Hondje

Toen we laatst, Edo en ik, terugkwamen van een avondje uiteten bij de Griek zagen we aan de overkant van ons huis, aan de rand van het grote grasveld voor ons huis, een hondje aan een boom vastgebonden zitten. Mijn liefde voor dieren, of de hoeveelheid glazen wijn die ik deze avond tot me had genomen, liet zich gelden en ik stapte resoluut naar het beestje om het te bevrijden. Wederom verbaasde ik me over de slechtheid van de mens van vandaag de dag.

Het dagelijks nieuws volg ik niet meer, want wanneer je even op de hoogte wilt blijven van wat er mondiaal aan de hand is, wordt je -boem!- geconfronteerd. Teleurstellende en veroordelende tweets van de Amerikaanse president en uitspraken van andere machthebbers. Of de idiote vergeldingsdrang van aanstellerige losers die geen bommen kunnen laten afgaan en daarom dan toch maar aanzien denken te verkrijgen door op andere mensen in te rijden. Kansloze droeftoeters zijn het. Allemaal.

Maar mijn teleurstelling in de mens viel me verrassend mee op het moment toen ik dichtbij het hondje aankwam. Het arme beestje bleek helemaal niet vastgebonden te zijn. Het zat alleen maar een beetje rillerig en depressief om zich heen te kijken. Alsof het ook teleurgesteld was om alles in zijn korte hondenleventje. Misschien had het beestje wel een carrière als blindengeleidehond voor ogen, maar bleek het een verkeerde afkomst te hebben. Van het verkeerde ras. Hartstikke ongeschikt om immobiele mensen te begeleiden.

Daar zat het dier dan met zijn toekomstdroom. Niets van dit alles. Alleen een loopbaan als schoothondje lag hem in het verschiet. Een toekomstperspectief dat het dier niet zag zitten. Totaal geen uitdaging. Dan wil je de hondenkop wel even laten hangen. Honden blijken dus ook hondsmoe te kunnen zijn. Hartstikke teleurgesteld. Je weet het natuurlijk niet echt, want je kan het zo een zielig, rillerig en depressief beestje ook niet vragen. Ja, je kan het wel vragen, maar het dier zal je toch echt geen antwoord kunnen geven.

Edo opperde het idee om met het beestje langs de deuren te gaan. Hij had het hondje al bij de halsband vast. Ik kon alleen maar bedenken dat de mensen in mijn buurt hier totaal niet op zitten te wachten: Twee mannen met een hondje onder de armen die ‘s-avonds laat nog voor de deur staan. Geen weldenkend mens die op een laat tijdstip nog de deur opent. Nee, ik heb begrepen dat het tegenwoordig hot is om foto’s van gevonden voorwerpen als bankpasjes, bibliotheekkaarten en sleutelbossen op sociale media te plaatsen. Dat vind men leuk. Dat is kicken.

Dat is net zo leuk als de met smartphone geschoten foto’s waar iedereen tegenwoordig haarscherp op staat afgebeeld. Van die mensen die zogenaamd verdacht doen. We zijn achterdochtig en vertrouwen het niet, en maken een foto van die verdachte personen. Om het dan te kunnen delen op Facebook met een onderschrift waarin een handeling wordt verzonnen. Het doel om de foto zo veel mogelijk te delen. Om die ‘klootzakken’ op de foto voor eens en altijd een les te leren. Ik vind het eng, dit soort acties. Het klinkt als een moderne heksenjacht. De overtuigende veroordeling over onschuldige mensen.

Edo hoefde ik overigens niet te overtuigen om toch niet langs de deuren te gaan, want het rillende hondje vond dat namelijk ook geen goed idee. Op een gegeven moment draaide het even fanatiek raar met het koppie, waardoor het uit zijn halsband bevrijd werd. Het beest nam rap de benen, om niet meer terug te keren. Daar stonden we dan met onze goede bedoelingen, en Edo met een hondenhalsband in zijn hand. Iets waar we totaal niets mee kunnen, omdat we het niet bij onze eigen katten om kunnen doen. Naast mensen kunnen ook honden teleurstellen.

Herfst

Corine zit bij de kapper. Haar haar is net door haar favoriete kapster Christel, met verf aangepapt en in de aluminiumfolie gewikkeld. Ze is toe aan een herfstig kleurtje in haar lokken. De mussen buiten laten zich deze middag figuurlijk van het dag vallen, maar Corine wil al jaren in de laatste week van augustus een andere haarkleur. Zo weet ze voor haarzelf dat de zomer voorbij is en dat de herfst er aan kan komen. Het ontdekken van de zakken pepernoten en de chocoladeletters in de schappen van de supermarkt staat gelijk aan het veranderen van haar haarkleur. ‘Bye, bye blondje en welkom terug rode Corine,’ knipoogt ze naar kapster Christel.

Kapster Christel is druk met haar handen en met haar mond kwebbelt ze lekker door tijdens het kappen van Corines haar.
‘Hoe lang zet je deze traditie nu al zo voort? Dat kleuren van je haar in de laatste week van augustus? Volgens mij had je deze traditie al voordat ik hier kwam werken, en dat is toch al zo’n 15 jaar geleden,’ ze neemt snel een slok uit haar koffiemok. ‘Gets, het is al lauw geworden,’ en Christel plaatst de koffiemok weer terug op het planchet onder de spiegel,  om het deze middag te vergeten.
‘Nou, toch wel al een hele tijd hoor Christel.’
‘Wanneer heb je je haar ooit voor het eerst laten kleuren?’
‘Dat moet in de jaren 80 geweest zijn. Kleuren en touperen. Vooral dat laatste. Hoe hoger het haar, hoe beter.’
‘Oh meis, hou op. Ik weet er alles van! Hoog haar, honderd kleurrijke sieraden en schoudervullingen. Die schoudervullingen! Met het juiste jasje aan kon ik een compleet ontbijt met alleen mijn schouders opdienen!’

Oh, de eighties! Ik wou dat ik ze mee had kunnen maken,’ roept de stagiaire Demi enthousiast. Ze heeft even niets heeft te doen. De telefoon is stil en alle haarlokken zijn van de vloer weggeveegd.
‘Hoezo?’ vraagt kapster Christel.
‘Ongeacht hoe belachelijk je er uitzag, was het leven allemaal zo veel simpeler. Naast goede muziek had je geen mobieltjes en geen internet. Je kon jezelf zijn, zonder zorgen te maken of iemand je blunder online plaatste.’
‘Ja, dat is waar,’ geeft Corine toe. ‘De jaren 80 hadden toen alleen maar voordelen.’
‘Nou, niet echt alleen maar,’ reageert stagiaire Demi. ‘Als je de eighties bewust hebt meegemaakt moet je nu kapot oud zijn.’
‘In de herfst van je leven,’ zucht Christel en kijkt weemoedig naar Corine.

Wijn en wheelies

Gisteren ontving ik een berichtje op mijn telefoon. ‘Ben er met een half uur.’ Er moest een boek opgehaald worden. Een zeer lichte vorm van paniek nam bezit van me. Ik had niets in huis. Niets om een goede gastheer te kunnen zijn. Ik wist niet of de persoon op de bank ging blijven hangen. Gelukkig woon ik in een stad als Almere waar de 24 uurseconomie algemeen is. Dus snel op de fiets naar de supermarkt om daar een paar flessen te halen. Rode wijn en rosé. Niet dat de persoon die haar bezoek per whatsapp aankondigde een alcoholistisch orgel is, maar ik wil niet bekend staan als de zuinige Nederlander. Wijn moet geschonken en gedronken worden. Het moet vloeien. Niet druppelsgewijs zuinig worden uitgeschonken.

Het berichtje ontving ik rond 8 uur en de supermarkt die ik gebruikelijk bezoek is tot 10 uur ‘s-avonds open. Enige haast was niet geboden, behalve dat ik wel binnen een half uur met alcohol in de rugtas weer thuis moest zijn. Op de fiets, onderweg naar de supermarkt, mocht ik me nog heel even verbazen over een volwassen man van het formaat Hagrid (een bekende reus, uit de Harry Potter-boeken), die het een uitdaging vond om constant op zijn fiets een wheelie te rijden. Een volwassen man die zijn stuur omhoog trekt en zo balancerend, alleen op het achterwiel doorrijdt. Je moet het maar kunnen. Ik kan het niet eens leuk vinden. Maar die man wel, en hij was nog goed ook. Tientalle meters reed hij op zijn achterwiel weg.

In de supermarkt waren de gewenste artikelen als snel gevonden en in het mandje gelegd. In no time stond ik bij de kassa de flessen wijn en een homp kaas af te rekenen. Ik vond het er verbazingwekkend rustig. Vaak zijn er mensen die op de meest onlogische tijden de weekboodschappen moeten inslaan. Zoals op een zondagochtend of op de maandagavond. Laat ze doen wat ze willen, als ik maar binnen een half uur een paar flessen wijn in huis heb. En ik was op tijd thuis. Met wijn. Het aangekondigd bezoek stond op afgesproken tijds voor de deur. Ik zag al aan haar lichaamstaal dat ze haast had, maar als een beleefde heer -zoals ik mezelf graag zie, vroeg ik haar toch binnen.

‘Het spijt me,’ excuseerde ze. ‘Ik heb echt geen tijd.’
‘Geeft niets,’ loog ik en trok daarbij mijn schouders op.
‘Een volgende keer blijf ik langer,’ werd me beloofd. ‘Echt,’ werd er benadrukt.
‘Dan zorg ik dat ik wat lekkers in huis heb.’
‘Gezellig!’
Ze draaide zich om, en met het boek in de hand stapte ze weer in de auto. Even zwaaien, en ze vertrok
Terug binnen liep ik naar de keuken en trok een fles rode wijn open.

Vakantiedagboek

Vrijdag, 18 maart 2005.

Vanmorgen ging de wekker om 04:50 uur. Ik wilde nog 10 minuten snoozen, maar Parijs gaf me net genoeg adrenaline om me uit het bed te laten springen. Vandaag zal ik voor het eerst de Franse hoofdstad bezoeken! Ik kon vanmorgen rustig aan doen. Alles stond al klaar (de avond ervoor al geregeld), dus heel relaxt liepen Edo en ik even voor 06:00 uur naar station Almere Centrum, om met de trein van 06:11 uur naar Amsterdam Centraal te rijden. Hier aangekomen konden we dan eindelijk overstappen naar de Thalys om richting Parijs af te reizen.

Hierboven een fragmentje uit een vakantiedagboek dat ik van het weekend terugvond. Je komt nog eens wat tegen bij het leegruimen van oude kastjes. In het dagboekje staat, zoals hierboven ingeleid, onze eerste stedentrip naar Parijs. Maar ook andere vakanties. Zoals de 3 weken durende roadtrip in 2001 door het zuiden van Frankrijk, waarin we liters heilig water in Lourdes hebben gedronken en geheime plekken van kruisridders hebben bezocht. Het is leuk om het weer terug te lezen. Vooral hoe je ruim 15 jaar geleden tegen de dingen aankeek. Of hoe netjes ik nog kon schrijven. Sinds we steeds vaker toetsenborden gebruiken, heb ik het schrijven een beetje verleert en lijkt een doktershandschrift op kalligrafie-kunst in vergelijking met mijn huidig handschrift.

Ik ben inmiddels begonnen om het vakantiedagboek digitaal te vertalen en online te zetten. Hierbij met toevoegingen van foto’s en andere plaatjes, die in het vakantieboekje zijn geplakt. Tegenwoordig is alles met een mobieltje te scannen (dat kon 16 jaar geleden nog niet met mijn Nokia 6210) en zo weer over te zetten naar dit weblog. Zo kan ik onze vakantie naar Nice (wederom Frankrijk) met de gehele schoonfamilie online zetten en de strandvakantie naar de Canarische Eilanden. Wanneer ik een ander vakantiedagboek (het vervolg op dit gevonden exemplaar) heb gevonden, zal ik ook deze digitaal vertalen. Maar dat is iets voor de lange, donkere avonden, over een paar maanden. Tegen die tijd plaats ik hier een link. Dan kan je onze vakanties -als je het wilt, meebeleven.

 

Zaterdagochtend

Zaterdagochtend, kwart over 6. Ik draai me om in bed, maar mijn blaas verplicht me tot opstaan. Slaapdronken strompel ik naar de badkamer. Iedere stap doet pijn. De 6 kilometers aan hardlopen straffen mijn lichaam af in de enkels, of misschien is het gewoon de leeftijd? Dat je zo oud wordt om te leren dat je lichaam langzaamaan aftakelt. De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden, en is het een combinatie van beiden. Hardlopen en van gemiddelde leeftijd. Mijn blaas is leeg en ik loop weer naar de slaapkamer. Het was een kwestie van op gang komen. Ieder stap doet steeds minder pijn en zonder pijnlijke enkels stap ik weer in bed om nog even weg te dromen.

Om kwart over 9 schrik ik wakker. De deurbel. What the fuck?, denk ik. Maar meteen weet ik dat het de bezorger is. Edo heeft van de week een crosstrainer besteld en deze zou vandaag bezorgd worden. Lekker op tijd, dat wel. Ik spring (niet gracieus) in een korte broek en loop snel naar beneden. Mijn enkels doen toch aardig mee, dus ik hoef niet als een senior van de trap te sjokken. Ik open de deur en de bezorger staat met een grote kartonnen doos bij de voordeur. Er wordt getekend voor ontvangst en we zijn een crosstrainer rijker. Met zijn tweetjes tillen we de doos naar boven, waar Edo het in elkaar mag zitten. Een jarenlange relatie heeft geleerd dat apparaten als deze niet samen in elkaar gezet gaan worden.

Ik zet koffie en parkeer mijn kont op de bank. Op mijn mobiel check ik wat social media. Ik lees het verdriet van Roos Schlikker en verder nog wat columns. Eén van een vriend over roze vakanties en de wekelijkse column van Youp. Ik vraag me af waarom er vaak in columns mensen of dingen, grappig bedoeld, afgezeken moeten worden? Sinds de jury van Idols bestaat is het doodnormaal om iemand te verguizen. Wat weer resulteert in mensen die beledigd zijn. Youp heeft het over ‘die getatoeëerde beroepspuber en de Nijmeegse krottenmelker’. Nu kan ik op mijn beurt een wijze opmerking hierover maken, maar kunnen we het over leuke dingen hebben? Misschien moet ik nog goed wakker worden, maar er is al genoeg ellende in de wereld. Doe eens aardig.

Inmiddels is het half elf en op Twitter meld ik mijn volgers dat ik iets ga doen. Ik ga douchen om daarna een paar regels op mijn laptop in te tikken, welke ik om 12 uur wil plaatsen. Net wanneer ik denk klaar te zijn, gaat de deurbel weer. Ik doe open en een stoere knul van Post.nl staat met een doosje in zijn handen in de voortuin. De door mij bestelde hardloopbroek wordt me overhandigd. Misschien dat ik vandaag een rondje ga hardlopen. Maar dat zie ik de zaterdagmiddag wel.

A Family Affair

Na een weekje vrij te zijn geweest vind ik het altijd spannend om te weten wat je na een (korte) vakantie mag verwachten. Gelukkig viel het me maandagochtend allemaal mee. Mijn collega’s hebben mijn werkzaamheden goed overgenomen, waardoor ik deze week het werk dat ik ruim een week geleden had neergelegd, weer makkelijk kon oppakken. Ik kon weer gewoon aan de slag. Wel was het druk aan werkzaamheden. Ik hoefde me niet te vervelen. In de ochtend werd me gevraagd of ik een nieuwe collega wilde inwerken, in de zin van het uitleggen waar mijn werkgever voor staat en de verdere in & outs van het bedrijf. Dat wilde ik wel. Ik had de tijd, en ik vind het altijd leuk om nieuwe mensen enthousiast te maken.

Na de lunch kwam mijn nieuwe collega, Esther, naast me zitten en begon ik met behulp van het -fantastische- softwarepakket die het bedrijf waarvoor ik werk zelf heeft ontwikkeld, aan mijn uitleg c.q. kleine presentatie. Omdat ze andere werkzaamheden gaat doen dan ikzelf, hoefde ik niet inhoudelijk op mijn eigen bezigheden in te gaan. Naast de zakelijke gesprekken, heb je het natuurlijk ook over de bekende koetjes en kalfjes. Waar kom je vandaan? Kom je op eigen gelegenheid of met openbaar vervoer. Standaard meld ik dat ik met de trein en metro naar het werk kom, omdat de verbinding vanuit Almere prima is. Collega Esther komt dagelijks uit het Gooi en neemt de auto. Hierdoor moet ze wel heel vroeg op pad, anders zit ze haar kostbare tijd op de snelweg te verdoen.

En zo kom je langzaamaan op andere onderwerpen. Oorspronkelijk komt Esther uit het Noorden van het land. Daar sta je alleen stil met je auto wanneer er een brug openstaat. In gedachten kan ik het alleen maar bevestigen. Dat weet ik nog van vroeger wanneer we iedere schoolvakantie in de bus naar Friesland zaten. De langdurige busritten van en naar Sneek werden vaak verlengd door het stilstaan voor een brug. Dan was het vooral bij de sluizen van de Afsluitdijk vaak raak. Ik kan me de warme, lange zomers in Friesland goed herinneren. Als ik dan weer aan mijn huidige woon-werksituatie denk, ben ik blij met mijn treinverbinding. Per uur gaat er 4 keer een trein van Almere naar Amsterdam-Zuid. En vice versa. Heerlijk.

Collega Esther heeft het over Friesland. Ze komt er vandaan en kan, wanneer ze het wilt, ook Frysk praten. Ik zeg dat ik het alleen kan verstaan (in grote delen, dan) en vertel dat mijn familie ook uit Friesland komt. Grappig detail is dat zij dus oorspronkelijk uit Sneek komt. Nou, vrolijkheid alom en andere collega’s kijken een beetje curieus naar ons beiden. Wanneer ze me vertelt dat ze eigenlijk uit een klein gehucht vlakbij Sneek komt, herken ik de naam van het dorp en zeg: ‘Daar heb ik óók familie wonen.’ Het is zo dat mijn neef Tjeerd daar al jaren woont. Collega Esther vraagt me wie mijn familie is, want het dorp is niet groot. Ze moet mijn familie wel kennen. Wanneer ik de naam van mijn neef noem worden haar ogen als schoteltjes zo groot en zegt ze: ‘Dat is mijn vader!’

Achteraf herkende ik mijn achternicht Esther ook wel. Enigszins. Ik heb haar eerder op foto’s gezien op het facebookaccount van haar moeder, maar op het werk leg je die link niet zo snel. Daarbij is het contact met mijn familie in Friesland sinds de jaren 80 van de vorige eeuw niet meer zo regelmatig. Tegenwoordig zijn er niet meer zo veel bruiloften (of begrafenissen), waar je de familieleden nog tegenkomt. Maar wie weet? Wellicht komt daar nu verandering in.

Goede Buren

De buurman stond donderdagavond aan de deur. Dat weet ik, omdat hij later nog ter sprake kwam. Zelf was ik er niet bij. Ik lag in bad. Dat gebeurt niet vaak meer, baden. Het is een bezigheid uit een ander tijdperk, toen men nog niet voortdurend bereikbaar hoefde te zijn voor mensen die men nauwelijks kent.

In bad ben je alleen. Dat is tegenwoordig een luxe. Geen radio, geen televisie, geen telefoon. Alleen water dat langzaam stijgt en de geur van lavendel, die altijd iets belooft wat hij nooit helemaal waarmaakt. Terwijl het bad volloopt, maak ik steevast dezelfde afweging: neem ik een boek mee of vertrouw ik erop dat mijn gedachten zich rustig zullen gedragen. Ze doen dat zelden. Donderdagavond nam ik daarom een boek. Het eerste deel van Harry Potter. Vluchten moet je goed doen, vind ik.

Beneden deed Edo open. De buurman van een paar huizen verderop stond daar met een pak kattenvoer in zijn handen.

‘Is je kat dood?’ vroeg Edo.

Het was geen vraag waar veel ruimte in zat, maar dat bleek ook niet nodig. De buurman knikte. Ja, de kat was dood. Op. Het diertje had zijn best gedaan, maar het was genoeg geweest.

Het was een Siamees, zo’n kat die altijd klinkt alsof hij bezwaar maakt tegen de wereld. Hij kwam vaak in onze achtertuin, liep daar rond met een zekere vanzelfsprekendheid en liet zich horen. Niet subtiel. Wanneer ik hem per ongeluk te dicht naderde, klonk het alsof het precies twaalf uur was, op de eerste maandag van de maand. Je stond er altijd even van te kijken, zelfs als je het verwachtte.

Het was deze week al de tweede buur die zich aan de voordeur meldde. Een paar dagen eerder belde de Chinese buurvrouw van nummer 57 aan. Dit keer zat Edo in bad en ik op de bank, met Netflix aan, half aanwezig. De deurbel ging. Hard, zoals altijd. Zo hard dat je zelfs schrikt wanneer je zelf aanbelt. Mopperend liep ik naar de deur. Wie belt er ’s avonds nog aan, dacht ik, zonder echt een antwoord te verwachten.

Ik deed open en zag niemand. Pas toen ik naar beneden keek, zag ik haar. Ze glimlachte. Dat doet ze altijd.

‘Goedenavond, buurman,’ zei ze. ‘Ik heb boontjes. Wilt u dat hebben?’

In beide handen hield ze een portie sperziebonen omhoog, alsof ze iets kostbaars overdroeg.

Mij is ooit geleerd dat je een gegeven paard niet in de mond kijkt en dat je beter eerst ja kunt zeggen. Wie te vaak nee zegt, staat op een dag met lege handen. Dus ik zei ja. De boontjes kwamen uit haar voortuin. Dat wist ik. Alles wat daar groeit, is automatisch biologisch, al heeft het daar zelf geen weet van.

Na een kort praatje ging ik weer naar binnen, met de bonen. De volgende dag aten we ze. Dat leek logisch. Ze smaakten goed.

Zo had deze week zijn eigen kleine gebeurtenissen. Een kat die ophield met klagen. Een buurvrouw met boontjes. Een bad waarin ik lag, terwijl beneden het leven gewoon aanbeldde. Het zijn geen grote dingen. Maar soms zijn het precies de kleine dingen die even blijven hangen.

De Pisang

Afgelopen weekend was het Amsterdam Pride. Voorheen Gay Pride. Dit, volgens mij, omdat thans iedereen beledigd lijkt te zijn wanneer men denkt buitengesloten, of juist meegenomen wordt in een uitspraak, benoeming of mededeling. Vermoeiend. Het kan natuurlijk ook zijn dat de organisatie een breder publiek voor zich wil trekken. Ik vind het prima. Dit jaar was ik er niet bij. Volgend jaar wel. Mijn afwezigheid vergoelijkte ik met het slappe excuus dat ik dit jaar in april bij de demonstratie tegen de erbarmelijke toestanden in Tsjetsjenië aanwezig was. Smoesjes.

    Een smoes. Onwaar. Het draaien om een feit. Zo hield ik me vroeger voor dat homoseksualiteit niets voor mij was. Jawel. Ik was er 100% van overtuigd dat het een fase van mij was. Vooral na een bezoek aan een COC-avondje in Den Helder. Ik voelde mij daar totaal niet op mijn plaats. Als nieuweling kreeg ik naar mijn mening iets te veel aandacht en anderen gaven mij hierdoor een onwelkom gevoel. Ik vond deze avond vooral truttig. Het kan ermee te maken hebben dat het gezellig samenzijn in een basisschool werd gehouden, waardoor de avond veel van een klassenavond weg had. Mijn verwachtingen waren destijds niet reëel, denk ik.

    Van die avond kan ik me wel een oudere man herinneren. Een man die toen misschien wel jonger was dan ik nu ben. Hij hield een dialoog met zichzelf. Hij zat er niet alleen in hoekje, hij was het middelpunt tussen andere verzamelde jonge gasten. Hij hield een betoog waarbij een weerwoord niet wenselijk was. Hij hanteerde de bananen-theorie. Op afstand, tussen 2 nieuwe homovrienden in, heb ik deze theorie aangehoord. Zijn hypothese was dat mannen zijn te vergelijken met bananen. Wanneer bananen onrijp zijn, zijn ze groen en niet smakelijk. Flauw, zonder enig genot. Het enige voordeel, zo beweerde hij, was dat groene bananen zeer stevig waren.

    Volgens de man en zijn theorie waren de rijpe bananen wel smakelijk. Deze exemplaren waren niet te hard, niet te zacht en vooral zoet van smaak. Het was me duidelijk dat hij een avondje in bed met hem aan de groene banaantjes aan het verkopen was. Ik, als jonge twintiger was overtuigd dat deze man meer iets van een overrijpe banaan had: Papperig, vlekkerig en onwelriekend. De sfeer was bepaald en nadat de hit Daar Gaat Ze die avond voor een 4e keer werd afgespeeld, ben ik vertrokken. Teleurgesteld reed ik op mijn fiets naar huis. Lichtelijk onzeker, ondanks ik allang wist hoe ik in elkaar zat. Ik was gewoon niet eerlijk naar mezelf. Ongeacht het zwaar ontkennen was ik gewoon de pisang.

Kersensmaak

‘Weet je wat ik écht lekker vind?’ hoorde ik in de trein een meisje tegen een jongen zeggen. Zonder te wachten gaf ze zelf het antwoord al. ‘Alles met kersensmaak. Thee, snoep, cola. Alles.’
‘Kersensmaak! Werkelijk?’ reageerde de jongen met wie ze op reis was.
‘Ja, kersensmaak heerlijk. Ik vind kersensmaak eigenlijk nog lekkerder dan kersen zelf.’
‘Nou, ik moet je iets bekennen,’ de jongen klonk enthousiast. ‘Ik ben ook dol op kersensmaak. En wat je zegt, de kunstmatige kersensmaak ik echt veel lekkerder dan de kersen zelf.’
‘Ja, echt? Hoe grappig is dit?’
‘Kapót grappig,’ zuchtte de jongen.
Ze keken elkaar tevreden, breedlachend, aan, en daar bleef het een beetje bij. Beiden vonden kersensmaak lekker. Ze hadden hierdoor een verbintenis.
Het meisje zette haar rugtas op haar schoot en graaide er met een arm doorheen. Ze haalde een zak met winegums tevoorschijn.
‘Wil je ook?’ vroeg ze en keek hem daarbij heel doordringend aan.
‘Is het kersensmaak?’ vroeg de jongen.
‘Nee, het zijn gewone winegums.’
‘Nah, dan hoef ik niet.’
‘Er zijn geen winegums met kersensmaak, denk ik.’
‘Het zou kunnen,’ zei de jongen terug. Het was op een manier dat weet dat hij zijn schouders erbij ophaalde.
Even was het stil in de trein.
‘Toch wel grappig dat we beiden dol op kersensmaak zijn,’ zei ze hoopvol.
‘Inderdaad.’
‘Heb je meer dingen waar je dol op bent?’
‘Wat betreft smaak?’
‘Ja.’
‘Nee, niet echt.’
‘Ik ben verder dol op kauwgum met watermeloensmaak.’
‘Oh, dat lijkt me echt goor,’ zei de jongen ongeïnteresseerd.
‘Och, valt wel mee hoor,’ verdedigde het meisje. Ze wilde nog iets zeggen, maar ze hield haar mond.
Het was weer stil in de trein.
Ik was benieuwd naar de relatie van deze liefhebbers van de kersensmaak. Waren ze studiegenoten? Collega’s van het werk? Buren? Of was hij de trainer van het hockeyteam waar zij iedere week ging hockeyen? Ik vond haar wel het type meisje dat met een hockeystick over het veld rende, maaiend naar een bal. Misschien zaten ze nog in het prille begin van een relatie. Verkering. Wanneer de verliefden nog overeenkomsten moeten ontdekken. Wel, kersensmaak was er een begin van.
‘Grappig hoor,’ zei ze uiteindelijk.
‘Wat?’ vroeg hij.
‘Dat we allebei van kersensmaak houden,’ antwoordde ze.
‘Dat had je al gezegd,’ zei hij lomp.
En het bleef stil in de trein.

Zoete lucht – I

Het is gisteren een week geleden dat ik in de vroege ochtend voor een laatste keer ben gaan hardlopen. Nadien heb ik nog wel hardgelopen, maar niet op een creatieve manier. Ik wilde vorige week op tijd de deur uit, want er was die dag mooi weer voorspeld. Met al hoge temperaturen in de ochtend. Om me zelf niet te veel te kwellen had ik me voorgenomen om voor negen uur te vertrekken. Dan was ik na anderhalf uur weer thuis en hoefde ik ook niet moeilijk te doen met flesjes water voor onderweg. Rond kwart voor negen trok ik de deur achter me dicht om een rondje van 12 kilometer om de Noorderplassen, ten noorden van Almere-Stad, te lopen.

Na een kwartier wist mijn hardloop-app te melden dat ik 3 kilometer achter me had gelaten, en rende ik de woonwijk uit. Ik ging in een lekker tempo via de Von Draisweg richting de Trekvogelweg. Deze weg is ingesloten tussen water, met aan de westzijde de Noorderplassen en aan de oostelijke kant de Hoge Vaart. Een kudde van ongeveer 30 schapen stonden aan de zijkant achter schrikdraad te grazen. Een paar wollen exemplaren keken even op, maar waren niet onder de indruk. In de verte liep een andere hardloper me tegemoet en na een paar minuten bij het passeren begroetten we elkaar, als motorrijders. Met een opgestoken hand.

Met een glimlach op mijn gezicht liep ik richting het noorden, met muziek van Armin van Buuren in mijn oordopjes. Op deze muziek kon ik met gemak een halve marathon lopen, maar dat stond niet in de planning, want daar had ik deze ochtend geen tijd voor. Op een gegeven moment werd ik in mijn trance gestoord door een enorme knal. Ik voelde de druk van een enorme explosie door mijn hele lijf. Ik bleef verschrikt stilstaan. Min oren piepten aanhouden. Ik keek om me heen wat de oorzaak van deze knal moest zijn geweest. Voor mij leek het alsof er ergens een gebouw op een nabijgelegen industrieterrein was ontploft.

Vanachter de drie appartementenflats bij restaurant ‘The Boathouse‘, ten westen van mij zag ik een enorme hoge grote rookpluim ontstaan. Er moest iets ten hoogte van Amsterdam zijn gebeurd, tenminste dat dacht ik. Helaas ben ik niet zo goed in het inschatten van afstanden en mijn gevoel voor topografie is ook niet om naar huis te schrijven. Wel kleurde de lucht boven, waarvan ik dacht dat het Amsterdam was, een vreemde lila en oranje kleur. De hemel leek kunstmatig door een computers te zijn ingekleurd. De gekleurde lucht breidde zich uit, ook richting Almere. Als er een zoet gekleurde deken over ons heen trok.

Mijn lichaam herstelde zich enigszins van de enorme knal en ik besloot weer verder te rennen. Het klinkt nu idioot dat je na zo een grote knal gewoon doorgaat met het leven, maar het is net als bij iedere andere grote explosie of ramp. De impact komt later pas. Wanneer je de verhalen hoort en de beelden op televisie ziet. Daarbij ben ik net zo egoïstisch als ieder ander mens. Je gaat door met de persoonlijke dagelijkse dingen en hardlopen was wat ik op dat moment deed.

Ik rende verder, voorbij de trailerhelling en over de Schateilandbrug. De Trekvogelweg heet na die brug het Trekvogelpad. De reden hiervoor is me onbekend, maar het heeft vast iets te maken met die beroerde bestrating daar. Mijn hardloop-app gaf me door dat ik weer een kilometer verder was. Dat mijn gemiddelde snelheid iets van 5.45 minuten per kilometer was. Niet verwonderlijk, de laatste kilometer had ik stilgestaan. Een groepje jongens speelden bij een aanlegsteiger in het water. Ze riepen iets naar mij, maar Armin van Buuren overstemde het geschreeuw van deze jongens en het had zo kunnen zijn dat ze gewoon schreeuwden bij het spelen. Ik had ook geen zin om naar een paar kids te luisteren. Ik rende in mijn eigen tempo door. Hierdoor zag ik niet dat ze in paniek naar de lucht wezen.

Wordt binnenkort vervolgd..

Boos

Het is nu een paar maanden geleden dat ik met de metro in de omgeving van Rotterdam onderweg ben. Die middag schijnt de zon fel. Alsof die oude ster zich even wilt laten gelden, en dat lukt prima. Dat blijkt wanneer de drie gekoppelde rijtuigen op rij na het metrostation Kralingse Zoom weer bovengronds rijden. Met de zonnebril op mijn gezicht zit ik stilletjes te genieten van de warmte die de zon ons brengt. Bij een volgende station loopt er een scholiere van het type lomp en onbehouwen de metro in. Ik beweer niet breedgeschouderd te zijn, maar toch weet dit lompe wicht mij met een stoot tegen mijn schouders te passeren. Ik denk eerst: een overvolle schooltas. Zo’n hippe rugtas waar de gehele collectie van een kleine dorpsbibliotheek in past. Maar nee, het schoolgaand meisje blijkt heel gewoon enorm corpulent te zijn.

Ze neemt plaats, op enige meters afstand, schuin tegenover mij. Boos kijkt ze de metro in. Het kan niet anders dat haar ouders bang zijn wanneer ze met zo’n gezicht thuiskomt. Vanachter mijn donkere brillenglazen bekijk ik het monsterachtige mensenexemplaar. Hierop ervaar ik een gevoel van afkeer. De vormloze, paarse broek van versleten joggingstof moet maandenlang alleen maar over haar kont en een stoel hebben gehangen. Haar afgedragen sweater ziet er niet beter uit. Het blauw-wit gestreepte exemplaar lijkt uit een hondenmand te zijn geplukt, en het valt spontaan in gaten uit elkaar. Even denk ik dat ze me doorheeft. Dat ik haar observeer. Maar de ontevreden en chagrijnig blik in de ogen kijkt naar haar mobiel. Snel gaan de dikke vingers over het beeldschermpje. Ze houdt de telefoon tegen haar oor, om na een moment met blèrende stem de stilte in het rijtuig te verdrijven.

‘Ik ben boos! Ik ben zó boos!’ Ze luistert heel even of ze een respons krijgt. ‘Op de klas,’ balkt ze in haar mobiel. ‘Echt mega-boos!’
Een oudere vrouw die achter de scholier zit, herbeleeft vol afschuw de Tweede Wereldoorlog. Het was ruim 70 jaar geleden dat ze voor het laatst het luchtalarm in Rotterdam heeft gehoord.
‘Ik was de enige van de klas die stond te wachten bij gymles!’ loeit ze. ‘De hele klas zit in een groepschat en iedereen was op de hoogte van dat de gymles uitviel. En wie stond er als enige voor niks te wachten? Juist ja, ik! Ik ben er helemaal klaar mee,’ schreeuwt ze naar iedereen die het kan horen, en dat zijn alle inzittenden in het rijtuig.

In het fel aanwezig zijn verliest de zon het van de Rotterdamse Bessie Turf en schuilt beschaamd achter een breed wolkendek. In de metro wordt het donker. Toch houd ik mijn zonnebril op. Ik kan me ogen niet van de grote bek en haar zwaarlijvige verschijning houden. Ook iets afschuwelijks fascineert de mens blijkbaar. Het gesprek gaat door. Over dat een klasgenoot haar naar het metrostation heeft gebracht. Teleurgesteld geeft ze toe dat dit wel een aardig gebaar is. Dit laat de boosheid echter niet verdwijnen. Het aanhoudend geklaag verkrijgt een ritme. Een vervelend ritme. De verlossende omroepstem uit de speakers deelt mee dat ik mijn eindbestemming heb bereikt. Ik krijg de opdracht aan de rechterkant uit te stappen. Wanneer ik op het perron sta zoek ik de uitgang en volg ik meegaand de andere reizigers naar de uitgang, de trappen af. Wanneer ik me bij de poortjes uitcheck en naar buiten loop, gaat de zon weer schijnen. Heel scherp.

Afstand

Brian Braat is een alleenstaande man. Hij is zeer tevreden met zijn leven maar hij heeft een hekel aan boodschappen doen. Hij vindt het een noodzakelijk kwaad en ondanks alle moderne mogelijkheden vertikt hij het om zijn boodschappen thuis te laten bezorgen. Het is niet dat hij niet weet dat je de boodschappen tegenwoordig tot in de keuken laten bezorgen, maar hij wil er af en toe ook eens uit. Noem het raar of vreemd, maar Brian is gelukkig als hij kan mopperen. Hij wil kunnen mokken dat hij op de fiets door de regen moet voor nieuw toiletpapier, wijn en andere noodzakelijke dingen. Ieder zijn ding.

Zo ook vandaag. Brian loopt binnensmonds mooperend door een voor hem vreemde supermarkt. Dankzij een verbouwing in zijn eigen buurtsuper wordt hij nu verplicht de boodschappen in een andere woonwijk te doen. Hij is niet autistisch, maar Brian is wel van slag omdat hij nu naar de koffiefilters of wijn moet zoeken. Nadat hij alles van de boodschappenlijst te hebben gevonden en in het mandje te hebben verzameld, loopt hij tevreden richting de kassa’s en sluit aan bij de kortste rij. Hij is verrast. Niet om wat er op de band aan boodschappen staat, maar om de jonge jongen achter de kassa. Hij kent hem en niet alleen van gezicht.

Deze jongen kent hij van Grindr. De dating-app voor homoseksuelen. Brian herkent hem aan de lichtblauwe ogen en verder nog iets. Zoals zijn nickname op de app. Just4U. Een paar dagen geleden nog hadden ze elkaar gesproken via de app. Het was een leuk gesprek. De andere jongen was een beetje kinderlijk, maar dat kan soms ook leuk zijn. Ze hadden leuk gechat en vlak voordat ze het gesprek beëindigden stuurde Just4U plagend een foto. Hierop stond hij bloot, waarbij alleen de billen bleek in beeld waren. Het zag er goed uit, maar verder niet heel bijzonder. Een tenger lichaam van een net twintigjarige.

Wanneer Brian de boodschappen op de band zet, wordt hij herkend. Hij wilt de jongen niet in verlegenheid brengen en doet zich voor als doorsnee klant. Wanneer Just4U Brian’s boodschappen langs de scanner haalt, groet hij verlegen. Brian groet vriendelijk terug en doet alsof foto nooit is ontvangen. Nadat alle boodschappen zijn afgerekend wenst de jongen hem met een rood gezicht een fijne dag toe. Brian knikt en wenst hem hetzelfde. Glimlachend doet hij de boodschappen in zijn tas.

Buiten loopt Brian naar zijn fiets en hangt de boodschappentas aan het stuur. Wanneer hij op de fiets stapt ziet hij Just4U om de hoek de supermarkt uitlopen. Hij staat tegen een muur en steekt een sigaret op. Hij inhaleert de rook. Na een paar seconden blaast hij de rook weer uit. Wanneer Brian wegfiets steekt de jongen zijn hand op en Brian zwaait terug. Just4U lacht breeduit. Op de fiets, onderweg naar huis beseft Brian dat die jongere jongens alleen nog maar op afstand kunnen communiceren.

Aanwezig

Roos van der Park zit klaar voor een training Communicatie en Nieuwe Media. Ze heeft veel zin in de training. Zeker in haar functie als medewerkster Human Resources, de vroegere personeelsadministratie. Zo werd de afdeling genoemd toen ze jaren geleden als jonge blom in dienst kwam. Samen met Frits Luit, haar leidinggevende, mag ze de training vanmiddag volgen. De locatie is op het werk, in het kantoortje waar altijd de wekelijkse vergaderingen van de verschillende afdelingen worden gehouden. Roos is deze middag vooral benieuwd naar de mogelijkheden die de sociale media kunnen bieden. Het maken van nieuwsbrieven heeft ze altijd leuk gevonden, maar met een tweet via Twitter of een foto via Instagram bereik je veel meer mensen. Eerlijk gezegd heeft ze niet zoveel verstand van de nieuwe communicatiemiddelen.

Ze heeft altijd gedacht dat het een ding was waar alleen jongeren zich mee bezighouden, maar dat blijkt niet zo te zijn. Wilma Schathaard, die de training geeft, weet de beide cursisten te vertellen dat het verschil in percentages tussen jongeren en ouderen steeds kleiner wordt. Wel zijn er verschillen in de verschillende media die gebruikt wordt. Ouderen zitten meer op Facebook, terwijl jongeren meer kiezen voor snelle apps als Instagram of Snapchat. Roos neemt zich voor om thuis uit te zoeken wat het allemaal kan. Het is haar nog onduidelijk. Wat is godsnaam een snapchat? Ik snap snapchat niet, denkt ze. Ze moet grinniken. Fluisterend zegt ze tegen Frits: ‘Als je snapchat niet snapt valt er niets te chatten, snap je?’ Haar leidinggevende reageert met een flauwe glimlach. De standaard reactie wanneer hij geconcentreerd bezig is.

Enigszins teleurgesteld dat haar grap niet aanslaat kijkt ze door het raam naar buiten. In de helblauwe lucht schiet in de verte een vliegtuig voorbij. Het toestel brengt de inzittenden naar andere oorden. En niet alleen dat. Het brengt ook anderen naar verder gelegen plekken. In gedachten is Roos al in Griekenland. Het eiland Kreta is haar vakantiebestemming over 4 weken. Zo is ze al voorzichtig begonnen met het aankopen van vakantiebenodigdheden. Zonnebrandcrème met een niet te hoge factor, want ze wil wel een bruin kleurtje op de huid als souvenir mee naar huis, en een nieuw badpak is al online besteld. De koffer staat al een paar dagen geopend op het logeerbed. Zo gooit ze af en toe in het voorbijgaan, dingen als teenslippers in de koffer. De dingen die echt niet vergeten mogen worden.

Ze geniet al van de momenten dat ze relaxt met een spannend boek op een strandbedje ligt en een cocktail binnen handbereik. Met een glimlach ziet ze de mooie mannen met ontbloot bovenlijf voorbij wandelen, terwijl haar eigen Henk met duikbril en snorkel op het hoofd verderop in zee de zeebodem afzoekt. Ze wuift de mannen na, en ze denkt aan de terrasjes die ze gaan bezoeken. Wandelen over de markten in de dorpjes ver van de toeristische oorden, om daar de ware cultuur op te snuiven. Dit alles zonder op de tijd te letten. De kunst van het vakantievieren is niet op de klok kijken. Roos schrikt op als Wilma haar een vraag stelt. Vanuit Griekenland is ze weer aanwezig op kantoor. Ze weet niet wat haar zojuist gevraagd werd. ‘Ik ben aan vakantie toe,’ geeft ze verontschuldigend als antwoord. Frits en Wilma kijken elkaar verbijsterd aan.

It Takes Two to Twingo

Sinds anderhalve week hebben we een nieuwe voiture. Een Renault Twingo. Let wel, voor ons is-ie nieuw. Het is een doodgewoon ‘tweedehandsje’. Een mooi geel vehikel dat al jaren lang anderen van A naar B heeft vervoerd, en daar zijn auto’s ook voor. Heen en weer, op en neer. We waren met recht aan vervanging toe, want met de vorige -een zwarte, van hetzelfde automerk, konden we niet meer zonder hulp van de handrem remmen. Niet echt zonder gevaar. Het droge, schriele geluid dat dit voortbracht overstemde elke andere claxon op de weg. Daarbij vertoonde de vorige rammelkast de laatste maanden steeds meer gebreken.

Voor eigen veiligheid moesten we uiteindelijk uitwijken naar een nieuwe bak. De nieuwe gele ‘bolide’ is zeer luxueus. Helemaal wanneer je ‘m vergelijkt met het zwarte rijtuig van vorig jaar, maar toch zijn we dankbaar voor het oude, zwarte bakkie dat ons bijna 10 maanden heeft rondgereden. De nieuwe gele Twingo heeft de ijdele luxe van een schuifdak, elektrische ramen en stuurbekrachtiging. Wat ons ook een veilig gevoel geeft, is dat dit nieuw karretje airbags heeft. Voor de bestuurder en de bijrijder. We waren al blij wanneer het vorig tweedehandsje genoeg air in de banden had.

De vorige had dit helemaal niet. Door het missen van de stuurbekrachtiging kreeg je wel gespierde onderarmen, maar dat is ook niet prettig wanneer je de auto door vele bochten moet manoeuvreren. Het blijkt maar: pas achteraf geef je toe aan de gebreken die het zwarte vehikel allemaal had. De kofferbak kon niet geopend worden, terwijl de tankklep constant open stond. De muffe lucht in de auto werd met behulp van kunstmatige luchtjes gemaskeerd, en daarnaast moest tijdens het autorijden altijd beide ramen open staan. Ook tijdens de wintermaanden. Wanneer we in koude avonden naar huis reden, hadden we extra sjaals en mutsen mee.

We vonden het ook wel grappig dat er standaard een aantal wintermutsen en extra warme dekens op de achterbank lagen, maar achteraf lach je er pas echt om. Dat komt door de wetenschap dat we deze ‘zwarte-auto-periode’ achter ons hebben mogen laten. De idiote mankementen van het afgelopen jaar vertellen we nu smeuïg. Zelfs de wetenschap dat de kilometerteller van de vorige auto toch minimaal 3 keer is teruggedraaid, is nu, na afloop, alleen nog maar een grappig gegeven. Niet te zwaar aan tillen. We kijken vooruit naar de toekomst, en die is -net als de kleur van onze nieuwe Twingo, zonnig gekleurd.

Hoop

Vanmorgen schrok ik wakker uit een benauwde droom. Geen nachtmerrie, maar aangenaam was de droom niet. Ik was onderweg -zoals altijd in mijn dromen, naar een onbekende bestemming en dit keer zat er een onguur type achter me aan. Door de straten van Den Helder op de vlucht voor die enge vent die met een hakbijl mijn baard wilde afnemen. Eerst bleef ik hem voor, maar aangekomen bij de vuurtoren van Den Helder functioneerden mijn beide benen niet meer. Kruipend probeerde ik boven op de dijk te komen, maar ik werd al snel ingehaald. De engerd hief zijn bijl en net op het moment dat hij mijn onderkaak van baardgroei wilde verschonen, werd ik wakker van mijn eigen schreeuw.

Naast mij in bed hoorde ik een lichte zucht en de beslissende zin: ‘… nou, dan eet je geen sinaasappels.’ mijn echtgenoot droomde, zeer tevreden over deze beslissing, verder.  Maar bij mij sliepen alleen mijn beide benen -vandaar die droom. Ik keek even snel op mijn mobieltje, zag dat het zes uur was en constateerde een droge keel. Dorst. Koolzuurhoudend water, dacht ik. De bubbels lessen mijn dorst het beste. Toen ik weer wat gevoel in de benen terugkreeg, strompelde ik uit bed en verliet sloffende de slaapkamer om af te dalen naar de keuken, een verdieping lager.

In de gang  zaten onze katten naast elkaar. Harpo en Oprah. De nacht heeft voor hen geen betekenis, want ze verdelen de slaap heel schilderachtig uit over de hele dag en vinden het belachelijk dat wij mensen op gezette tijden naar bed gaan. Wanneer wij mensen ‘s-nachts een paar uur slaap pakken, zitten de katten zich klaarwakker te vervelen, waarbij ze zich opstellen als fanatieke festivalgangers, die ongeduldig wachten tot de deuren open gaan. Ze nemen ons die uren van slaap kwalijk, want katten eisen niet alleen voedsel en warmte, maar ook menselijke aandacht. Net als kinderen zijn ze van mening dat je aanwezig behoort te zijn.

De uren van stilte in de nacht zijn de misère van hun kattenleven. Echter zit er een gokelement in, want nooit kunnen de katten met zekerheid denken dat wanneer er een deur opengaat, en in hoeverre de persoon (echtgenoot of ik) daadwerkelijk aan de dag begint. Mij vonden ze, om zes uur in de morgen, een verbijsterende verrassing. Ze sprongen op en begonnen mijn benen zo heftige kopjes te geven, dat ik me aan trapleuning moest vastklampen om niet van de trap te vallen. Beneden stoven ze zenuwachtig voor me uit, de keuken in. Met intense aandacht zagen ze dat ik de fles met bubbelwater aan de mond zette.

Verbaasd over dat ik geen melk in mijn handen had, bleven ze toch aandachtig rondjes om mij heen lopen. Toen ik de fles water op het aanrecht terugzette en terug richting de trap liep, slopen ze achter me aan. Dit was geen gunstig teken, dat ik weer naar boven ging, maar wie weet, bleef ik tóch op…
‘Sorry, poesjes,’ zei ik. ‘Maar ik pak nog even wat slaap.’
Met scheve kopjes zaten ze me aan te kijken.
‘Het is pas zes uur,’ zei ik naar de klok wijzend.
Daar schrokken ze van. Dat beetje hoop dat er nog was verdween met mij toen ik de deur van de slaapkamer achter me sloot.
Het laatste dat ik door de kier van de deur zag, was hoe ze zich op de overloop verveeld uitstrekten -twee ontgoochelde beesten, die nooit het wonderlijke leven van de mens zullen begrijpen.

Vrij bewerkt naar een kronkel van Simon Carmiggelt.