Oud

Mijn grootvader, mijn vaders vader, heeft zijn laatste dagen in een bejaardenhuis doorgebracht. Dit tot groot ongenoegen. Het is meer dan eens voorgekomen dat hij uit zijn kamer ontsnapte en dat de bejaardenverzorgers hem uit de aanliggende tuin konden plukken. Om hem vervolgens weer terug op zijn kamer te krijgen. Gelukkig werd er destijds niet zo op verzorgend personeel bezuinigd, want vandaag de dag was mijn grootvader na een ontsnapping nog uren zoek zijn geweest. Een ‘amber alert’ zou hem niet eerder teruggevonden hebben.

Ik ben een beetje als mijn grootvader. Ik heb niet veel op met oudere mensen. Het is niet dat ik een hekel heb aan oude mensen. Integendeel! Maar de wetenschap dat ik met de leeftijd van 50 jaar dichter bij deze senioren sta, dan bij de jeugd die nog een toekomst voor zich heeft, doet me pijn. Geen constante, ondraaglijke pijn die me de hele dag bezig houdt, maar het zijn de pijnscheuten wanneer je er even aan denkt. Maar daar wil ik verder niet over zeuren, want anders denk je nog dat ik met mijn gezeur gegrond bij de senioren onder de bevolking thuis hoor.

Ik zie me over een ruime tijd in een seniorenflat met een gemeenschappelijke ruimte wonen. Ik zit daar in mijn meest comfortabele, dus afzichtelijke, broek te wachten tot de verjaardagsvisite me komt verblijden. Ik ga er vanuit dat het de kinderen en kleinkinderen van familieleden zijn. Ik zou niet weten wie mij anders zou visiteren wanneer ik mijn 90+ verjaardag kan vieren. Misschien dat een oud-collega die ruim 25 jaar jonger is dan ik, mij komt bezoeken. Die als blakende zestigplusser na het bibberend handenschudden en te vochtige verjaardagskussen op een stoel bij het raam plaatsneemt. Om vervolgens akelig stil blijven.

De visite die met de armen over elkaar naar buiten zit te staren en zeer oncomfortabel een, door het personeel aangeschafte slagroomsoes netjes naar binnen probeert te werken. Een opmerking over de smaak of kwaliteit van de verjaardagstraktatie is het hoogtepunt van de conversatie. Steevast ben ik in december jarig, dus men kan enige diversiteit in het gesprek aanbrengen door over de aanschaf van een kerstboom te beginnen. Waarop ik antwoord dat ik vroeger altijd een boom had staan, maar nu in de seniorenflat helaas niet meer. De visite zal reageren met: ‘Dat heb je vorig jaar ook al verteld.’ Ik begrijp nu waarom mijn grootvader af en toe ‘kwijt was’ om later in de aanliggende tuin teruggevonden te worden.

Konijntje

Het blonde jongetje huppelde de wachtkamer van de dokter binnen, samen met zijn opa. Althans het kind liep aan de hand van een enorme homp onaardig stuk mensenvlees. Ik maak deze enigszins nare opmerking, omdat de man het aardige en vriendschappelijkheid miste, daar waar echte opa’s in behoren uit te blinken. In zijn ogen fonkelde geen blijdschap toen hij commandeerde: ‘Ga zitten en blijf overal van af.’
Het jongetje, dat een klein pluchen konijntje onder zijn arm had geklemd, nam gehoorzaam op de hem aangewezen plek plaats, maar aan zijn oogjes zag je, dat het vertrek verschillende voorwerpen bevatte, die hij graag eens met zijn vingers wilde onderzoeken.
Op een kast liepen een aantal stenen olifantje netjes in een rij, die zich zo aardig door elkaar zouden laten zetten, en het tafeltje naast de deur, die was bedekt met stapels tijdschriften en stripboeken. Daar moesten wel hele mooie plaatjes in staan.
‘Opa, mag ik. ..’
‘Zitten blijven. En je mond houden.’
Wie was die man? Een Judas, vermomd in grootvaders pak? Kritische blikken in de wachtkamer keken de grootvader aan, maar het deed hem helemaal niets.
‘Opa, waar zijn die olifantjes voor?’
‘Die zijn voor afblijven.’
Een corpulente dame met een oude Margriet in haar handen begon kreeg een rood hoofd van moeizaam bedwongen verontwaardiging, maar het jongetje zelf bleef aanmerkelijk wijsgerig van aard. Hij nam zijn konijntje op de knie en sprak op verraste toon:
‘Opa!’
‘Ja?’
‘Konijntje praat tegen me.’
‘Zo.’
Meer kon er blijkbaar niet af. Maar de enorme verwondering van het jongetje over het onverwachte spraakvermogen van zijn knuffeldier, was niet te vernielen.
‘Weet u wat konijntje zegt?’
‘Nee.’
Zachtjes, maar niet zonder triomf kwam het stemmetje:
‘Hij zegt: rót opa.’

Toerist

Het is maandagochtend en vanmorgen vroeg vertrekt de trein op tijd, volgens schema, vanuit Almere. Na een kleine 20  minuten rijden we voorbij station RAI, om over luttele momenten Amsterdam-Zuid binnen te rijden. Ik loop naar het balkon van de trein. Het is er druk. Veel reizigers willen de aansluiting met een andere trein, metro of bus halen. Ongeduldige gezichten kijken naar buiten om zo snel mogelijk naar de volgende vervoerder te gaan. Een vrouwelijke reiziger wil eerst zien aan welke kant ze moet uitstappen. Als zij een beetje oplet, kan ze zien dat alle andere reizigers bij de andere deuren klaarstaan.

Schuin achter mij staat een dikke medereiziger. Het is het type Amerikaanse toerist. Iets te dik en daarmee ook iets te aanwezig. Het is half 8 ‘s-ochtends en de man staat al overdadig bezweet op zijn mobiel te tikken. Ik kijk onopgemerkt achterom. Hij is aan het whatsappen. Zijn dikke worstenvingers glijden over het scherm van zijn telefoon. Ik weet niet wat zijn eindbestemming is, maar ik denk dat hij er hier ook uit moet. Hij wordt onrustig en begint zich op te dringen. Lomp duwt hij zijn dikke , vette lijf tegen me aan. Ik word er een beetje knorrig van. Wat denkt die Amerikaanse vetklomp wel? Onpasselijk doe ik een stap opzij en de toerist een stap naar voren.

De trein komt tot stilstand en het balkon loopt vol met reizigers. Iedereen lijkt de trein met haast te moeten verlaten. De deuren van de intercity gaan langzaam open en het balkon begint leeg te stromen. De dikke Amerikaanse toerist blijft staan en haalt zijn mobiele telefoon weer tevoorschijn. Hij beweegt niet. Om mijn aansluiting met lijn 50 te halen stoot ik hem per ongeluk aan. Om te bewijzen dat ik wel fatsoen heb, zeg ik bij het passeren in mijn beste Engels: ‘I’m so sorry sir,’ en verlaat de trein. De Amerikaanse toerist roept me na. Met een plat Amsterdams accent. ‘Je mot uit je doppen leren kijken, stomme buitenlander.’

Catootje

In mijn fictieve verleden woonde er vroeger een oudere dame bij ons in de straat. Ze had de middelbare leeftijd al jaren achter zich gelaten, maar ze stond nog hartstikke positief in het leven. Deze oudere dame heette Gateau, van achteren. Door iedereen mevrouw Catoo of Catootje genoemd. Deze dame uit mijn straat werd vroeger door de buurtbewoners een beetje met de nek aangekeken. Velen vonden juist haar uit de hoogte doen, want ze had een paar jaar in het buitenland gewoond en alles leek haar voor de wind te gaan.

Succesvol zijn is in Nederland niet per definitie een positief ding. Vaak zijn er mensen die plezier halen uit het neerhalen van andere mensen. Zo zijn er groepen die anderen het geluk niet gunnen. Zij die ongelukkig worden wanneer ze enig geluk bij anderen zien. Zo stond men vroeger met luiermanden bij het stadhuis te demonstreren, wanneer een jong koppel moest trouwen. Omdat nog geen 9 maanden na trouwdatum een eerste kind geboren zou worden. De mens, en niet Facebook, is de oorzaak van alle ellende.

Weer terug naar mevrouw Catoo, de buurvrouw uit de straat van mijn fictieve verleden. Er werd destijds geroddeld en er was achterklap. Men sprak valselijk over de jongemannen die haar na 8 uur ‘s-avonds bezochten. Dit kon echt niet. Welk voorbeeld was ze voor de anderen in de buurt? Zelfs de dominee nam deel aan de gesprekken over mevrouw Gateau. Op een dag kwam deze zielenherder met een recente foto van de buurvrouw. Hierop stond mijn buurvrouw onbedekt afgebeeld.

De foto werd door alle buurtbewoners gedeeld en iedereen sprak er schande van. Dat een vrouw van haar leeftijd zich nog zo naakt liet fotograferen! Men liet de buurvrouw op een ongezouten manier weten dit niet te dulden. Zo werden er eieren tegen haar ramen stuk gegooid. Uiteindelijk is ze verhuisd naar een andere buurt. Waar ze jaren lang anoniem en op haar manier gelukkig heeft geleefd. Mij heeft het vooral verbaasd dat niemand zich afvroeg hoe de dominee aan de naaktfoto van mevrouw Gateau was gekomen.

Trommelaar

Als kind ben ik een blauwe maandag lid geweest van een drumband. De plaatselijke turnvereniging met de toepasselijke naam Turnlust had eind jaren 60 -waarschijnlijk voor de muzikaal ingestelde sportievelingen, een drumbandvereniging opgericht met dezelfde naam als de gymnastiekvereniging.  Mijn zus had al eerder als majorette bij de drumband met haar stokje mogen zwaaien en als logisch gevolg mocht ik enkele jaren daarna met de stokjes in de weer. De drumstokken.

Zo zat ik voor een tijdje iedere vrijdagavond bij mijn vader achterop de fiets, onderweg naar de gymzaal ‘De Draaikolk’. Dat was de thuisbasis van de drumband, en op die locatie leerde ik het trommelen. En ik was slecht. Ik kon er echt niets van. Ik trommelde wel altijd vrolijk en in de maat met de andere trommelaars mee, maar wanneer ik iets alleen moest voorspelen raakte ik van de wijs. Letterlijk. Ik trommelde maar wat weg, wat alleen maar verbijsterde gezichten opleverde.

Ik weet nog dat mijn toenmalige zwager, tevens een gevierd tamboer bij de drumbandvereniging, een hele avond bij ons thuis met mij heeft zitten oefenen. Het trommelen kwam ondanks het drammen er bij mij niet in. Op het laatst had ik er helemaal geen zin meer in. Tot grote frustratie van mijn toenmalige zwager. Die kon niet begrijpen dat ik zo slecht en ongemotiveerd was. Ik kon niet begrijpen wat er nu zo leuk was om diverse marsen uit je hoofd te kunnen spelen. Ik trommelde liever op het gehoor met de anderen mee.

Het gezellig samen met anderen meetrommelen was niet voldoende en na een toelatingsexamen werd besloten dat ik niet in uniform met de andere drumbandleden op straat mocht paraderen. Het was voor iedereen duidelijk. Een carrière als trommelaar was niet voor mij weggelegd. Ik was er ook niet rouwig om. Mijn vader overigens ook niet. Die had de vrijdagavonden weer voor zichzelf. Ik heb me niet lang verveeld. De week na mijn muzikaal examen ben ik lid geworden van de padvinderij en daar heb ik jarenlang met kinderlijk plezier mijn tijd doorgebracht.

Zomer 1976

Als kind ben ik in drijfzand terechtgekomen. Ik moet een jaar of 9 zijn geweest en ik was met een groepje buurtkinderen aan het spelen op een stuk grond dat toen werd klaargemaakt voor een toekomstige woonwijk in Den Helder. Jaren later ben ik er nog gaan samenwonen met mijn huidige echtgenoot. Het moet een mooie zomerdag geweest zijn, want ik kan me herinneren dat ik die dag een korte broek aanhad.

We liepen elkaar al spelend uit te dagen over wat we allemaal wel, of juist niet durfden te doen. Een soort van truth or dare. Nog voordat het in Nederland een algemeen begrip was. Op een gegeven moment zal iemand hebben geroepen dat niemand in het drijfzand durfde te gaan staan. Ik was niet echt een stom of achterlijk kind, maar een uitdaging als deze ging ik niet uit de weg.

Avontuurlijk zoals een tienjarige jongen in de jaren 70 kon zijn besloot ik het drijfzand in te lopen. In het begin nog stoer met een houding van ‘mij maken ze de pis niet lauw’, maar een paar stappen verder zakte ik al ras in de modder. Toen ik het allemaal iets minder leuk begon te vinden zakte ik steeds verder de grond in. Ik wist toen nog niet dat wanneer je in drijfzand terecht komt, je niet te veel moet bewegen.

In paniek en als een bezetene begon ik aan en soort van traplopen in de modder, met als resultaat dat ik steeds dieper in de grond geraakte. Het groepje vrienden moedigde me aan om toch maar snel hun kant op te komen. Ze reikten handen en stokken uit om mij zo weer op het vaste land te krijgen. De stokken kreeg ik wel in mijn handen, maar bij iedere beweging raakte ik dieper in de grond.

Een toevallige passant zou ons te hulp zijn toegeschoten, want er was pure paniek in de gezichten van deze pre-tieners te lezen. Toen ik tot aan mijn middel in de modder vastzat, voelde ik iets stevigs onder mijn linkervoet. In mijn herinnering voelde het als iemand mij een zetje gaf. Wellicht was het een groot stuk rots. Of misschien een spirituele behoeder. Ik kan er tot op de dag van vandaag nog geen zinnig antwoord op geven.

Hemel

Zouden ongelovigen ooit ook naar de Hemel kunnen gaan?
Of is deze plek alleen gereserveerd voor de ‘goeden’.
Voor mensen die Heilig lezen, maar anderen laten bloeden.
Ik heb er nooit zo over nagedacht en kan alleen vermoeden,
dat, als dit zo is, de Hemel voor mij niet hoeft te bestaan.

Wie beslist er over de toegang naar het hemelse bestaan?
Is dat God, of beslissen de mensen hier op aarde,
over de anderen en veroordelen op normen en waarden.
Want wie let op de hoge priesters en eerwaarden?
Als die in hemel komen, hoef ik niet meer te gaan.

Ik wil me niet omringen met mensen die over God praten,
maar er vervolgens voor kiezen niet in te grijpen,
die heel stiekem de kat in het donker knijpen.
Nee, geen verlangen die mensen te willen begrijpen.
Dan heb ik liever dat ze me na mijn dood bij de hemelpoort achterlaten.

Slaapmuts

Van de week vond ik in de gang een klein fluwelen puntmutsje dat door niemand werd opgeëist. Toen ik de volgende nacht in bed lag en mij al een paar uur in dromenland bevond, werd ik plotseling gewekt door een aan aanhoudende pijn in mijn linkerschouder. Ik deed het nachtlampje aan en zag hoe dit kwam: er werd tegen mijn schouder gestompt door iemand die naast mijn bed stond. Een klein mannetje. Het droeg een mooie, witte baard en was gekleed in een groen fluwelen jasje en kanariegeel brokje van ouderwets kwaliteit.
‘Meneer,’ zei het ventje, ‘mag ik mijn muts terug?’
‘Maar u bent een kabouter!’ riep ik verrast.
‘Inderdaad meneer,’ luidde zijn antwoord. ‘Ik ben kabouter met honoraire titel, met de rang van dwerg eerste klasse. Maar als ik mijn muts niet terugkrijg, word ik gedegradeerd tot ongeschoold aardmannetje en dan is mijn pensioen naar de haaien. En dat is niet makkelijk meneer, als je er al zo lang voor gewerkt hebt.’
‘Maar natuurlijk krijgt u ‘m terug!’ zei ik, uit bed springend. ‘Hoe kwam ie eigenlijk in de gang’- als ik niet te vrijpostig ben?’
‘O, ik was even op bezoek in uw keuken,’ zei de kabouter. ‘Een van uw katten gaf een etentje, u weet wel…’
‘Ik weet dat niet echt,’ antwoordde ik. ‘Maar was het gezellig?’
‘Och, zoals zo’n avondje is…’ zei hij blasé. ‘Je bent nog niet binnen, of ze beginnen over de duurste blikvoer of hun angst voor blaffers, want al mauwen ze nog zo, ze hebben allemaal belang bij de maatschappij. Tegen het eind van de avond werd het pas echt leuk. Toen hebben we nog een paar honden in de straat voor de gek gehouden.’
‘En toen bent u uw puntmuts verloren?’ veronderstelde ik.
‘Nou, ik was een beetje ver heen, ziet u,’ zei de kabouter met een glimlach. ‘Ik had flink wat beukennoten op en ik herinner me niet zo precies meer hoe ik thuis gekomen ben. In het bos heb ik wel een paar uur staan zoeken naar waar mijn ondergronds huisje was. En pas de volgende dag miste ik mijn muts, en u was toen al uit bed en dan mogen wij, kabouters, ons niet meer laten vertonen door de kabouterbond.’
De kabouter zette zijn mutsje weer op.
‘Nou, ik zal maar zeggen, het beste met alles,’ sprak ik.
Hij verdween weer stilletjes.
Ik ging weer liggen en dacht: Wedden, dat ze morgen allemaal zeggen dat ik het gedroomd heb?

vrij bewerkt naar een stukje van Simon Carmiggelt

Druk

Haar naam is Elsemieke van Buuren. Een vrouw van net 30 jaar. Vernoemd naar haar beide oma’s, Els en Mieke. Ze is moeder van 2. Luuk en Bram. Een tweeling van 3 jaar oud. Elsemieke woont samen met Ronald van Leeuwen en 32 uur per week is ze werkzaam op kantoor. Naast haar drukke baan doet ze graag aan hardlopen en geniet ze van de ‘high wine-middagen’ met haar beste vriendinnen.

Gewoon wijn drinken bij haar vriendinnen, daar houdt ze ook van en wijn drinken zonder haar vriendinnen vindt Elsemieke ook prima. Als er maar wijn is. Ze doet het huishouden samen met vriend Ronald, maar inmiddels weet ze dat de meeste taken op haar schouders rusten. Ze heeft er vrede mee. Het overreden om de huishoudelijke taken uit te voeren vergt meer energie dan die paar handelingen zelf.

De derde woensdagmiddag van de maand doet ze steevast de maandelijkse boodschappen. Dit uitje staat vast in de agenda. Het hele jaar door. Het is geen opgave, zoals het jaren geleden was. Het is inmiddels onderdeel van het leven. En ze vindt het heerlijk. Niet meer zo vaak sjouwen met luiers en andere noodzakelijke artikelen. Boodschappen doet ze samen met haar beste vriendin Corine, want met 2 kleine kinderen redt ze dat niet alleen.

Elsemieke heeft een druk hoofd. Dan malen haar gedachten maar door. En door. Zo ook deze derde woensdag van de maand. Ze betrapt zich erop dat ze op de automatische piloot de boodschappen heeft gedaan, want ondanks een boodschappenlijstje zijn er toch een paar dingen vergeten. Ze vertelt haar vriendin of ze de boodschappen en de kinderen maar alvast in de auto moet zetten.

Na een snelle wandeling door de gangpaden van de supermarkt heeft ze haar mandje bijna vol. Ze vraagt zich af hoe ze deze artikelen heeft kunnen vergeten en dwaalt verder af naar de werkzaamheden die nog op haar wachten. Nadat ze de boodschappen heeft afgerekend loopt ze met de armen vol, want een plastic tasje heeft alleen nadelen, naar de auto van haar vriendin. Ze stapt in en zegt: ‘Rijden maar.’

Corine zegt niets en de auto komt niet in beweging. Als ze wilt vragen wat er loos is, hoort ze een mannenstem. ‘Mevrouw ik denk dat u in de verkeerde auto zit.’ Elsemieke draait haar hoofd naar links en kijkt in de blauwe ogen van een oude, gezette man. Langs het hoofd van de man, in de auto ernaast ziet ze de tweeling op de achterbank zitten en haar vriendin kijkt haar onbegrijpend aan.

Onbezittelijk

Ik ben van mening dat ik wel weer een rondje kan hardlopen. Het is droog weer. De temperatuur is laag, en het hardloop-animo hoog. Een rondje met een petje op het hoofd en de hardlooplegging tot onder de knie. En daar ga ik.

Na een kilometer heb ik de pas er goed in. Nog een kilometer en ik ben in het Beatrixpark. Geen moment denk ik dat ik beter thuis had kunnen blijven. De schoenen zitten perfect om de voeten. Er zijn momenten geweest dat ik dacht dat de hardloopschoenen de oorzaak zijn van alle blessure-ellende. Vandaag niet.

Ik passeer de stadsgrens. Ik heb inmiddels 4 kilometers door de stad gelopen. Ik loop het natuurgebied Pampushout in. De zon schijnt in de rug en laat een rennende schaduw zien. Het lage land om is wit, mistig en hier en daar ligt een bevroren plas. Weer een kilometer verder, sla ik het Michelinpad op.

In aanhoudende tempo loop ik in Noord-Oostelijke richting. De wind is stil. Net als de schaduw die links van me meerent. Even later sla ik linksaf het bos in. De bodem is er niet vlak en ik loop van richel naar kuil. Ik draai me om en sla later weer linksaf. Het Michelinpad op. Een man met een Indiana Jones-hoed en de hond aan de lijn groet me wanneer ik hem passeer. Ik groet terug.

Het hardlopen gaat lekker. Nog geen pijntjes in de voeten of benen. Ik sla rechtsaf, het Gerrie Knetemannpad op en ik loop weer de bewoonde wereld in. Door de Muziekwijk, langs het kerkhof weer terug naar het Beatrixpark. Bij het stadspark loop ik over het specerijpad door de Kruidenwijk. Ik heb inmiddels 8 kilometer gelopen. Nog ruim 2 kilometer te gaan en dan ben ik thuis.

De laatste kilometers gaan perfect. De gemiddelde hardloopsnelheid ligt laag en langzaamaan bedenk ik wat we vandaag allemaal gaan doen. Er zijn genoeg leuke dingen om de dag mee door te brengen. Het zijn niet te veel dingen, dus alles kan in een relaxt tempo. gebeuren. Weekenden als deze blijven toch wel favoriet.

Huisdier

‘Een huisdier? Nou, denk daar nog maar een goed over na!’
    De blonde moeder reageert op een mededeling van haar buurvrouw. Ze is een jonge zelfverzekerde vrouw die midden in het leven staat. Ze is vrolijk en niet het type waarvan de rol van moeder haar is overkomen. Eerder een bewuste keuze. Blijheid straalt van haar gezicht.
    De buurvrouw, met donkere en treurige ogen als Sanne Wallis de Vries, kijkt beteuterd naar grond. Samen zitten ze op een bankje in het stadspark. Hun beide kinderen, buurjongens, spelen op het veldje. Het is te koud om relaxt op een bank in het park te zitten. Beide vrouwen zitten diep verscholen in hun winterjas. De jonge blonde moeder kijkt om haar heen op zoek naar haar zoon. Wanneer ze beiden buurjongens ziet leunt ze weer achterover. Ze neemt een trek van haar sigaret en blaast snel de rook uit.
    ‘Zo’n jaar geleden leek het me leuk om een dier voor Kevin in huis te nemen. Geen hond of kat. Gewoon een dier in een kooitje. Zo’n beestje dat af en toe wat aandacht nodig heeft. Wij dus op een ochtend op de fiets naar de dierenwinkel. Ongelooflijk wat een keuze! muizen, ratten, marmotten en cavia’s. De hele reutemeteut.’
    De blonde moeder neemt snel een haal van haar sigaret en checkt iets in haar tas. De buurvrouw kijkt zwijgend toe.
    ‘Het werd dus een cavia. Kevin vond het een leuk beestje en ik vond het prima. Nog mooier toen bleek dat het dier in de aanbieding was. Geen geld voor dat bedrag! Dus snel gekocht en naar huis. Dat was nog een uitdaging. Wat een ellende. Ik was op de fiets, dus Kevin in het zitje zien te krijgen en de cavia in kooi, in zo’n grote gele boodschappentas van de Jumbo. En dat dier in die tas maar piepen. Gek werd ik ervan.’
    Ze neemt nog een haal van haar sigaret en gooit de peuk in een sierlijke boog op de grond.
    ‘Nou, eenmaal gesetteld bleek het plezier voor maar even. Nadat we het best ruim een week hadden begon Kevin het benauwd te krijgen en ikzelf werd er ook niet vrolijker van. Het roken ging me tegenstaan. En je kent me: Ik rook nog door als ik een bronchitisaanval heb.’
    De buurvrouw knikt glimlachend.
    ‘Maar Kevin kreeg het op het laatst zo benauwd, dat ie begon te piepen. De cavia zou jaloers worden op het piepen van Kevin. Wat dacht je, de volgende dag? Allebei onze ogen dicht. Zware allergische reactie. Zo erg dat ik uiteindelijk met Kevin naar het ziekenhuis ben gegaan, want dat kind lag zowat op apegapen. Zo benauwd was ie. Moest Kevin nog een nachtje voor observatie in het ziekenhuis blijven ook.’
    De buurvrouw slaat de hand voor haar mond.
    ‘Dus de volgende dag, toen Kevin aan de beterende hand was en weer naar huis mocht, heb ik die cavia bij mijn ouders gedumpt. Ik was als de dood, dat Kevin er in zou blijven.’
    Ze pakt een sigaret uit het pakje.
    De buurvrouw kijkt haar bezorgd aan en zegt: ‘Nou, dat wordt dan geen Cavia voor Noah.’
   ‘Geloof me. Van een cavia wordt je echt niet gelukkig,’
    De buurvrouw knikt.
    De blonde moeder steekt haar sigaret op. ‘Tenzij je van je kind af wilt. Maar dat is een ander verhaal’

Bloemlezing

Het was in de zomermaand van vorig jaar toen tiener Tim, een zoon van een bekende Nederlander, tijdens een vakantiebaantje bij de plaatselijke bioscoop een heel mooi meisje ontmoette. Ze had blonde haren en blauwe ogen, als uit een sprookjesfilm ontsnapt. Het was rond de klok van 3 uur dat ze bij zijn loket kwam staan en hem vroeg om een kaartje met 5 Euro korting voor de hoofdfilm voor die avond. In een opwelling vroeg Tim haar waarom ze niet met hem naar de film wilde gaan.

Verlegen vertelde ze hem dat ze dit toch eerst naar haar moeder moest whatsappen. Tim kon zijn oren niet geloven. Later zweerde hij bij zijn vrienden dat ze dat echt had gezegd. Zonder te lachen ook. Tim vroeg haar naar haar naam en leerde dat ze Annemarie heette. Waarop hij haar aankeek en zei: ‘Even naar mijn moeder whatsappen? Dat is toch uit de tijd meid, je kunt het ook aan mij kwijt!’ Annemarie keek hem even aan en het wat meteen gedaan. De dingen werden met een kus geregeld vanaf toen.

Ze maakten een afspraak voor de volgende zaterdagavond, waarbij ze aan het begin van de avond meteen duidelijk maakte dat ze wel weer voor 12 uur ‘s-nachts thuis moest zijn. Tim kon eerst zijn oren niet geloven, maar het werd een gezellige avond. De volgende dag, na het eerste afspraakje, bedacht hij dat je zoiets nog weinig tegenkomt. Tegen vrienden vertelde hij: ‘Zo’n meid verdient alle zegen.’ Tim was verliefd en in gedachten zong hij haar naam als in een chant.

Het is Tim nu duidelijk dat zijn Annemarie geen alcohol drinkt en geen sigaretten rookt. Op muzikaal vlak houdt ze meer van de oldies dan van hedendaagse top-40-muziek, maar het kan Tim allemaal niets schelen. Hij is heel blij met een vriendin als Annemarie. Iedere deur houdt hij voor haar open en er zijn dagen dat hij best een rondje met haar hondje wilt lopen. Altijd een glimlach op het gezicht bij de gedachten aan Annemarie. En iedere dag wordt bezegeld met een zoen.

db-logo-red

Vluchtweg

Zondagmiddag. Tijdens mijn hardlooprondje loop ik langs de sportvelden van Almere en hierbij passeer ik ook de bushalte ‘FBK Sportpark’. Het is de bushalte waar asielzoekers in Almere moeten uitstappen wanneer ze naar hun verblijf in Nederland lopen. Een paar meter voor mij loopt een man van nog geen 30 jaar met ingetrokken schouders en het hoofd diep in de kraag van zijn zomerjack. Ik kan me voorstellen waarom hij er zo moedeloos bijloopt. Het is koud buiten. De lucht is grijs en grauw en de aanhoudende, miezerige regen spoelt alle blijheid van de mensen weg.

Door het nare weer loop ik snel door naar huis en open haard. Wanneer ik de man tientalle meters achter me heb gelaten, kan ik de gedachte niet verzetten dat deze man niet echt gelukkig in Nederland kan zijn. Volgens mij is hij liever op de plek waar thuis is. De plek waar hij is opgegroeid. Een omgeving waar alles bekend voor hem is en waar de temperatuur ook aangenamer is. Hier in Nederland is het koud en helaas niet alleen wat betreft het weer.

Als ik nog maar 2 kilometer van huis ben, vraag ik me af hoe het voor westerse mensen moet zijn om op de vlucht te zijn. Zal er een moment in ons land komen waarin Nederlanders gevaar lopen en elders een veilige plek moeten zoeken? Zal ik ooit, als openlijk homoseksuele man, niet meer veilig in Nederland kunnen blijven? Wanneer je kijkt naar de wet op privacy, is er al zo veel informatie over het volk verzameld. In wezen vind ik dat prima, met als motto: Als je niks te verbergen hebt, dan zit het met je privacy wel oké.

Maar stel je voor dat door een onverwachte situatie Nederland niet langer een seculiere staat is, en het geloof aan de macht komt, waardoor idioot strenge wetten als een sharia worden geïntroduceerd. Dan wordt het een dagelijkse evenement dat homoseksuele inwoners van Nederland voor straf van de Martinitoren worden afgegooid. Razzia’s zijn niet langer nodig, want alle geregistreerde homoseksuelen zijn openbaar. Gelukkig is het nu nog zo dat de geaardheid van een inwoner van Nederland geen geheim hoeft te zijn.

Ik ben niet het type mens die afwachtend de dingen zal aanzien. Ik ga niet zonder slag of stoot geblinddoekt mijn ondergang tegemoet. Ik sla op de vlucht. Dan vertrek ik met tientallen, misschien honderden andere homoseksuelen, in onze goede goed en met de beste bedoelingen op de vlucht naar een veiliger oord. Naar een land waar homoseksuelen wel welkom zijn. Ik hoop dat die er dan zijn. Naar Afrika hoeven we niet af te reizen. Daar belanden we in de meesten landen in de gevangenis.

In Rusland of in veel Oost-Europese en Arabische landen zijn homoseksuele mensen verschoppelingen, uitgestotenen of gewoon uitschot. Perverse mensen die niet welkom zijn. Die alleen maar op zoek zijn naar het eigen geluk. Viezeriken die niets bijdragen aan de maatschappij. Het klinkt misschien hard, maar het zou best kunnen dat er groepen mensen zijn die het liefst zien dat de eigen grenzen worden gesloten en er alles aan zullen doen om de vluchtenstroom tegen te houden.

db-logo-orange

Vrouwenpraat

Donderdagmiddag. Mijn trein komt met 10 minuten vertraging aan in Almere. De meteorologen hebben een sneeuwstorm voor de avond aangekondigd en de regen die op alle mensen in het centrum van Almere neervalt, moet een voorbode zijn. Echt niets om naar uit te kijken.

Ik loop langs de Primark richting thuis. De stoep wordt compleet geblokkeerd door een vijftal corpulente dames die allen naast elkaar lopen richting de parkeergarage. Ik moet de straat oplopen om er langs te kunnen. Met een ‘dames het hoeft niet zo breeduit over de hele stoep’, loop ik hen voorbij.

De zin ‘en wanneer ik jullie heupen zo zie, blokkeren je in je eentje al een halve stoep’, slik ik maar in. Het klinkt niet aardig en zo stoer ben ik nu ook weer niet. Mijn opmerking geeft al genoeg ophef. Ze roepen me iets na, maar ik hoor het niet. Met dit gure weer heb ik mijn hoofd in de kraag van mijn jas verstopt en kijk ik niet om.

Als ik doorloop zie ik dat verderop het verkeerslicht voor voetgangers op groen springt. Ik versnel mijn pas richting het parkeerterrein aan het koolzaadveld en stap stevig door. Een dame met capuchon met idiote bontkraag aan haar synthetische jas loopt achter me aan in het zelfde tempo. Ze heeft Willem aan de telefoon.

Dat is duidelijk te horen. De mevrouw met de foute capuchon heeft een ver dragend stemgeluid. Als een misthoorn op een schip. Het klinkt als gekras op een schoolbord. C’est le ton qui fait la musique: Het is de toon die de muziek maakt, een uitdrukking in Frankrijk. Het kan ook de toon zijn die het bloed je uit de oren doet lopen.

De vrouw praat en práát. Arme Willem aan de andere kant van het gesprek. Hij krijgt er geen woord tussen. Aan een stuk door blijft ze maar ratelen en dat in hetzelfde looptempo als ik. Wanneer ik de looppas versnel doet zij hetzelfde, en ze praat maar dóór. Ze lacht geamuseerd om haar eigen grappen. De combinatie van haar lach en het afschuwelijke stemgeluid, het is een marteling!

De haren in mijn nek staan overeind. Ik overweeg me om te draaien en de vrouw met een uithaal te vloeren. In gedachten zie ik haar al op straat liggen. Gepijnigd, maar wel stil. Ach, ik zei het al. Ik ben niet stoer, en anderen slaan is gewoon niet aardig. En ondertussen práát ze maar door. Wanneer de regen iets toeneemt besluit ik een sprintje te trekken. Ik vlucht niet voor de regen. Ik kan die stem niet meer aanhoren.

db-logo-yellow

Simon 

Toen Simon zaterdagavond alleen thuis was en een boek van Edgar Allan Poe las, werd er aan de voordeur gebeld. Hij opende de deur en zag een lange, dunne man met een porky pie-hoedje op.
‘Goede avond,’ zei hij. ‘Is de heer Anders thuis?’
‘Nee,’ antwoordde Simon.
‘Wanneer zou ik hem dán kunnen treffen,’ vroeg het hoedje.
‘Nooit,’ sprak Simon. ‘Hij woont hier niet.’
De man met het hoedje streek over zijn baardje. Meteen deed hij een stapje achteruit, en liet zijn licht op het huisnummer schijnen.
‘Tweeëntwintig!’ riep hij opgelucht. ‘Ziet u wel, ik wist wel dat ik goed was. Anders woont op tweeëntwintig.’
Simon schudde ontkennend zijn hoofd.
‘Zeker wel,’ vervolgde de man. ‘Anders is zo’n dikkerd, met een wit hondje.’
Uit beleefdheid deed Simon of hij nadacht, maar tenslotte verklaarde Simon noch de heer, noch zijn huisdier te kennen.
Het hoedje werd er ongeduldig van.
‘Hij heeft zo’n dikke kop, Anders! Ik ben al zo vaak bij hem geweest!’
‘Echt niet, meneer,’ riep Simon. ‘Als ik u toch vertel dat. ..’
Op dat ogenblik ging de deur van de huiskamer open en trad een dikke man met een opgeblazen gezicht de gang in. Hij droeg een wollen vest, en een wit hondje liep bij zijn benen. Met uitgestoken hand liep hij op het hoedje af en riep: ‘Ha die Koen! Leuk dat je even aankomt!’
‘Ziet u nou wel,’ sprak de bezoeker, terwijl hij Simon verwijtend aankeek.
Simon was natuurlijk nogal verbaasd, maar later is de zaak hem duidelijk geworden. Die Anders woont al anderhalf jaar in het huis, dat door een administratief misverstand bij woningstichting niet alleen aan Simon, maar ook aan Anders is verhuurd. Door een merkwaardig toeval hebben ze elkaar nooit eerder opgemerkt, omdat Anders altijd net in de achterkamer was, wanneer Simon vóór huisde. Liep Simon de achterkamer in, dan moest Anders net even de gang op of op het toilet zitten. Zo hebben ze elkaar al die tijd misgelopen, maar nu is de zaak door het bezoek aan het licht gekomen. Ze zullen er iets op moeten vinden. Gelukkig vindt Simon Anders geen kwade vent. Misschien een beetje te dik.

db-logo-green