilm zien, dan kijkt er niemand angstig mee.

Je moet jezelf een beetje kietelen op de momenten dat je jezelf een beetje alleen voelt. De aanschaf van een Sonos Play:1 is dan altijd een goed excuus, en verantwoord. De minispeaker was namelijk in de aanbieding. Hiep hoi. Misschien is het een mannending om de aanschaf van een gadget te vergoelijken, omdat het in de aanbieding is, maar ook omdat je het jezelf op dit moment enorm gunt. En momenteel is er niemand aanwezig om mij te zeggen dat het een slecht idee is.

Inmiddels heb ik vernomen dat broer en zus zich prima vermaken op Bali. Ze hebben aan de rand van het zwembad gelegen en zijn er op uit gegaan om speciale koffie te drinken. Luwak-koffie. Deze koffie is bijzonder omdat de rauwe koffiebonen door een loewak, een civetkatachtige, worden opgegeten en daarna via het darmkanaal weer wordt uitgeworpen. Nieuwsgierig ben ik op zoek gegaan naar wie ooit als eerste op het idee kwam om rauwe koffiebonen aan een loewak te voeren?

Een korte Googlezoektocht leerde mij dat toen de koffieproductie in de 18e eeuw in Indonesië op gang kwam, de koffieconsumptie voor het gewone volk onmogelijk was. De enige mogelijkheid om aan koffiebonen te komen, was om deze uit  de uitwerpselen van de civetkatten te halen. Deze koffie bleek dus heel erg lekker te zijn. Ja, over smaak valt niet te twisten. Ik vind het heel bijzonder, en heel duur. Voor 250 gram Luwak-koffie heb je hier in Nederland een nieuwe Sonos Play:1 aangeschaft.

Lourdes en Luz St. Sauveur

Hieronder een dag beschreven in ons vakantiedagboek van een drieweekse vakantietrip door Zuid-Frankrijk, 17 jaar geleden. De intentie is er om deze dagboeken digitaal online te plaatsen.

Zondag. 15 juli 2001, dag 6. Zuid-Frankrijk.

Vanochtend vroeg wederom met aanhoudende regen wakker geworden. Vandaag vertrekken we naar een andere camping. We wilden alles zo snel mogelijk inpakken en het is best moeilijk om spullen snel in te pakken met een paraplu in je hand. Doe dat maar eens vlot. Toen Edo een volle krat met boodschappen achter in de auto wilde inladen, brak het kratje. Resultaat: Alles, zoals hagelslag, pindakaas en dergelijke ontbijtspullen in de modder, en net toen alles in de auto was ingeladen, stopte het met regenen en brak het zonnetje door. Zoiets verzin je gewoon niet. *zucht*

Om 09:50 uur konden we dan eindelijk weg. Op naar de volgende camping in Luz Saint Sauveur, in plaats van dat we in een keer doorreden, hebben we een tussenstop gehad in Lourdes. Het bedevaartsoord voor bijna alle goedgelovigen. Hier aangekomen gingen we meten door naar de wereldberoemde grot waar Sint Bernadette de heilige maagd Maria heeft zien verschijnen (als je dat ook gelooft). Eigenlijk lijkt heel Lourdes op een soort circus of kermis. Mensen van allerlei allooi. Druk met jerrycans. Zoveel mogelijk willen vullen met het heilige water dat via het waternet naar de diverse kranen wordt geleid. Een bronnetje kan niet zo veel liters produceren. Dat geloof ik.

Aan een kant heel triest, maar ook heel mooi dat mensen er kracht uit putten en hoop houden. Verder is Lourdes een enorm religieus, maar vooral commercieel centrum. Mij hoor je niet klagen, want ik hou wel van theologische kunst. Ik heb vandaag dan ook genoeg geld uitgegeven aan divers Jezusmateriaal: Rozenkransjes, bidprentjes en nog meer prullaria. Voldaan van het winkelen gingen we terug naar de auto om onze reis voort te zetten naar de camping.

Nadat we nog geen half uur Lourdes hadden verlaten, werden we hartelijk begroet door mevrouw Zena van Eurocamp. Ze moest ons wel even melden dat we beter geen lokaal water konden drinken. Het plaatselijke water bevat sporen van cyaankali. Hoe interessant is dat? Het is niet dat je bij 1 slokje water meteen dood neervalt, maar constante inname is niet bevorderlijk voor de gezondheid. Van een heilig water naar onheilig water. ‘s-Avonds zijn we naar de plaatselijke pizzeria (Chez Christine) geweest, en het is nog steeds droog hier. Na dagen van aanhoudende regen is dit wel heel aangenaam!

Onderduikadres

‘Doe jij de deur open voor een vluchteling?’ Het klinkt als een vraag die je op een theezakje van Pickwick kan verwachten. Of als een stelling van de Arnhemse Loesje: ‘Vluchteling voor de deur. Geef jij thuis?’ De bedoeling van de vragen en stellingen is dat er een discussie of gesprek ontstaat en over vluchtelingen heeft heel de westerse wereldbevolking wel een mening. Pro en anti.

Een paar zaterdagavonden geleden ging bij ons om kwart over tien ’s-avonds de deurbel. Ik denk altijd dat iemand met een goede reden aanbelt. Vooral op dit tijdstip. Straatschoffies liggen op dat tijdstip al in bed, dat hoop ik, en die zullen op zaterdagavond niet voor de gein aanbellen. Met een: ‘Blijf je scherp?’ naar mijn echtgenoot loop ik naar de voordeur, want in plaats van straatschoffies kunnen het ook volwassen schoffies zijn, die met criminele intenties aanbellen.

Voor onze deur staat een jonge vrouw van ongeveer 22, tussen drie grote tassen en naast haar een meisje van ongeveer 4 jaar oud met een roze prinsessenrugzakje op haar rug. De vrouw verontschuldigt zich. ‘U zult wel denken, wat doet een vrouw met haar dochter op dit tijdstip voor uw deur.’ Jawel, ik denk inderdaad wat doet een jonge moeder op dit tijdstip voor mijn deur. Ze vertelt me dat ze op de vlucht is voor haar criminele vriend en of ze bij ons kan schuilen, totdat ze opgehaald kan worden.

Ik moet de vraag even laten inzinken, en na kort overleg met echtgenoot laat ik haar en haar dochter binnen. Nu blijkt dat twee tassen kattenreistassen zijn, waarin de dieren schichtig door het gaas naar buiten kijken. Onze huisdieren zullen deze actie niet kunnen waarderen, maar dat is nu niet belangrijk. We bieden moeder en dochter wat te drinken aan. De dochter lust wel appelsap en de moeder is wel toe aan een glas wijn. Ondertussen wordt de vader gevraagd om haar op te halen.

Haar vader gaat akkoord. Hij moet wel vanuit Rotterdam komen. Dit kan ruim een uur duren. Ik schenk voor mijzelf ook maar een glas wijn in. De vrouw vertelt haar verhaal. Ze heeft deze avond ruzie met haar vriend gehad. ‘Een bekende van de politie,’ zegt ze. De man is jaloers op de aandacht die haar dochter van haar vraagt en krijgt. Dit leidt tot scheldpartijen en lichamelijk geweld. Toen hij vanavond naar de avondwinkel ging om sigaretten te kopen, greep zij snel haar spullen bijeen en nam de benen.

Ze lijkt een stoere meid met haar vele tatoeages. Waarvan een paar in het gezicht. Zeer waarschijnlijk haar eigen keuze, en dat is prima. De één kiest er voor om fillers in de huid te injecteren, de ander inkt. Beiden bedoeld om er mooier van te worden. Haar dochter krijgt van ons wat rozijnen om te snoepen. Het kind kan wel wat afleiding gebruiken. Der moeder maakt zich even druk om de harde suikers die in het snoep zit, en ik bedenk dat ze nu even meer belangrijke zaken aan haar hoofd heeft dan de suikers in rozijnen.

Ze leest een paar Whatsappberichten voor die ze van haar (binnenkort ex-) vriend ontvangt: ‘Je denkt zeker dat je slim bent om er vandoor te gaan. Ik zal je vinden en ik maak je hartstikke dood. Dat doe ik ook met de gasten die jou nu helpen.’ Ik drink mijn wijnglas in een teug leeg en kijken naar buiten. Misschien is het wel een goed idee om de gordijnen dicht te doen? Ze legt uit dat hij denkt dat ze door zijn eigen vrienden wordt geholpen.

Echtgenoot speelt een spelletje memory met de dochter. Zij vindt het allemaal wel gezellig. Appelsap, rozijnen en een spelletje zonder een touch screen spelen. De moeder belt ondertussen met een vriendin. Ze vertelt dat ze eindelijk de knoop heeft doorgehakt en op de vlucht is. Het kan haar niet schelen dat de Playstation4 en smart tv nog in de woning staan. Ze wist dat dit eraan ging komen en daarbij, ze pauzeert even, is ze inmiddels verliefd geworden op de beste vriend van haar (binnenkort ex-) vriend.

In het uur en kwartier van wachten is er een poes uit de reistas ontsnapt. Nieuwsgierig loopt ze rond in onze woonkamer. Grote hilariteit bij de dochter en een gevoel van gêne bij de moeder. Geen probleem. Onze eigen katten zijn inmiddels uit zichzelf een etage hoger verhuisd. Hoge kinderstemmetjes zijn ze niet gewend. De dochter vindt deze avond wel gezellig. Ze wint alle spelletjes van deze onbekende meneer. Wanneer haar opa op ons adres is aangekomen treuzelt ze een beetje met haar aantrekken van haar jas. De moeder geeft ons bij vertrek een knuffel en bedankt ons meer dan eens. We wensen haar veel sterkte toe en met een paar minuten zijn ze vertrokken naar een veiliger adres.

Oorfauteuils

Laatst kochten we 2 nieuwe stoelen bij de IKEA. We waren na jaren wel toe aan iets anders. Toe aan 2 oorfauteuils van het type Strandmon, om precies te zijn. Daarbij horen dan wel de 2 voetenbanken van het zelfde type. Ik moest er aan het begin aan wennen. Het bankstel dat al 9 jaar een vertrouwd beeld in de huiskamer was, werd gescheiden. De kleine, de bank waar ik altijd op lag, werd gedumpt in de garage. ‘Bedankt voor de goede dienst, maar we vervangen je per direct.’ De grote bank, een driezitter, houden we nog even aan tot we daar ook vervanging voor hebben.

Het was nog een uitdaging: 2 oorfauteuils vervoeren in onze gele Renault Twingo. Dat wordt met de gewilde Engelstalige kreet: Not gonna happen, duidelijk gemaakt. Dus reden we 2 keer op en neer naar IKEA. Je moet er wat voor over hebben. Na een IKEA-aanschaf volgt altijd de puzzel. Hoe-Zet-Je-Het-Meubelstuk-In-Elkaar. Zijn er genoeg schroeven en waar dient in godsnaam dat ronde, ijzeren beugel-dingetje voor? Uiteindelijk, na war inzet, valt dan alles op zijn plaats en staat het nieuwe meubelstuk te pronken in de kamer. Het was even wennen.

Mijn lichaam wilde hangen, en dat gaat niet in een fauteuil. Zou het dan toch een miskoop zijn, dacht ik even. Er was geen spijt van de aankoop. De stoelen stonden écht te pronken in de woonkamer, maar het lichaam -mijn lichaam- is na jaren lang bankhangen er aan gewend om een luie positie aan te nemen. ‘Jammer dan, wen er maar aan,’ zei ik binnensmonds tegen mezelf. Uiteindelijk kan een mens aan alles wennen, bedacht ik, en dat geldt ook voor een nieuwe fauteuil. Natuurlijk zit de stoel lekker, het meubelstuk heeft nooit anders gedaan.

Het is sneu voor het bankstel. Ze zijn nu van elkaar gescheiden. De driezitter op de oude plek in de woonkamer en de tweezitter weggemoffeld achterin de garage. Wanneer er een nieuwe bank wordt gekozen zal ook de driezitter vervangen worden. Dan worden ze weer voor even herenigd om samen naar de vuilstort gebracht te worden. Wanneer er vervanging is gevonden, worden de ouden vergeten. Zo gaat dat. Met alles. Het ging ook zo met ons vorige bankstel en het bankstel daarvoor. Ik zou niet eens meer weten hoe deze er uitzagen. Alleen de foto’s kunnen mij daar nog aan herinneren.

Hemels!

Hemelvaartsdag. Zomaar een dagje vrij op een doordeweekse dag. Nu is dit niet zo een verrassing, want deze christelijke dag valt altijd op een donderdag. De vrijdag erna wordt bij sommige werkgevers als een collectieve verlofdag besteed, maar ik werk bij een dienstverlenend bedrijf, dus zijn wij de vrijdag daaropvolgend open. Het is maar goed dat ik een verlofdag heb opgenomen. Edo, mijn echtgenoot, werkt bij een productiebedrijf en daar betekent Hemelvaartsdag helemaal niets. Het is vandaag een doodnormale werkdag voor hem. Voor mijzelf mag ik genieten van een minivakantie. Hemels!

Dankzij Hemelvaartsdag mocht ik uitslapen. Voor mij is een half uur langer in bed liggen al uitslapen, dus vanmorgen om 10 voor 8 stond ik in mijn hardloopschoenen voor het huis en sloot de deur achter mij. Het weer was minder tropisch dan de afgelopen dagen en de eerste kilometers van mijn hardlooprondje deed ik de regen. Verder ging het hardlopen goed. Het lijkt er sinds kort op dat dat ik in een blessurevrije-periode ben beland. A blessing. Het lukt me weer om zonder problemen en pijntjes meer dan 10 kilometers weg te rennen. Hemels!

Ook is het fijn dat ik hier op draybosma.nl weer wat letters weg kan typen, want de afgelopen maanden was ‘Enorme-Stilte’ op dit weblog de enige aanwezige. In mijn hoofd schrijf ik altijd wel een stukje tekst, ik denk in verhalen, maar wanneer ik eenmaal thuis ben heb ik geen behoefte om nog een keer voor een beeldscherm te zitten. Dat doe ik wekelijks al 40 uur. Maar op een dag als vandaag, heb ik wel tijd om dat wat me bezig houdt via tekst te delen. Zoals het goede nieuws dat mijn werkgever me van de week vertelde dat zij mijn contract per 1 augustus voor onbepaalde willen verlengen. Hemels!

img_1969
vanmorgen om 8 uur.

Transpubers

Laatst waren we uiteten. Mijn man en ik. Bij ons in Almere, zo’n 10 minuten wandelen van ons huis. De gelegenheid was een verjaardag. Of een jubileum. Het was een verjaardag. Het was een goede een reden om iets met zijn tweeën te vieren en dat deed ons besluiten om te gaan eten buiten de deur. Het was een vrijdagavond en het was er gezellig druk in het restaurant. Het gaat goed met de economie. Of we doen met zijn allen alsof.

Hoe dan ook, de restauranteigenaar had de afgelopen periode inmiddels voldoende omzet en winst gedraaid om het interieur uit te breiden en op te knappen. Hierdoor was er een nieuw gezellig hoekje in het restaurant gecreëerd. Het bekende gedeelte lieten we achter ons en de gastheer ging ons voor naar het vernieuwde deel. Nieuwsgierig namen we plaats op de aan ons toegewezen plaats. Hier was het niet zo druk als bij de ingang van het restaurant. Maar nog steeds sfeervol.

Aan een tafeltje, achter een verbloemde afscheiding zaten een viertal transpubers: zeventienjarigen in het lichaam van een veertigjarige. Op het eerste gezicht waren het mannen van middelbare leeftijd, maar in ervaring bleken ze een stel ongemanierde pubers. Het was niet de alcohol die het veroorzaakte. Het was de baldadigheid van mannen met het Peter Pan-syndroom: weigeren om op te groeien. Luid sprekend en het bemoeien met gesprekken aan andere tafels. Ongemanierd wordt het ook wel eens genoemd.

Een wedstrijdje boeren van het alfabet is geen hoogdravend gesprek. Ook niet wanneer je het tot de letter L haalt. Ik vind het eerder ongepast. Het is niet de schuld van social media, maar mede dankzij Twitter of Facebook hebben heel veel mensen het idee dat ze alles mogen zeggen, of doen. Ook wanneer het ongepast is. Daarbij vindt men dat het ook overal luidkeels geroepen mag worden. Dat is de ‘vrijheid van meningsuiting’, wordt er vaak aangevuld. Diezelfde vrijheid houdt, volgens mij, ook in dat je er voor kunt kiezen je te gedragen. Maar hoe leg je dat aan een paar zeventienjarigen uit? Ook al zien ze er uit als mannen van middelbare leeftijd…