Rendez-Vous

Als jongeman van ongeveer twintig jaar oud kende ik iemand die een paar jaar ouder was dan ik, en waar ik een gepaste bewondering voor had. Deze vent had alles mee. Een mooie kop op een gespierde lichaam, en wat ook niet algeheel onbelangrijk was, was dat hij een enorm geestig gevoel voor humor had. Altijd was er wel even tijd voor een mop of een geintje tussendoor waar ik dan hardop lachend reageerde. Het was een kameraadschap waarbij we elkaar af en toe opzochten. Vaak was dit in de zomermaanden wanneer de dagen lang waren, en dan toerden we in zijn autootje een beetje doelloos rond. Mijn vriend had altijd de lachers aan zijn kont hangen en was zeer succesvol favoriet bij de vrouwen.

Zo had hij het idee bedacht om succesvol te scoren bij de dames waarmee hij een rendez-vous had. Ik denk dat het hem ook wel lukte zonder een bedacht concept, maar je weet nooit wat een man motiveert om geliefd te worden. Ik heb hem een paar keer geholpen met het voorbereiden van zijn succesvol idee. Achter in zijn autootje had hij een kistje met inhoud en het bevatte twee flesje wijn. Rood en wit. En wat lekkers erbij om te eten. Vervolgens reden we met de auto naar de duinen aan de Noord-Hollandse kust en begroeven het kistje in een duinpannetje.

De dag erna vond het afspraakje plaats. Er werd een lange strandwandeling gemaakt en wanneer het weer het toeliet werd er ook gezwommen. Mijn vriend wist het dan zo te plannen dat ze rond etenstijd in de duinen wandelden.
‘Ik zou best wel wat lusten,’ riep hij dan.
‘Nou, ik ook,’ zei het meisje dan. ‘Maar we hebben niets bij ons..’
‘Laten we dan maar hier eens graven!’ stelde hij dan voor. En onder grote hilariteit van het afspraakje kwam dan de kist tevoorschijn. Het was een succesvolle grap waarmee mijn vriend altijd als succesvol minnaar zijn date beëindigde.

Dit alles heeft bijna zo’n veertig jaar geleden afgespeeld. Het kwam me eerder dit jaar weer voor de geest toen ik in Noord-Holland in een antiekzaakje was om te schuilen voor een regenbui. Ik keek zeer geïnteresseerd naar de aangeboden inboedel om vooral het chagrijnige gezicht van de eigenaar te ontwijken. Ondanks dat herkende ik toch, met enige moeite, mijn vriend. Ja, dit was zijn winkel. Ja, hij was getrouwd. Kinderen en kleinkinderen. Alles.
‘Heb jij nóg een rol met kwartjes nodig?’ riep een dikke vrouw van achter uit de zaak.
‘Oh nee, ik red het wel Marie,’ antwoordde hij snel.
‘Is ze dat?’ vroeg ik geïnteresseerd.
‘Ja,’ zei hij bezorgd.
‘De kist?’ vroeg ik strak.
Hij knikte en sloot zijn ogen, als een slecht uitgekomen droom.

Geïnspireerd door een kronkel (1952) van Simon Carmiggelt.

Zomerochtend

Een paar weken geleden verdampten de laatste regenbuien lichtelijk van het droge land op om er de gebarsten grond te verlaten. Het verkoelende hemelwater heeft niet de kans gekregen de bodem geheel te voeden, en ondanks dit tekort van regen schiet het groen snel op en groeien de grote graspollen in grote hoeveelheden naar de berm van de weg, zodat het grauwe land en de gebarsten grond onder een dek van groen gaat. Uiteindelijk klaarde het weer op en werden de grauwe wolken verdreven. De zon staat dagenlang op het gewas te branden. Een zielig regenbuitje probeert het nog wel eens, maar geeft het uiteindelijk toch op. Het groen wordt meer donkerder groen om aan te sterken en de komende droogte te overleven.

In de ochtend wanneer de zon nog niet op haar hoogst staat, maar de hitte wel al een gloeiende trilling in de lucht veroorzaakt, neemt de arbeider op het land een kleine pauze. Met hangende schouders en een sigaret in de mond loopt hij op zijn dooie akkertje naar het einde van het veld om daar in de schaduw van de bomen te genieten van een rookpauze. De uitgeblazen nicotinerook wordt één met de opwaaiende stofwolk. De arbeider gaat, om geen last van rook en stof te hebben, met zijn rug richting de lichte bries staan. De sigaret hangt slap tussen de vingers wanneer hij een toonloos wijsje met de getuite lippen fluit. Hij kijkt gedachteloos over het veld.

Daar waar geen groen groeit stuift het droge zand van het land door de lucht. In de verte, aan de horizon, vliegt het zand op nadat het wordt bedolven door de grote wielen van een tractor. De zwoele zomerwind drijft het elders en een achteloze fietser verderop, wordt met een zacht windstootje door het zand in het gezicht geaaid. Een buizerd hangt biddend in de lucht. De vleeseter zal een prooi over de droge grond hebben zien rennen, waarbij het kleine slachtoffer kleine stofwolkjes veroorzaakte. Een duik naar beneden van de roofvogel creëert nog meer stofwolken en beëindigt het bestaan van de kleine veldmuis. Het zal deze ochtend lang duren voordat het stof gaat liggen.

Winteravond

Ooit een vriendin had eens, jaren geleden, een avond bij ons zitten babbelen, over koetjes en kalfjes, maar toch vooral het meest over mensen.
‘Het is altijd zo gezellig bij jullie,’ zei ze telkens en dan keek ze ons met grote, jammerlijke ogen aan, want gezellig is een woordje dat je pas veelvuldig gaat gebruiken als het leven niet meer zo gezellig is. Of wanneer je iets te veel wijn hebt gedronken. Dat is mijn mening. Na twaalven was ’t steevast: ‘Hemel lief, al na twaalven.’ Ze stond dan op, ging een rondje omhelzen en mijn antwoord was dan altijd: ‘Kom, we laten je uit.’

Dat even uitlaten komt je bij koud weer op een lichte bronchitis te staan, want bij de open voordeur is ze altijd op zoek naar haar vest, om vervolgens een verkeerde jas in te duiken, en dan schiet haar altijd ineens een gespreksonderwerp te binnen, waar altijd over te discussiëren valt. Toen ze echt alles had -d’r tas, d’r sjaaltje, d’r paraplu, d’r etcetera- vertrok ze. Ik had de voordeur nog niet op slot gedraaid of ze stond er op te bonzen.
‘Zo vervelend,’ zei ze. ‘Maar het slot van mijn auto is bevroren.’
‘En wat doen we nou?’ vroeg ik.
‘Kun jij er niet een beetje op ademen?’ zei ze. ‘Jouw adem is veel steviger dan de mijne.’
Ik wist toen dat het geen slim idee was dat ze nog ging autorijden, maar morgen was het een doordeweekse werkdag.

‘Och, met plezier,’ was mijn antwoord aan haar.
Het is koud, ongezond en absurd om in januari op straat neer te hurken om een poos te hijgen tegen de deur van een autootje die niet wil openen. Ik raakte bijna buiten adem.  Door mijn inspanning had ik het niet meer koud.
”t Helpt niet,’ zei ze. ‘Probeer eens met een aansteker.’
‘We roken allebei niet. Waar halen we een aansteker vandaan?’ riep ik.
‘Heb je een kaars?’ vroeg ze.
‘Nee. Niet bij me,’ antwoordde ik, en klopte demonstratief met vlakke handen langs mijn lijf.
‘Hè, doe nu niet zo akelig,’ sprak ze en haar glimlach deed me daar besluiten nooit meer te akelig te doen.

‘Sorry,’ verontschuldigde ik.
‘Hou maar op, zei ze. ‘Weet je wat? Pak een hamer. We slaan de ruit in.’
‘Dat is zonde,’ zei ik.
Ooit een vriendin keek om zich heen op de grond en vond een halve straatklinker.
‘Achteruit, anders raak ik je misschien.’ Ik week meters terug. Ik denk soms een stoere vent te zijn, maar ben dat helemaal niet. Ze hief haar rechterarm naar achteren en met een snelheid van een intercity brak ze met de steen in de hand met een klap de autoruit aan diggelen.
‘Zo, nu kan je erin,’ zei ik stoer na de schrik.
Ze rustte met haar gewicht op haar linkerbeen en stond er even met haar heupen te wiegen, en zei: ‘Zeg…’
‘Ja?’
‘Het is mijn autootje helemaal niet. Dat zie ik nu pas. Mijn autootje staat even verderop. Dáár.’
Ze wees, ontmoette mijn ontstelde blik en zei hulpeloos: ‘Nou ja, ze maken ze tegenwoordig ook allemaal zo gelijk.’

Geïnspireerd door een kronkel (1956) van Simon Carmiggelt.

Muizen en Mensen

Het is vroeg in de avond van de prille zomermaand. Ik zit op het bankje in de voortuin en ik kijk naar de overkant van mijn straat. Er zijn geen buren die terugkijken. Ik heb uitzicht op een grote grasvlakte en de zon heeft zojuist haar vertrek naar morgen aangekondigd. De lucht begint met het kleuren van het avondrood. Het doet me denken aan de openingsscène in het eerste hoofdstuk van Muizen en Mensen uit 1937 van de Amerikaanse schrijver John Steinbeck, zoals ik het heb meegemaakt.

Voor een moment voel ik me aanwezig aan de oevers van de rivier Salinas, enkele kilometers ten zuiden van de stad Soledad in de Amerikaanse staat Californië. Ik mis alleen nog het uitzicht op een sprong konijnen, die iedere zomeravond op het zand van de oevers van de rivier wat afkoeling zoeken, en ieder moment verwacht ik dat de twee hoofdpersonages uit de novelle van de Amerikaans schrijver vanuit het struikgewas tevoorschijn komen. George, de kleinere van de twee mannen, voorop en de lange slungel Lennie loopt een paar meter achter hem aan.

Er volgt deze avond geen dialoog tussen de twee mannen. Vanavond krijg ik niets mee van de geïrriteerde George Milton die zich enigszins ergert aan het overmatige waterdrinken van de niet al te snuggere Lennie Small. Wanneer hij te veel drinkt is deze weer de hele nacht misselijk. George is kwaad over de idiote buschauffeur die hen eerder deze dag zes kilometer heeft laten lopen. Daarnaast moet hij Lennie in de gaten houden. Hij is vergeetachtig en altijd ergens anders met zijn gedachten. Tenzij het over aaibare dieren gaat. Want die hebben altijd zijn aandacht.

Ik ben weer ter plaatse in mijn eigen voortuin wanneer een fietser met een beetje lawaai het trottoir oprijdt. De buurman van een paar huizen verderop groet vanachter zijn mondkapje mij een fijne avond toe. Ik groet terug en lach hem een vriendelijke grijns toe, en ik denk: Kan het leven altijd gevuld zijn met zomeravonden als deze, waarbij ik mag mijmeren over dingen die er niet toe doen. Ja, ik weet het, na een zoveelste avond met ondergaande zon, te midden van diverse mooie kleurschakeringen in de lucht, gaan deze wellicht ook vervelen, maar ik kan toch enorm genieten van deze momenten. Waar ik net als Lennie Small uit Muizen en Mensen niet al te veel behoef na te denken over allerlei zaken die alledaags, en soms ook overbodig zijn.

Buiten

Sinds het begin van de crisis kom ik niet vaak buiten. Af en toe verplaats ik me naar de buurtsuper en twee, vaak drie, keer per week ga ik een uurtje hardlopen. Het is letterlijk zoals de wind waait, waait de planning voor de te nemen hardlooprondjes. Zo ook een paar dagen geleden toen ik een dagje vrij was. Ik wist tijdens het hardlopen nog niet helemaal hoe ik mijn route zou gaan hardlopen, om na zo’n zes kilometer het impulsieve besluit te nemen om daar op de Pampushoutweg in Almere, linksaf het wandelbos in te slaan.

Aangezien ik al om half zeven ‘s-ochtends de deur uit was gegaan, was het op dat moment dat ik het bos insloeg rond vijf over zeven in de ochtend en enorm rustig. Er waren nog geen mensen die met de hond aan de wandel waren. Ik liep in de bebossing op mijn gevoel naar de plek waar ik weer op een bekend stukje wandelpad zou aankomen, maar mijn intuïtie liet mij deze ochtend in de steek. Nadat ik een kenmerkend, afgebroken boomtak voor een derde keer voorbij liep, wist ik dat ik niet helemaal naar de buitenkant van het bos zou komen.

Te trots om via een app op mijn telefoon te checken waar ik mij bevond, ging ik voor de klassieke wijze van het vinden van de juiste weg. Iedereen weet dat de zon in het Oosten opkomt. Ik hoefde alleen maar de richting vanwaar de zon scheen, te gaan lopen. Helaas is het zo dat je bij een splitsing niet altijd de keuze hebt om de gewenste richting op te lopen, waardoor ik wederom een rondje in het bos had afgelegd. Mijn gedachten dwaalden even af naar gruwelverhalen waarbij mensen in bossen verdwalen en nooit meer terugkeren. 

Er was geen reden tot paniek. Het wandelbos bij Pampushout is niet groot en ik had inmiddels al een eerste hondeneigenaar, tezamen met twee hyperactieve labradors gespot. Ik groette de honden en het baasje en liep richting het Oosten. Ik had het idee dat ik aardig in de buurt van het, voor mij bekende Michelinpad was, maar ik zag alleen maar bebossing, waarbij de zon mij constant in de ogen scheen. Wijsheid won het van eigenwijsheid en ik besloot toch maar even op mijn mobiel te kijken. De app wist aan te geven dat ik bij de splitsing linksaf moest slaan. 

Nadat ik het bospaadje linksaf was ingegaan zag ik verderop de bekende betonnen bodem van het Michelinpad. Vanaf dat punt wist ik met gemak de weg naar huis te vinden. Mijn hardloopervaring had me ook geleerd dat het vanaf daar vijf kilometer duurt om thuis te komen. Nadat ik het bos achter mij had gelaten, werd me door de stem van mijn hardloop-app gemeld dat ik in totaal acht kilometer had afgelegd. Ik had zojuist twee kilometers over een afstand gedaan waar ik doorgaan nog geen hele kilometer over doe.  

Afstand

In deze tijd van Corona kom ik niet meer zo vaak onder de mensen. Eigenlijk helemaal niet meer. Een bliksembezoek aan de supermarkten is het hoogtepunt betreffende het samenkomen met andere mensen. Dit is niet altijd even gezellig. Mensen schuilen zich achter mondmaskers of kijken je schuchter aan, bang dat je hen besmet. Dan heb je nog de mensen die zich helemaal niet bewust zijn van hun omgeving. Die gaan hun eigen gang, hebben een eigen beleid over de huidige wereld, en ze doen maar. Waar ik me eerst nog kon ergeren aan dit zwikkie mensen, haal ik nu mijn schouders op. Deze rebellerende menigte raken naar mijn idee nooit besmet met enig verstand.

Naast de korte supermarktbezoeken kom ik alleen nog buiten voor het hardlopen. Op thuiswerkdagen trek ik na werktijd graag de hardloopschoenen aan. Ja, het corona-virus heeft ook sommigen op de been gekregen om te gaan hardlopen. Ik zie mensen puffend en hijgend in hun nieuwe hardloopschoenen voorbij strompelen en ik ben oprecht trots op deze mensen. Het maakt niet uit of je twee of nog niet eens één kilometer loopt, je bent in beweging in tegenstelling tot de anderen die thuis blijven zitten. Door de nieuwe hardlopers is het wel iets drukker in het groene Almere, maar er zijn voldoende parken en bossen om sportief te doen.

Zo is het weer mogelijk om langs de noordzijde van de Noorderplassen te lopen of te fietsen, nu de brug tussen Schateiland en Oostvaardersdijk weer in gebruik is genomen, zonder een enorme omweg te moeten maken. We kunnen ons weer op een van de mooiste wandel- en fietspaden van Almere begeven. Het Lepelaarpad. Het is in deze tijd van corona iets moeilijker om op dit pad afstand te houden. Het pad is niet heel breed, zeg maar smal. Maar met wederzijds begrip en wanneer alle partijen vertrouwen op de gewenste afstand van anderhalve meter is er genoeg afstand mogelijk voor de gedisciplineerde stadsgenoten.

Bescherming

Van de week mocht ik weer sinds een eeuwigheid, tenminste voor mijn gevoel, een reisje met de trein ondernemen. Ik moest voor een periodieke afspraak in onze hoofdstad zijn en omdat niet alleen mijn eigen veiligheid belangrijk is, maar ook die van een ander, heb ik tijdens deze reis met een mondkapje in de trein gezeten. Het was een bijzondere ervaring. Niet het mondkapje. Dat vond ik niet zoveel voorstellen. Het idee om na acht weken thuisblijven weer onder de mensen te zijn was voor mij even wennen. Er gaat een wetenswaardigheid via het internet de wereld rond dat als je een bezigheid voor dertig dagen of langer volhoudt, dat die bezigheid een gewoonte wordt. En het in quarantaine blijven is na ruim dertig dagen ook voor mij een gewoonte geworden. Nu mocht ik onderweg naar Amsterdam wennen aan het onder de mensen zijn.

Dit keer hoefde ik niet dertig dagen te wachten om te wennen aan de mensen om mij heen. Mijn idee over mijn medemensen is niet veel veranderd in vergelijking tot voor de corona-crisis. Ik houd goede hoop, maar dit veroorzaakt wel teleurstelling. Op het perron was ik de enige met mondbescherming. Ik weet dat het pas per 1 juni 2020 verplicht is om beschermd met het openbaar vervoer te reizen, maar daar houdt een virus geen rekening mee. De mensen om mij heen ook niet. De vrouw wier haar lage IQ werd gecompenseerd met het hoog aantal kilo’s die ze met het dikke lijf meesleepte, was hier een uitstekend voorbeeld van. Voordat ze de openingsknop van de trein met haar onbedekte worstenvinger indrukte, hoestte ze eerst nog even in diezelfde hand.

Niet nadenkend over dat ze hierdoor niet alleen zichzelf kan besmetten, maar ook een ander, stapte ze waggelend de trein in. Op veilige afstand liep ik achter haar aan de coupé in. Lijdzaam wachtte ik af tot ze een zitplaats had gevonden. Het was er heel rustig dus ik kon op een veilige afstand, tweemaal de anderhalve meter, van de vrouw plaats nemen. Toen ik vanuit het raam zat weg te mijmeren en af en toe moest lachen om de weerkaatsing van mijn monkapkop in het raam van de coupé, begon de vrouw luid in haar telefoon te snateren. Ik schrok even op uit mijn gedachten en even later van wat de vrouw er allemaal uitkraamde. Het corona-virus is bedrog. Een hoax.

Naar enige uitleg heb ik niet eens meer geluisterd. Misschien heeft ze de persoon aan de andere kant willen overtuigen dat deze corona-crisis door zendmasten is veroorzaakt. Ik heb er over gelezen dat mensen dat geloven. Ach weet u, mensen geloven zoveel. Zo zijn er volksstammen die vandaag de dag er nog steeds van zijn overtuigd dat onze planeet plat is. Dat ze dat denken vind ik niet zo erg, maar deze geestdriftige mensen hebben altijd de drang anderen hiervan te moeten overtuigen. Hierbij wordt ieder tegenargument met het grootste gemak en tevens de grootste kolder weggewuifd. Dat vind ik zo vermoeiend. Kon ik me maar tegen deze onzin beschermen.

1982

Floris werd wakker met een gigantische hoofdpijn. Door de pijn wist hij niet waar hij was. Het zonlicht scheen in een dunne, strakke straal door de smalle openingen van de gordijnen. Floris rekte zich uit en was verrast dat het bed zo smal was. Een eenpersoonsbed. Hij kon zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst in zo’n smal bed had geslapen. Hij keek om zich heen. Het kwam hem bekend voor. Een déjà-vu. Maar hij kon het niet plaatsen. Had hij gisteravond te veel gedronken? Hij wreef met zijn handen over zijn gezicht, en hij schrok dat zijn baard weg was. In een reflectie zat hij rechtop in het smalle bed. Floris stootte hierbij zijn hoofd aan de plank die boven het bed aan de muur hing.

Hij voelde aan de pijnlijke plek op zijn hoofd en daarna weer terug aan zijn kin. Deze voelde aan als een glad kinderhuidje. Wie had hem zover gekregen zijn baard af te scheren? Al jaren droeg hij een volle baard. Nog voordat het trendy en het weer niet trendy was. Hij keek rond in de kamer en ervoer een beleving die hij nooit eerder had ervaren. De kamer waarin hij zojuist wakker was geworden kwam hem nu wel bekend voor. De kamer was jarenlang een wazige herinnering geweest. Nu was ze gedetailleerd en angstig realistisch. Hij zat op zijn oude bed, in de slaapkamer van jaren geleden, toen hij nog thuis bij zijn ouders woonde.

De spullen op de plank waren heldere herinneringen van toen. Er lagen een paar persoonlijke dingen die Floris uit een ver verleden kende. Zoals een paar Suske en Wiske-albums. Rechts op de plank stond een groen, rode Playmobil-tractor. Bovenop een elpeehoes met de titel Hit-Voormekaar-Show. De speelgoedtractor droeg een Rubiks kubus in de voorlader. De kubus bracht hem nieuwe herinneringen. Hij had vroeger heel wat tijd verloren aan het oplossen van de vierkante uitdaging en hij was er toen best goed in. Floris keek naar een stapeltje kleren dat op de vloer lag. Nog meer herinneringen.

Gestommel in het huis. Floris stond rechtop naast het bed. Hij hoorde de voetstappen op de trap, gevolgd door een sprong op de overloop. Voordat Floris doorhad dat het oogpunt waarin hij de slaapkamerdeur zag, ging deze in een zwaai open.
‘Hé gozer! Hoorde je mama niet roepen? Ze heeft geen zin om op jou te wachten met het ontbijt,’ joelde zijn oudere broer Freek met een grote glimlach op zijn gezicht. ‘Kom nou maar naar beneden, dan hou ik ook nog wat te eten voor je over.’ Hij stak zijn jongere broer met een vinger in de buik, draaide zich om en was alweer halverwege de trap naar beneden.

De adrenaline schoot Floris door zijn lichaam. Het was zijn broer van vroeger die hem met een vinger had gepookt. ‘Dit klopt niet,’ mompelde hij tegen zichzelf. ‘Ik ben vijfenveertig jaar oud. Ik heb al een half leven achter de rug.’
Floris verliet de slaapkamer, benieuwd wat hem verder te wachten stond. Onderaan de trap stond Floris stil. Hij aarzelde om de woonkamer in te lopen. Niets van het afgelopen kwartier ervoer hij als normaal. Droomde hij of waande hij zich in een schemerwereld? Misschien lag hij in coma. Of ergens voor dood in een greppel.

Hij sloot zijn ogen en nam een laatste stap van de trap. Op hoop van zegen, dacht hij. In de gang opende hij zijn ogen en liep de woonkamer in. Floris stond in het verleden van zijn jeugd. De woonkamer was zeer nauwkeurig. Nog beter dan hij zich had kunnen herinneren. Een onbeschrijfelijk gevoel van geluk en verrassing overviel hem. Nostalgie in een nieuwe, vreemde ervaring. Hij nam plaats aan de eettafel. De tafel was gedekt zoals het vroeger altijd was geweest. Het brood in een rieten mandje, de vleeswaren in Tupperware-schaaltjes, de altijd aanwezige pot aardbeienjam en het blik met appelstroop.

Vlotjes

Naar aanleiding van mijn stukje tekst van een paar weken geleden over kletspraat, small talk, kreeg ik een paar dagen nadat het hier te lezen was, via de post een cadeau in mijn brievenbus aangeboden door een anonieme schenker. Dankjewel mensenvriend! Het boekje heeft de titel Smalltalk Survival en is geschreven door Liz Luyben en Iris Posthouwer. Ik heb het boek inmiddels met plezier uitgelezen. Het is een vermakelijk boekje. Het formaat is klein, maar het bestaat uit ruim 200 pagina’s, bol van tips over hoe je het beste prietpraat kunt voeren.

Natuurlijk weet ik ook wel hoe je een gesprek gaande kunt houden. Stel alleen die vragen waarop men niet alleen met ja of nee kan antwoorden. Dus stel niet aan je collega of buurman de vraag, ‘Hoe was jouw dag?’ maar stel een open vraag. ‘Wat was jouw hoogtepunt van vandaag?’ Weinig kans dat de collega of buurvrouw een ‘Wel oké’ mompelt en zich uit de voeten maakt. Die uitzonderingen daargelaten. Soms hebben mensen even geen zin in kletspraat.

Bij het dichtslaan van het boekje, dat overigens eindigt met vijftig fonkelende vragen voor verrassing en verdieping, die een beetje op de theevragen van Pickwick lijken, had ik er echt zin in om het geleerde in praktijk uit te brengen. Helaas is er het corona-virus die roet in het eten gooit. Geen praatje bij de koffieautomaat of printer. De geplande bedrijfsborrel is ook al niet doorgegaan. De vraag ‘Welke leeftijd zou je graag nog een keer overdoen?’ kon ik aan niemand vragen. Ik heb het onze poes gevraagd. Zij miauwde alleen maar, en ik kon hier niet uit opmaken wat ze nu bedoelde. Einde gesprek.

Tijdens mijn vijftigste hardlooprondje van dit jaar, word ik door een andere hardloper ingehaald. Bij het inhalen -op afstand- zegt hij: ‘Lekker tempo. Mooi om vol te houden!’ In plaats van een ‘Dankjewel’ en een vriendelijke groet terug, zeg ik dat ik normaal gesproken wel iets vlotter hardloop, maar door een lichte scheenbeenblessure nu iets rustiger loop. De man trekt de koptelefoon van zijn hoofd en vraagt: ‘Wat zei je?’ Ik herhaal wat ik zojuist over een blessure heb verteld, waarop hij zegt: ‘Ja, dat heb je op onze leeftijd.’

Ik wil gewoon weten of ik een beetje goed in kletspraat kan worden, en nu wordt mij door een mede hardloper met één opmerking de mond gesnoerd. Ook ben ik wel een beetje gepikeerd. Ik word er ongevraagd aan herinnerd dat ik geen dertig jaar meer ben.  De man steekt zijn linkerhand op en zegt: ‘Ik ga hier rechtsaf. Fijne dag nog!’ Hij loopt een straatje in en ik loop in mijn eigen tempo rechtdoor. Mijn tempo is wel mooi om vol te houden. Dat is mij zojuist verteld.

Zomer 2016

De duif wipt wat onzeker om me heen. Het plekje op het eerste perron van Utrecht Centraal is rustig. De meeste reizigers staan elders, waar over enkele minuten de trein het station zal inrijden. Ik sta lekker in de schaduw. Laat de rest maar in de zinderende hitte zitten. Ik wacht wel tot ik in de trein met airconditioning plaats kan nemen. Ik neem een hap van mijn broodje. De duif begint nu zenuwachtig heen en weer te wippen. Hij gaat ervan uit dat er in no time een paar eetbare kruimels op de tegels van het perron vallen.

Ik heb een hekel aan duiven. Ik heb sowieso een hekel aan vogels. Dat fladdert met de vleugels zo vlak langs je hoofd en ze ontlasten zich wanneer en waar het maar uitkomt. Daarnaast vind ik duiven ook lelijk. De exemplaren die ik op verschillende stations in Nederland zie, lijken wel te zijn gemuteerd tot gedrochten. Met hun te kleine kopjes en afschuwelijk mismaakte vogelpootjes. Ik zie hier duivenexemplaren voorbij strompelen die niet anders kunnen dan waggelend rondlopen. De pootjes zijn vergroeid en mismaakt.

De duif aan mijn voeten, in afwachting van de kruimels van mijn broodje, heeft echter nog perfecte duivenpootjes. Het geduldige beestje op het perron van Utrecht Centraal lijkt op het duivenexemplaar van het ‘Aap Noot Mies leesplankje’. Als het dier het wenst, kan het statig over de tegels rondlopen. Ik voel al bijna enige binding met het gevederde ongedierte. Hoe cliché, en waar. De mens laat zich het liefst omringen door perfectie. Daarbij zichzelf wegcijferend in dat perfecte beeld.

In de verte zie ik dat mijn trein het station inrijdt en ik neem snel een paar flinke happen van mijn broodje. Grote kruimels vallen omlaag en de duif doet met gespreide vleugels een dansje van vreugde. Het wipt gulzig van kruimel naar kruimel. Voordat ik naar de trein loop laat ik de laatste hap van het broodje uit mijn hand vallen. Enthousiast begint het dier aan het feestmaal. Twee andere duiven komen aanvliegen. Ze strompelen met vergroeide pootjes naar de restjes en happen gezellig wat kruimels mee. Ik laat de dieren achter voor wat ze zijn. In gedachten ben ik al thuis.

Kletspraat

Van de week was ik na mijn werkzaamheden thuis gaan hardlopen. Met gepaste afstand passeerde ik andere hardlopers, wandelaars en alle mensen die zich in deze coronatijd op straat begeven. Het is een merkwaardig schouwspel. Een constante zombiestroom van mensen die vooral aandacht heeft voor het telefoonscherm en nauwelijks voor de wereld eromheen. Toch zijn er ook velen die wél rekening houden met de anderhalve meter. Dat stemt hoopvol. Wat mij opvalt, is dat de drukte van drommen mensen zich hier vooral buiten de woonwijken van Almere afspeelt. In de natuur kom ik de meeste mensen tegen. Alsof iedereen tegelijk heeft ontdekt dat bomen en water rustgevend zijn. Gelukkig is er voorlopig nog voldoende ruimte.

Na ruim zes kilometer te hebben gelopen, kwam ik bij de vaartsluis op het Wilgeneiland een andere hardloper tegen. We moesten even wachten tot de sluisdeuren weer gesloten werden. Op zeer gepaste afstand van ruim anderhalve meter, ik hou er niet van om te twijfelen, ik moet het altijd zeker weten, raakten we heel even aan de praat. Over koetjes en kalfjes. Het ging over het mooie weer en over het geluk dat we daarmee hebben in deze vreemde tijden van coronacrisis. Terwijl ik knikte en vriendelijk glimlachte, dacht ik ondertussen: waar gaat dit eigenlijk over?

Die gedachte zegt alles over mij en niets over de andere hardloper. Ik ben simpelweg niet zo goed in smalltalk. Ik kan het ook niet goed. Het gesprek verliep correct, beleefd en volkomen onschuldig, maar vanbinnen raakte ik licht ontregeld. Alsof mijn hoofd ineens op zoek moest naar een rol die het niet goed kende.

Altijd wanneer ik in een gesprek van kletspraat terechtkom, raak ik een beetje van slag. De focus wordt troebel. Aan het einde van een zin weet ik niet meer wat ik bij de eerste woorden van mijn verhaal wilde zeggen. Dat uit zich in vreemde versprekingen of zinnen die ik blijf herhalen. Ik hoor mezelf praten en ben tegelijk toeschouwer van het gehakkel. Mijn aandacht verschuift van de inhoud naar de vorm en daarmee verdwijnt de inhoud definitief uit beeld. Wat overblijft is het gevoel dat ik iets moet zeggen, terwijl ik eigenlijk niets te zeggen heb.

Want dat is misschien wel de kern. Bij koetjes en kalfjes hoef je niets te zeggen. Toch dwingt de situatie tot woorden. En juist dan schiet me ineens iets te binnen waar ik wél over zou kunnen praten, maar dat onderwerp staat volledig los van het gesprek. Het blijft dus ongezegd, opgesloten in mijn hoofd, wachtend op een beter moment dat nooit komt.

Laat mij dan maar schrijven. Communicatief kom ik op papier beter uit mijn woorden. Ook daar hak ik wel eens, zoek ik naar zinnen of corrigeer ik mezelf halverwege een gedachte. Maar schrijven biedt genade. Je kunt terug, schrappen, herformuleren. Twijfel is toegestaan. Achteraf kun je alsnog zeggen wat je eigenlijk bedoelde. Dat privilege kent de kletspraat niet.

Een dag later sprak ik de hardloper bij de sluis via mijn hardloopapp. Hij had mij herkend en vond het leuk mij ontmoet te hebben. Dat verraste me enigszins, want ik had het gevoel dat ik vooral bezig was geweest met niet te dichtbij staan en niet te lang praten. Ik antwoordde vriendelijk en bedacht dat hij waarschijnlijk een beter beeld van mij had dan ikzelf. Misschien is dat wel de charme van smalltalk: dat de ander iets aardigs meeneemt, terwijl jij achterblijft met de gedachte dat je niets hebt gezegd.

Ik sloot het gesprek af, legde mijn telefoon aan de kant en besloot dat ik het hierbij zou laten. Hardlopen gaat me beter af dan praten. En schrijven beter dan allebei.

Thuis

Tijdens deze corona-dagen van thuisblijven, quarantaine en social distancing denk je toch anders aan de dingen dan dat je het normaliter doet. Geen ideeën opdoen om iets in de avond te gaan doen. Of zaken inplannen voor morgen. Voor volgende week of de komende maand. Thuisblijven is het devies en thuisblijven is wat we doen. We mogen van het kabinet de uitzondering maken voor een frisse neus, wat boodschappen doen en met een vitaal beroep mag je nog wel heen en weer reizen. Dan maak je nog wel wat mee.

Ik werk vanuit thuis. Ik spreek mijn collega’s via e-mailberichten of via een Whatsapp-groep en verder hebben we videomeetings om elkaar een beetje een-op-een te kunnen spreken. In het begin lijkt dat allemaal nog leuk, maar nu, na de tweede werkweek is voor mij de glans er wel een beetje van af. En zo mijmer je dan maar eens over het een en het ander. Zo zat ik van de week voor een moment te denken aan de lokale bevolking in Cambodja waar ik enkele jaren geleden een paar weken resideerde.

In het hotel waar ik de eerste dagen in Phnom Pen doorbracht lag de hotelkamer aan het einde van de gang. Daar bevond zich ook een voorraadkast van de schoonmaaksters van het hotel. Na een tijdje kreeg ik door dat de kast niet alleen de schoonmaakvoorraad verborg, maar ook de huisraad van de drie schoonmaakster die in het hotel rondliepen. Het is dus niet zo dat kasten alleen zijn voorbehouden aan de Harry Potters en de zeer ingetogen en geheime homoseksuele mensen onder ons.

Waar je eerst denkt: Oh zielig voor die mensen! Blijkt het toch minder sneu te zijn. De drie schoonmaaksters waren altijd vrolijk en ze begroetten mij iedere ochtend vriendelijk toe. Ze keken in mijn beleving altijd blij de wereld in en wanneer ze met de deurdicht thuis waren, hoorde ik ze altijd op een vrolijke toon in het Khmer met elkaar praten. Ik kon er niets van verstaan, maar dacht: Wanneer je woning een kast is, kan het met gemak ook een thuis zijn. Het is hoe je er zelf over denkt.

Na een week logeren, op de laatste ochtend van vertrek, heb ik mijn bruine schoenen -die ik voor de nette gelegenheid als een bruiloft had meegenomen, in de prullenbak van de hotelkamer achtergelaten. Het scheelde me ruimte in de bagage voor de terugreis. Ik kan me nog steeds niet de gedachte uit het hoofd zetten dat aan de andere kant van de wereld een schoonmaakster van iets langer dan anderhalve meter, een tijdje vrolijk in mijn grote schoenen, maat 44, van en naar huis heeft gewandeld.

Pandemie

Ik zat van de week in de trein vanuit het werk naar huis toen ik..
Nee, wacht! Ik zat van de week helemaal niet in de trein. Ik heb heel de week thuis gezeten. Vanaf dinsdag -want maandag was ik officieel nog vrij in verband met Het-Afgeblazen-Weekend-Naar-Berlijn, ben ik gaan thuiswerken. Vanuit mijn eigen huiselijke omgeving de werkzaamheden doen, die ik altijd doe op een locatie in Amsterdam en met mijn collega’s om me heen. De afgelopen week waren dat twee katten, Harpo en Oprah, die mij gezelschap hielden. Niet dat ik daar veel aan heb, ze slapen het grootste deel van de dag.

Ik moet toegeven, het thuiswerken is me best meegevallen. Ik dacht dat ik niet geheel gemotiveerd mijn werkzaamheden had kunnen uitvoeren. Teveel afleiding, maar het leek de afgelopen dagen dat ik juist wel die prikkeling heb om door te voeren. Wellicht komt dat door een onterecht schuldgevoel. Bang dat ze op de andere locaties denken dat ik helemaal niets uitvoer. Ik werd niet afgeleid en deed mijn werkzaamheden naar behoren. Thuiswerken is tenslotte geen vakantievieren. Of ik dit thuiswerken nog eens een paar maanden door wil zetten. Nee, bedankt.

Voordeel van thuiswerken is dat je geen reistijd hebt. Wanneer de wekker doordeweeks op de gebruikelijke tijd afgaat, heb ik een uur extra om rustig wakker te worden. Dit cadeautje zal na vannacht ook wel weer over zijn met het aanpassen naar de zomertijd. Laar ik dan maar genieten van het genoten plezier van de afgelopen week, want zo plezierig vind ik deze periode niet. Ondanks dat ik sociaal altijd wel een beetje afstandelijk ben, blijkt het social distancing toch ook een uitdaging. Niet zozeer voor mij, ik schreef zojuist al dat ik redelijk gereserveerd ben naar anderen, maar wel voor veel andere mensen. Heel veel mensen.

De hersendoden, noem ik deze mensen. Of de kontklevers. De mensen die van mening zijn dat een sociale afstand van anderhalve meter niet voor hen geldt. Wanneer ik na het thuiswerken, op een schaars moment in de supermarkt loop, staan ze ongevraagd naast me in mijn aura. Alsof ze over mijn schouder willen meekijken naar wat ik zoal in mijn boodschappenmandje gooi. Shut the fuck up! Deze laatste boodschap breng ik niet woordelijk zo over, maar ik vraag toch vriendelijk en nadrukkelijk om enige afstand. Sommige hersendoden schrikken dan even op en doen een stap achteruit. Andere imbecielen glimlachen alleen en halen de schouders op. Alsof het zo gezellig en leuk is, het constant verplicht thuisblijven.

Heb Lef, Heb Lief

Het was de bedoeling om dit weekend in Berlijn door te brengen, in verband met een verjaardag, maar het corona-virus heeft daar enige verandering in gebracht. Ik zag dit de laatste weken al een beetje aankomen. Dit wordt geen hardlooprondje onder de Brandenburger Tor door, maar een wandeling naar de koelkast voor een snack. Gelukkig garandeert de reisorganisatie een voucher ter waarde van het uitgegeven reisbedrag voor een later tijdstip, dus de weekendplannen worden even in de koelkast gezet. Ik kan er mee leven. Mocht ik dan mogen kiezen, dan heb ik liever de deceptie van een stedentrip die niet doorgaat, dan de teleurstelling van het bericht dat de gezondheid te wensen over laat. Ik loop niet ontevreden en stampvoetend door het huis.

Daarbij heeft de familie van de week het verdrietige nieuws mogen vernemen dat mijn oom Simon uit Sneek, afgelopen maandag aan hartfalen is overleden. Mijn oom, die mij altijd als enige op de wereld André Kostelanetz, naar de Amerikaanse orkestdirigent, noemde. Dit tot aan de laatste keer dat ik hem zag. Het is deerlijk dat ik geen laatste afscheid heb kunnen nemen of er te kunnen zijn voor de andere naaste familieleden. Ik vind het daarbij intriest om op de rouwkaart van mijn oom de tekst ‘Het afscheid zal in verband met de landelijke maatregelen in besloten kring plaatsvinden.’ te lezen. Mijn moeder is daarbij deze periode meer eenzaam, want ze mag in het tehuis waar ze sinds afgelopen augustus woont, geen visite meer ontvangen. Gelukkig is ze zich niet altijd meer van alles bewust van de huidige narigheid.

Ik probeer het leven te leiden zoals deze was voordat het corona-virus de boel op stelten kwam zetten. Ik wens me lichtelijk te verbazen over het tekort aan toiletpapier voor de egoïstische bangeschijters, want ik vind het meer verbijsterend dat angst besmettelijker is dan een virus zelf. Mede hierdoor is het leven momenteel ook niet meer zoals het eerder was. Op de stations waar ik kom zie ik meer mensen met mondkapjes op dan met handschoenen aan. Ik wil er niet te veel iets van vinden, anders lijk ik erg veel op alle andere Nederlanders. Iedereen lijkt het beter te weten. Zoals het met voetbal in Nederland is, is het ook zo tijdens een viruscrisis in ons land. We zijn een volk dat alleen maar bestaat uit experts. We weten van, en over alles. Daarom neem ik me zelf voor -en daag ik hiermee iedereen uit, om vooral minder te oordelen en veel meer lief te hebben.

Doodlopend

Je leest of hoort er wel eens over; over mensen die levenloos worden aangetroffen. Vaak worden deze mensen gevonden door hardlopers die tijdens hun hardlooprondje op een dood persoon stuiten. Dit heb ik zo vernomen. Ik heb nooit de morbide gedachten gehad om zo een situatie mee te willen maken, maar toch overkwam het me. Bijna dan.

Het is alweer een tijdje geleden dat ik de mensen, die hun hond uitlaten, naar het Lumièrestrandje in Filmwijk zie gluren. Ze zien iets, maar zijn niet zeker over wat ze zien. Ik denk nog; ik loop er straks sowieso langs, ik zie het dan wel. Wanneer ik na ongeveer anderhalve minuut links afsla, het strandje op, zie ik op het strandje een stapeltje kleding liggen. Wanneer ik dichterbij kwam blijkt het stapeltje kleren een persoon te zijn, met de capuchon over het hoofd getrokken.

Al roepend loop ik naar de persoon, maar krijg geen reactie. Wanneer ik er naast sta, zie ik dat het een man is, tussen de dertig en veertig jaar oud. Misschien is hij jonger, maar de donkere baard oogt hem ouder. Met verheven stem vraag ik hem of alles oké is, maar wederom geen reactie. Ik schop lichtjes tegen de schoen van de man. Geen reactie. Ik schop nogmaals. Een beetje harder nu, en de man beweegt een beetje. Hij leeft.

Met een duim omhoog laat ik de mensen op afstand weten dat de persoon oké is en besluit mijn laatste kilometers naar huis te hardlopen. Na een paar honderd meter voel ik me er toch niet lekker bij en besluit toch de politie te bellen. Ik kan niet wennen aan het idee dat het toch niet in orde is, en dat ik dan ben doorgelopen. Ik bel het algemeen telefoonnummer van de politie, doe mijn verhaal en binnen een minuut ben ik doorgeschakeld naar de meldkamer in Almere. Ik loop langzaamaan terug naar het strandje en onderweg ernaartoe heb ik mijn verhaal nogmaals verteld. Bij de slapende man aangekomen geef ik het signalement door en omschrijf de plek waar hij ligt.

De agent van de meldkamer meldt dat de politie al onderweg is. Op mijn vraag of ik moet blijven wachten antwoord hij dat dit niet nodig is. Ze hebben mijn gegevens. Ik geef aan de omstanders door dat de politie onderweg is. Een oudere hardloopster is naast me komen te staan en kwalificeert zichzelf als toezichter. Ik vind het prima. Ze vertelt me dat de man slaapt. Ik kijk haar verbaasd aan. Miss Marple woont tegenwoordig in Almere. Ik vertel haar dat ze niet hoeft te wachten, maar wanneer ze het wenst, ze dit zeker mag doen. De vrouw blijft en ik loop de laatste twee kilometer richting huis. In best nog wel een mooie tijd, ondanks de kleine pauze bij het strandje.