Afstand

Brian Braat is een alleenstaande man. Hij is zeer tevreden met zijn leven maar hij heeft een hekel aan boodschappen doen. Hij vindt het een noodzakelijk kwaad en ondanks alle moderne mogelijkheden vertikt hij het om zijn boodschappen thuis te laten bezorgen. Het is niet dat hij niet weet dat je de boodschappen tegenwoordig tot in de keuken laten bezorgen, maar hij wil er af en toe ook eens uit. Noem het raar of vreemd, maar Brian is gelukkig als hij kan mopperen. Hij wil kunnen mokken dat hij op de fiets door de regen moet voor nieuw toiletpapier, wijn en andere noodzakelijke dingen. Ieder zijn ding.

Zo ook vandaag. Brian loopt binnensmonds mooperend door een voor hem vreemde supermarkt. Dankzij een verbouwing in zijn eigen buurtsuper wordt hij nu verplicht de boodschappen in een andere woonwijk te doen. Hij is niet autistisch, maar Brian is wel van slag omdat hij nu naar de koffiefilters of wijn moet zoeken. Nadat hij alles van de boodschappenlijst te hebben gevonden en in het mandje te hebben verzameld, loopt hij tevreden richting de kassa’s en sluit aan bij de kortste rij. Hij is verrast. Niet om wat er op de band aan boodschappen staat, maar om de jonge jongen achter de kassa. Hij kent hem en niet alleen van gezicht.

Deze jongen kent hij van Grindr. De dating-app voor homoseksuelen. Brian herkent hem aan de lichtblauwe ogen en verder nog iets. Zoals zijn nickname op de app. Just4U. Een paar dagen geleden nog hadden ze elkaar gesproken via de app. Het was een leuk gesprek. De andere jongen was een beetje kinderlijk, maar dat kan soms ook leuk zijn. Ze hadden leuk gechat en vlak voordat ze het gesprek beëindigden stuurde Just4U plagend een foto. Hierop stond hij bloot, waarbij alleen de billen bleek in beeld waren. Het zag er goed uit, maar verder niet heel bijzonder. Een tenger lichaam van een net twintigjarige.

Wanneer Brian de boodschappen op de band zet, wordt hij herkend. Hij wilt de jongen niet in verlegenheid brengen en doet zich voor als doorsnee klant. Wanneer Just4U Brian’s boodschappen langs de scanner haalt, groet hij verlegen. Brian groet vriendelijk terug en doet alsof foto nooit is ontvangen. Nadat alle boodschappen zijn afgerekend wenst de jongen hem met een rood gezicht een fijne dag toe. Brian knikt en wenst hem hetzelfde. Glimlachend doet hij de boodschappen in zijn tas.

Buiten loopt Brian naar zijn fiets en hangt de boodschappentas aan het stuur. Wanneer hij op de fiets stapt ziet hij Just4U om de hoek de supermarkt uitlopen. Hij staat tegen een muur en steekt een sigaret op. Hij inhaleert de rook. Na een paar seconden blaast hij de rook weer uit. Wanneer Brian wegfiets steekt de jongen zijn hand op en Brian zwaait terug. Just4U lacht breeduit. Op de fiets, onderweg naar huis beseft Brian dat die jongere jongens alleen nog maar op afstand kunnen communiceren.

Aanwezig

Roos van der Park zit klaar voor een training Communicatie en Nieuwe Media. Ze heeft veel zin in de training. Zeker in haar functie als medewerkster Human Resources, de vroegere personeelsadministratie. Zo werd de afdeling genoemd toen ze jaren geleden als jonge blom in dienst kwam. Samen met Frits Luit, haar leidinggevende, mag ze de training vanmiddag volgen. De locatie is op het werk, in het kantoortje waar altijd de wekelijkse vergaderingen van de verschillende afdelingen worden gehouden. Roos is deze middag vooral benieuwd naar de mogelijkheden die de sociale media kunnen bieden. Het maken van nieuwsbrieven heeft ze altijd leuk gevonden, maar met een tweet via Twitter of een foto via Instagram bereik je veel meer mensen. Eerlijk gezegd heeft ze niet zoveel verstand van de nieuwe communicatiemiddelen.

Ze heeft altijd gedacht dat het een ding was waar alleen jongeren zich mee bezighouden, maar dat blijkt niet zo te zijn. Wilma Schathaard, die de training geeft, weet de beide cursisten te vertellen dat het verschil in percentages tussen jongeren en ouderen steeds kleiner wordt. Wel zijn er verschillen in de verschillende media die gebruikt wordt. Ouderen zitten meer op Facebook, terwijl jongeren meer kiezen voor snelle apps als Instagram of Snapchat. Roos neemt zich voor om thuis uit te zoeken wat het allemaal kan. Het is haar nog onduidelijk. Wat is godsnaam een snapchat? Ik snap snapchat niet, denkt ze. Ze moet grinniken. Fluisterend zegt ze tegen Frits: ‘Als je snapchat niet snapt valt er niets te chatten, snap je?’ Haar leidinggevende reageert met een flauwe glimlach. De standaard reactie wanneer hij geconcentreerd bezig is.

Enigszins teleurgesteld dat haar grap niet aanslaat kijkt ze door het raam naar buiten. In de helblauwe lucht schiet in de verte een vliegtuig voorbij. Het toestel brengt de inzittenden naar andere oorden. En niet alleen dat. Het brengt ook anderen naar verder gelegen plekken. In gedachten is Roos al in Griekenland. Het eiland Kreta is haar vakantiebestemming over 4 weken. Zo is ze al voorzichtig begonnen met het aankopen van vakantiebenodigdheden. Zonnebrandcrème met een niet te hoge factor, want ze wil wel een bruin kleurtje op de huid als souvenir mee naar huis, en een nieuw badpak is al online besteld. De koffer staat al een paar dagen geopend op het logeerbed. Zo gooit ze af en toe in het voorbijgaan, dingen als teenslippers in de koffer. De dingen die echt niet vergeten mogen worden.

Ze geniet al van de momenten dat ze relaxt met een spannend boek op een strandbedje ligt en een cocktail binnen handbereik. Met een glimlach ziet ze de mooie mannen met ontbloot bovenlijf voorbij wandelen, terwijl haar eigen Henk met duikbril en snorkel op het hoofd verderop in zee de zeebodem afzoekt. Ze wuift de mannen na, en ze denkt aan de terrasjes die ze gaan bezoeken. Wandelen over de markten in de dorpjes ver van de toeristische oorden, om daar de ware cultuur op te snuiven. Dit alles zonder op de tijd te letten. De kunst van het vakantievieren is niet op de klok kijken. Roos schrikt op als Wilma haar een vraag stelt. Vanuit Griekenland is ze weer aanwezig op kantoor. Ze weet niet wat haar zojuist gevraagd werd. ‘Ik ben aan vakantie toe,’ geeft ze verontschuldigend als antwoord. Frits en Wilma kijken elkaar verbijsterd aan.

It Takes Two to Twingo

Sinds anderhalve week hebben we een nieuwe voiture. Een Renault Twingo. Let wel, voor ons is-ie nieuw. Het is een doodgewoon ‘tweedehandsje’. Een mooi geel vehikel dat al jaren lang anderen van A naar B heeft vervoerd, en daar zijn auto’s ook voor. Heen en weer, op en neer. We waren met recht aan vervanging toe, want met de vorige -een zwarte, van hetzelfde automerk, konden we niet meer zonder hulp van de handrem remmen. Niet echt zonder gevaar. Het droge, schriele geluid dat dit voortbracht overstemde elke andere claxon op de weg. Daarbij vertoonde de vorige rammelkast de laatste maanden steeds meer gebreken.

Voor eigen veiligheid moesten we uiteindelijk uitwijken naar een nieuwe bak. De nieuwe gele ‘bolide’ is zeer luxueus. Helemaal wanneer je ‘m vergelijkt met het zwarte rijtuig van vorig jaar, maar toch zijn we dankbaar voor het oude, zwarte bakkie dat ons bijna 10 maanden heeft rondgereden. De nieuwe gele Twingo heeft de ijdele luxe van een schuifdak, elektrische ramen en stuurbekrachtiging. Wat ons ook een veilig gevoel geeft, is dat dit nieuw karretje airbags heeft. Voor de bestuurder en de bijrijder. We waren al blij wanneer het vorig tweedehandsje genoeg air in de banden had.

De vorige had dit helemaal niet. Door het missen van de stuurbekrachtiging kreeg je wel gespierde onderarmen, maar dat is ook niet prettig wanneer je de auto door vele bochten moet manoeuvreren. Het blijkt maar: pas achteraf geef je toe aan de gebreken die het zwarte vehikel allemaal had. De kofferbak kon niet geopend worden, terwijl de tankklep constant open stond. De muffe lucht in de auto werd met behulp van kunstmatige luchtjes gemaskeerd, en daarnaast moest tijdens het autorijden altijd beide ramen open staan. Ook tijdens de wintermaanden. Wanneer we in koude avonden naar huis reden, hadden we extra sjaals en mutsen mee.

We vonden het ook wel grappig dat er standaard een aantal wintermutsen en extra warme dekens op de achterbank lagen, maar achteraf lach je er pas echt om. Dat komt door de wetenschap dat we deze ‘zwarte-auto-periode’ achter ons hebben mogen laten. De idiote mankementen van het afgelopen jaar vertellen we nu smeuïg. Zelfs de wetenschap dat de kilometerteller van de vorige auto toch minimaal 3 keer is teruggedraaid, is nu, na afloop, alleen nog maar een grappig gegeven. Niet te zwaar aan tillen. We kijken vooruit naar de toekomst, en die is -net als de kleur van onze nieuwe Twingo, zonnig gekleurd.

Hoop

Vanmorgen schrok ik wakker uit een benauwde droom. Geen nachtmerrie, maar aangenaam was de droom niet. Ik was onderweg -zoals altijd in mijn dromen, naar een onbekende bestemming en dit keer zat er een onguur type achter me aan. Door de straten van Den Helder op de vlucht voor die enge vent die met een hakbijl mijn baard wilde afnemen. Eerst bleef ik hem voor, maar aangekomen bij de vuurtoren van Den Helder functioneerden mijn beide benen niet meer. Kruipend probeerde ik boven op de dijk te komen, maar ik werd al snel ingehaald. De engerd hief zijn bijl en net op het moment dat hij mijn onderkaak van baardgroei wilde verschonen, werd ik wakker van mijn eigen schreeuw.

Naast mij in bed hoorde ik een lichte zucht en de beslissende zin: ‘… nou, dan eet je geen sinaasappels.’ mijn echtgenoot droomde, zeer tevreden over deze beslissing, verder.  Maar bij mij sliepen alleen mijn beide benen -vandaar die droom. Ik keek even snel op mijn mobieltje, zag dat het zes uur was en constateerde een droge keel. Dorst. Koolzuurhoudend water, dacht ik. De bubbels lessen mijn dorst het beste. Toen ik weer wat gevoel in de benen terugkreeg, strompelde ik uit bed en verliet sloffende de slaapkamer om af te dalen naar de keuken, een verdieping lager.

In de gang  zaten onze katten naast elkaar. Harpo en Oprah. De nacht heeft voor hen geen betekenis, want ze verdelen de slaap heel schilderachtig uit over de hele dag en vinden het belachelijk dat wij mensen op gezette tijden naar bed gaan. Wanneer wij mensen ‘s-nachts een paar uur slaap pakken, zitten de katten zich klaarwakker te vervelen, waarbij ze zich opstellen als fanatieke festivalgangers, die ongeduldig wachten tot de deuren open gaan. Ze nemen ons die uren van slaap kwalijk, want katten eisen niet alleen voedsel en warmte, maar ook menselijke aandacht. Net als kinderen zijn ze van mening dat je aanwezig behoort te zijn.

De uren van stilte in de nacht zijn de misère van hun kattenleven. Echter zit er een gokelement in, want nooit kunnen de katten met zekerheid denken dat wanneer er een deur opengaat, en in hoeverre de persoon (echtgenoot of ik) daadwerkelijk aan de dag begint. Mij vonden ze, om zes uur in de morgen, een verbijsterende verrassing. Ze sprongen op en begonnen mijn benen zo heftige kopjes te geven, dat ik me aan trapleuning moest vastklampen om niet van de trap te vallen. Beneden stoven ze zenuwachtig voor me uit, de keuken in. Met intense aandacht zagen ze dat ik de fles met bubbelwater aan de mond zette.

Verbaasd over dat ik geen melk in mijn handen had, bleven ze toch aandachtig rondjes om mij heen lopen. Toen ik de fles water op het aanrecht terugzette en terug richting de trap liep, slopen ze achter me aan. Dit was geen gunstig teken, dat ik weer naar boven ging, maar wie weet, bleef ik tóch op…
‘Sorry, poesjes,’ zei ik. ‘Maar ik pak nog even wat slaap.’
Met scheve kopjes zaten ze me aan te kijken.
‘Het is pas zes uur,’ zei ik naar de klok wijzend.
Daar schrokken ze van. Dat beetje hoop dat er nog was verdween met mij toen ik de deur van de slaapkamer achter me sloot.
Het laatste dat ik door de kier van de deur zag, was hoe ze zich op de overloop verveeld uitstrekten -twee ontgoochelde beesten, die nooit het wonderlijke leven van de mens zullen begrijpen.

Vrij bewerkt naar een kronkel van Simon Carmiggelt.

De Dame in het Groen

Het is dinsdagmiddag en vandaag zie ik haar weer. De dame in het groen. Ik denk dat dit de derde keer is dat ik haar in de metro richting station Amsterdam-Zuid zie. De vorige keer was een paar maanden geleden. De dame is totaal niet aantrekkelijk. Eerder monsterlijk. Ze heeft een vale huid met ongezonde vlekken en het hoofd met een bos haar tot op haar schouders. Het is een dikke pluizige bos met een ongekamde pony, welke rust op haar voorhoofd. Toch raak ik gefascineerd. Het is de treurige, starend blik in haar ogen. Ze kijkt constant leeg naar buiten. De dame doet me aandoenlijk aan. Afschuw  maakt plaats voor medelijden. Ik kijk naar haar grauwe gezicht en vraag me af wat een mens moet meemaken om op zo’n manier de wereld in te staren.

De dame in groen lijkt zichzelf onzichtbaar te maken voor anderen. Ze straalt geen vrolijkheid uit. Ze straalt helemaal niet. Dit schijnt te werken, want niemand valt haar op. Haar outfit, waarin ik haar na 3 keer kan uittekenen, helpt daar prima bij. Ze draagt een olijfgroen jasje. Ook het afwijkend gekleurde knoopje op haar jas valt de anderen niet op. Het knoopje steekt met een kinderlijke appelgroene kleur af tegen de andere olijfkleurige knoopjes op een rij. Waarschijnlijk heeft ze geen reserveknoop kunnen vinden en heeft uiteindelijk dit gifgroene exemplaar op haar jas genaaid. Het lijkt haar allemaal niets te schelen. De anderen om haar heen al evenmin.

Ik probeer te bedenken wat de reden van deze troosteloze, maar intrigerende blik in haar ogen is. Is ze als kind gepest? Mishandeld? Je hoort tegenwoordig zoveel nare dingen die mensen overkomen. Een verhaal als die van de Oostenrijkse Natascha Kampusch, die 8 jaar lang door Wolfgang Přiklopil werd vastgehouden. Of de geschiedenis van Elisabeth Fritzl, ook uit Oostenrijk, die 24 jaar lang in de kelder van haar ouderlijk huis gevangen werd gehouden, en zeven keer zwanger was van haar eigen vader. Dit zijn afschuwelijke berichten die naar buiten komen. Het kan niet anders dat vandaag de dag kinderen, en ook volwassenen, die gevangen worden gehouden door monsters. Vreemden. Bekenden.

De metro neemt in vaart af. De lange rij wagons stopt bij metrostation Amstelveenseweg. De dame in groen blijft zitten. Dat wist ik al. De volgende halte is haar eindpunt. Dat was ook de vorige keer, en de keer daarvoor. Na een korte rit van enkele minuten stap ik samen met haar en tientalle andere reizigers uit op Amsterdam-Zuid. Een kort moment wil ik haar achtervolgen. De trap af en dan zien waar ze naartoe gaat. Om te weten of ze door iemand wordt opgehaald of dat ze alleen woont. Wanneer ze onderaan de trap rechts afslaat, besluit ik toch de andere kant op te lopen. Haar nalopen is een slecht idee. Ik krijg er nare beelden van. Creepy! Misschien is ze het type mens zonder diepgang. Die mensen zijn er ook.

Sandaaltjes

De mevrouw in een zomerse jurk, met de zonnebril op het opgestoken zwarte haar en sandaaltjes aan haar voeten, heeft haast op het station Almere Centrum. Het geklepper van haar schoeisel klinken luid over het perron. De aanhoudende warmte van de dag zorgt ervoor dat sommige reizigers zwaar geïrriteerd naar de zomers geklede dame op haar herrie makende sandaaltjes. Ze heeft het niet door. Met verbeten gezicht en snelle stappen loopt ze richting de trap om naar de hal van het station af te dalen. Ik vergeet altijd dat er reizigers zijn die verder moeten dan mijn eigen eindbestemming. Voor hen wacht een bus zonder geduld onder het station.

De mevrouw met de klepperende sandaaltjes loopt van de trappen en de akoestiek van deze nauwe doorgang maakt het geklepper als oorverdovend. Terwijl ik samen met de vrouw en tientalle anderen via de trap naar stationshal loop, ben ik door dat geklepper even in gedachten terug in de jaren 70 van de vorige eeuw. In de zomers dat iedere jonge moeder kleppers aan haar voeten had. Huishoudens werden gerund op van die houten slippers met een hakje en een voorgevormd orthopedisch voetbed. Vaak nog afgewerkt met een brede leren band en een grote gesp. Toen waren ze nog merkloos.

Zo liepen ze en fietsten alle jonge moeders over straat. Het haar om krulspelden gewikkeld, waarbij alle krulspelden verborgen werden onder het hoofddoekje. Sommige moeders maakten het bont. Die droegen een jasschort met een felgekleurde print over de eigen kleding. Alles was veelkleurig, maar ook somber. Het was ook de tijd van de autoloze zondagen. Daar moet de regering vandaag mee komen: een autoloze zondag. De mensen van deze eeuw pikken dat niet. Ze groeperen zich op Facebook en dreigen juist een auto aan te schaffen, om allemaal op alleen die autoloze zondagen rond te rijden. Maar het blijft bij het delen van ongenoegen op Facebook.

Er klinkt een schrille gil en ik ben weer terug in 2017. Waar de mevrouw op sandaaltjes nog net gedreven de trap afliep, vergeet ze nu twee traptreden en komt dramatisch ten val. Mensen reageren verschillend. Een gezette mevrouw in te strakke legging ontwijkt passief de vallende vrouw en een oudere man gilt geschrokken mee. Anderen reageren helemaal niet of anderen giechelen van de zenuwen. Iedereen reageert op een eigen manier. Een jongeman in een te strak t-shirt, of eigenlijk in een veel te strak lichaam, vangt haar op. Beschaamd ligt ze daar in de stevige armen van deze jonge, blonde god.

De zonnebril staat scheef op haar rode hoofd en de jurk is tot haar dijen opgekropen. Het is mij onduidelijke of ze zich opgelaten voelt om de val van de trap, of om in de gespierde armen van haar redder te liggen. De blonde god vraagt vriendelijk, en oprecht bezorgd, of alles goed gaat. Ze zegt oké te zijn. De gespierde adonis lacht opgelucht. De mevrouw ligt nog steeds in zijn armen. Ze zegt een sandaaltje te missen. Deze wordt haar haastig aangereikt door een vrouw met in haar linkeroor een flink rijtje piercings gestoken. Zonder de gespierde man aan te kijken of iets te zeggen loopt ze snel door. Ze heeft haast. Anders mist ze haar bus.

Grapjes

Wanneer ik 50 jaar geleden als meisje ter wereld was gekomen, had ik de naam Jacqueline gekregen. Dat is niet eens zo bijzonder, want een snelle zoekopdracht op de naam Jacqueline met mijn achternaam op het internet leert ons dat er alleen al op LinkedIn een top-10 bestaat van deze naam. Nu ik als jongetje ter wereld ben gekomen, ben ik naar de vader van mijn vader vernoemd. Anders naar de vader van mijn moeder. Mijn grootvader heette Izaak. En deze naam is makkelijk te vertalen naar de meisjesnaam Jacqueline.

De naam Izaak geeft wel weg dat mijn opa half-joods was. Tenminste, zijn vader was joods. Zijn moeder niet. Als kind vond ik dat interessant. Ik achtte mezelf een-achtste joods. Ik leerde als snel dat het iets anders gaat. De bloedlijn kan alleen via de moeder worden doorgegeven. Ik was gebleven wat ik altijd al was geweest: een Nederlandse knul. Met Fries bloed door het lijf. Ik heb vast en zeker met trots de naam Izaak willen dragen, maar ik weet dat als ik daadwerkelijk Izaak had geheten, ik dan liever anders had willen heten. Het is zo menselijk; verlangen naar wat je niet hebt, of dat je niet bent.

Ik kom op dit onderwerp doordat ik vanmorgen in de trein een gesprek van twee jongemannen mocht beluisteren. Beiden droegen aparte brilletjes. Monturen van een paar decennia geleden. Het zal nu wel weer hot zijn. Ze zitten beiden op een theaterschool, denk ik zelf, en ze verzonnen een act over joden in het algemeen. Wellicht waren ze zelf van joodse komaf. Dat hoop ik, want dan is het zelfspot. Anders stinkt het toch lichtelijk naar antisemitisme en racisme is nooit grappig. De grapjes van de mannen waren iets flauw en voor de hand liggend. Grappig was de manier waarop ze het vertelden. Wat ik hieronder doorvertel, kan wellicht op een later moment in de toekomst tijdens een voorstelling bekend voorkomen, maar ik denk niet dat het zal gebeuren. Géén spoiler-alert.

‘Grappen over joden die klagen, kunnen niet meer. Alle grappen zijn er al over gemaakt. Zelfs een grap over de klaagmuur in Jeruzalem is afgezaagd.’
‘Welke grap kan je nog over Anne Frank maken? Het moet iets over de oorlog zijn. Of onderduiken,’ zegt de jongeman met diepe inhammen en bril met ijzeren montuur.
‘Onderduikgrappen zijn niet grappig. Ik heb er altijd zo een onderduikgevoel bij,’ grapt de jongeman met lang donkerbruin haar.
‘Het kan gaan over Anne Frank die koekjes bakt voor de andere onderduikers.’
‘Flauw! Dat gaat over jodenkoeken. Dat is niet grappig. Net als de negerzoen of moorkop.’
‘Moorkop is nog steeds een geaccepteerd woord. Raar eigenlijk. Een negerzoen kan niet. Een moorkop, of een negerhoofd, wel. Lekker een negerhoofd uitlepelen. raar toch gast?’
‘En weer terug naar het Jodendom.’
‘Oh ja. Sorry.’
‘Die Anne Frank was wel een beetje een hooghartig meisje. Ze keek neer op haar klasgenootjes.’
‘Ja?’
‘Ja…’ Het woord komt er met een gespeelde zucht uit. ‘Dat meisje had echt jodenster-allures.’
De ander lacht.
Ik rol met mijn ogen.
Het gegrol gaat door, maar het niveau daalt naar pies-en-poepgrappen. Uiteindelijk zijn ze helemaal niet meer leuk.
Opgelucht merk ik dat de trein het station Amsterdam-Zuid binnenrijdt.
Als ik even opschiet, haal ik mijn metro nog.

Do You Remember?

Na het eten loop ik even snel naar buiten om wat afval in de container, die bij de garagedeur staat, te gooien. We hebben in de gemeente Almere een drietal containers. Eentje voor papier, nog een voor het plastic en dan nog een bak dat men een duobak noemt. De helft van deze container is voor het groente-, fruit- en tuinafval, en de andere helft is voor het restafval. Het afval dat niet onder alle andere categorieën valt. Mocht je in Almere een saai leven hebben, dan kan je -wanneer je het wenst, jezelf toch nog uren vermaken met het scheiden van het huisvuil. Och, de uitdaging!

Nadat ik de container heb gevoerd met het plastic afval van mijn avondeten en een leeg melkpak, staat Harpo de kat achter me te miauwen. Het beestje heeft zijn aandacht nodig, en het is in de loop der jaren een soort van gewoonte geworden dat wanneer ik de hongerige containers heb gevuld, Harpo de kat op een van de gesloten containerdeksels springt. Zo kunnen we op gelijk niveau elkaar de nodige aandacht geven. Ik aai hem over de kop en rug en de kat geeft me dwangneurotische kopjes. De kat vind het leuk, en dan speel je het spelletje mee.

Zo staan we elkaar een beetje aandacht te geven. Met een herhaaldelijk ‘Dat vind je fijn hé?’ probeer ik de bevestiging te krijgen dat ik niet voor niets de kat sta te aaien en met een overtuigende miauw krijg ik mijn antwoord. Na een tijdje worden we het elkaar de aandacht geven een beetje beu. Hoe lang kan je een kat aaien en daarbij heeft Harpo de kat een beperkt aantal kopjes dat hij mij kan geven. Het is als een theeservies: meer dan 16 kopjes zitten er niet in. Harpo springt tevreden van de container en loopt met een vaartje naar het plantsoentje voor ons huis.

Ik loop achter de kat aan, richting voordeur en ik herken dan het geluid van plastic wieltjes van een afvalcontainer, die door iemand wordt meegezeuld. Vanachter het schuurtje van de buren komt een lange, donkere meneer om het hoekje lopen. Aangezien er heel vaak mensen voor en langs ons huis lopen, groet ik en schenk er verder geen aandacht aan. Ik word teruggeroepen. ‘Do you remember me?’ vraagt de man. Nu ik het vette Amerikaanse accent hoor herinner ik hem inderdaad. Het is de buurman van een paar huizen verderop, die ik in jaren niet heb gezien.

Ik word bijgepraat. Hij was de afgelopen 10 jaar in Engeland en is daar ook getrouwd. Dit wordt bevestigd nadat zijn vrouw er aan komt lopen. We begroeten elkaar. Hij heeft zijn huis jaren onderverhuurd en is nu weer terug. Samen met zijn Engelse vrouw. Hij vertelt dat hij benieuwd was naar wie er na al die jaren hier nog woonden, en vindt het leuk mij weer te zien. Nogmaals vraagt hij of ik hem herinner. Ik bevestig dat door middel van het kattenverhaal dat in 2004 mijn eerst geplaatste blogbericht was: ‘You came to our house to tell us that our cat pooped in your garden.’

Hij buldert het uit. Dat is juist wat ook hij zich kan herinneren. Hij is beduidend blij dat ik het kattenverhaal bevestig en heel even heeft hij oogcontact met zijn vrouw, alsof hij hiermee zegt: ‘told you so.’ Ik vertel hem dat hij zich geen zorgen meer hoeft te maken. De kat van toen is nu al jaren dood. Hij lacht, maar laat weten zich niet zomaar blij te laten maken met deze mededeling. ‘I know you have a black cat, now.’ Ik zeg dat dit waar is, maar deze zwarte kat poept in het plantsoentje voor ons huis.

Om te laten zien dat ik niet tegen de buurman sta te liegen komt Harpo de kat demonstratief uit de bosjes van het plantsoentje. Met de staart fier omhoog. Heel rustig wandelt hij verder naar het kattenluik naast de voordeur. De oude c.q. nieuwe buren en ik nemen afscheid met een groet. Als ik de voortuin inloop zit Harpo de kat op het houten bankje voor ons huis. Hij is zich aan het wassen en steekt ongegeneerd een van zijn achterpoten in de lucht. Ik stap naar binnen en wanneer ik de voordeur wil sluiten, rent de kat snel naar binnen.

Mensen!

Midden in de nacht ben ik aanwezig bij een intergalactisch congres. Een bijeenkomst van marsmannetjes en vreemde ruimtewezens uit diverse nevels en verre melkwegstelsels. Ik weet niet precies waar ik me bevind, maar de omgeving doet me duizelen. Het is alsof ik me in een tekening van M.C. Escher bevind. Alle natuurwetten worden gebroken. Ik zie wezens over muren lopen en gedrochten bewegen onder me door, over onmogelijke trappen. Ze negeren me alsof ik niet besta. Ze zien me wel. Ik ervaar een gevoel van afkeer tegen mij. Ik kan deze ervaring niet bevatten en ik denk dat ik langzaamaan krankjorum wordt. Ik voel me eenzaam en doodongelukkig in deze vreemde, immens grote ruimte.

Verloren loop ik een horizontale trap op. Er is geen zwaartekracht. Bovenaan, of eigenlijk helemaal rechts van de trap, kom ik bij een ruimte die enigszins normaal op me overkomt. Binnen, gevormd in grote cirkels zie ik honderden uiteenlopende wezens. Geen enkele komt bekend voor of menselijk over. En toch kan ik volgen waar ze het over hebben. Er wordt gesproken over de planeet Aarde en vooral haar bewoners. Ik begrijp meteen het liefdeloze gevoel dat ik zojuist mocht ervaren. De mens is niet welkom op dit congres. Er is een verbod opgelegd voor alle intergalactische bevolkingen. Waar eerst alleen het zonnestelsel waarin de planeet Aarde zich bevind, een verboden zone is geweest, willen ze het zoneverbod nu uitbreiden naar het hele melkwegstelsel waarin de planeet Aarde zich bevind.

Zo leer ik dat ieder levend wezen in het universum niets met de mens te maken wilt hebben. Tijdens de bijeenkomst worden ik en mijn medemensen neergezet als egoïstische en verwerpelijke wezens. Een besmettelijke ziekte, die gemeden dient te worden. Er wordt gehoond en gelachen om het feit dat aardbewoners het woord menswaardigheid gebruiken om iets als sociaal of vriendelijk te omschrijven. ‘De misplaatste arrogantie!’ hoor ik een kronkelige substantie zeggen. Een donkerblauw organisme, hoger gezeten dan de andere aanwezigen en die ik zelfs met de beste wil van iedere wereld niet kan omschrijven, omdat het met helemaal met niets valt te vergelijken, is aan het woord. Ik begrijp dat het de grondlegger is van het zone-verbod om de planeet Aarde.

Waar ruimtewezens ruim een halve eeuw geleden af en toe eens voorzichtig een kijkje kwamen nemen, zijn de buitenaardsen inmiddels klaar met de Aarde en haar intelligente bewoners. De omgang van de mens onder elkaar wordt als afschuwelijk ervaren. De redenering dat mensen elkaar vermoorden voor een machtsgevoel, is voor hen reden genoeg om aan te nemen dat dit net zo zal zijn met buitenaardse bezoekers van uit de ruimte. De mens worden gezien als de laagste vorm van intelligentie in het universum. Zij creëren gevaarlijke gifstoffen op de eigen planeet en laten deze daar ook tot ontploffing komen. ‘Domme arrogantie!’ roept een vormloos wezen. ‘Ze vervuilen hun eigen planeet en met een idiote vorm van euthanasie, maken ze hiermee het leven op hun eigen planeet onmogelijk.’

Er heerst een gevoel van optimisme in de grote ruimte. ‘Zo lost het probleem zich toch vanzelf op?’ stelt een nevelachtige tegenwoordigheid. Een paar lichtgevende wezens lijken elkaar een high five te geven, maar met tentakels. Het enthousiasme wordt de kop ingedrukt. Er wordt gesproken over de activiteit in de ruimte door de aardbewoners. Het gevaar dat de mens zich verplaatst naar andere planeten dient serieus genomen te worden. Ik heb de behoefte om me te verdedigen. De mens heeft ook nog zoiets als liefde. Maar ik ben bang dat mij meteen de wedervraag wordt gesteld waar die liefde van de mens uit bestaat. En ik weet dat de mens alleen van mensen houden. Vooral van zichzelf. Geen positieve bijdrage voor deze bijeenkomst.

Wanneer er aan het einde van deze intergalactische inbeelding moet worden gestemd over het verruimen van het zone-verbod, betreffende de planeet Aarde, wordt ook om mijn mening gevraagd. Niet dat mijn stem deze nacht zal gelden, maar ik vertegenwoordig tegen wil en dank de mens. Hoe enthousiast ik het contact met buitenaardsen toejuich en hoe goed het me lijkt dat we van andere werelden in het universum leren, denk ik dat de mens nog niet klaar is voor een ontmoeting met aliens. De mens moet eerst hier op zijn eigen planeet de orde op zaken stellen, en met tegenzin geef ik toe aan alle aanwezige schepsels dat het beter is dat de planeet Aarde voorlopig niet wordt bezocht door buitenaardse wezens.

Vrijdagochtend

Het is een paar minuten voor half 8 en de metro waarin ik me bevind stopt op metrostation Henk Sneevlietweg. Ik stap uit de achterste wagon, zodat ik als eerste het station kan verlaten. De pendelbus staat verderop te wachten om de reizigers naar de grote kantoren te verplaatsen. Sinds ik alweer enkele weken mijn fitbit om de pols draag, laat ik me niet zo snel meer rondrijden. Ik loop liever. Mijn licht-autistische trekjes hebben de afgelopen tijd nog steeds de overhand als het gaat om het aantal stappen die ik per dag moet nemen. Enig fanatisme is me niet vreemd en dat terwijl ik altijd dacht niet competitief te zijn. Ha!

Ik loop over het zebrapad naar de zuidelijke kant van de Henk Sneevlietweg. Alleen aan die zijde van de weg is het mogelijk om te wandelen en te fietsen. Ik check even hoe laat het is en ik zie dat ik rustig aan naar mijn werkgever kan wandelen. In een makkelijk tempo loop ik rustig richting de Johan Huizingalaan. Achter me hoor ik gehaaste voetstappen. Iemand achter me heeft duidelijk minder tijd dan ik en haalt me gehaast in. Het is een man met kleine krulletjes. Hij neuriet mee met de muziek in zijn oren. De witte oordoppen steken fraai af tegen zijn donkere huidskleur. In een rap tempo loopt hij op mij vooruit. Ik glimlach. Mensen die neuriën zijn altijd vrolijk.

Sommige mensen kijken niet zo vrolijk. Ik zie er genoeg op de fiets voorbijkomen die deze vrijdagochtend beleven alsof het een maandagochtend na een vakantie van 4 weken is. Niet aan te sporen voor een moment van vrolijkheid. Ik denk: Was dan lekker in je bed blijven liggen. Ondanks de enkele norse gezichten loop ik vrolijk verder. Op 500 meter afstand van het metrostation sla ik linksaf de Johan Huizingalaan in. Het is helemaal geen laan, het is een drukke provinciale weg. Er wordt daar gereden als op een racecircuit waar Max Verstappen zich prima thuis zal voelen. Verderop loopt een man met zijn hond aan de lijn. Beiden hebben lol. De man heeft een leuk gesprek en lacht in zijn mobiele telefoon, en honden zijn altijd vrolijk.

Na nog eens 450 meter te hebben gelopen, sla ik rechtsaf de David Ricardostraat in. Hier is ook het hoofdkantoor van Monsterboard. Al wat ik daar zie zijn twee flipperkasten in een recreatieruimte. Tenminste, dat is mijn aanname over die ruimte. Eén flipperkast heeft het thema Flintstones en de ander van de film Raiders of the Lost Ark. Op de zijkant van de kast staat Indiana Jones stoer, inclusief zweep, te poseren. Hierna steek ik over op het John M. Keynesplein. Het is een uit de kluiten gewassen plantsoen, met veel groen. Deze vrijdagochtend zit een vrouw gehurkt foto’s van klaprozen en andere bloemen te maken. Leuk. Kan ze het delen op Facebook of Instagram. En schuin, daar aan de overkant van het plein in het hoge gebouw verdien ik mijn geld. Nog een dag werken en dan, weekend!

Kunstenaar

Donderdagmiddag. Ik sta met andere reizigers in de warme overvolle metro richting Amsterdam-Zuid. Ik sta wazig naar buiten te staren en zie links vanuit een ooghoek een kleurrijk persoon staan met lange sliertige haren. Wat ooit een rastakapsel was, is door gebrek aan verzorging een vette kluwen haardos geworden. De zonnebril met vrolijk geel monteur maakt het plaatje er toch niet mooier op. Ik voel een onverklaarbare drang om de man in de gaten te houden, en waar ik eerst nog glazig naar buiten keek, kijk ik nu naar de man met bah-haar. Hij draagt een wit overhemd, half dichtgeknoopt en een vale broek die zeker maanden niet in een wasmachine heeft liggen draaien.

De man spreekt zijn medereizigers aan. Sommigen geeft hij een hand en stelt zich aan hen voor, en vertelt over zijn honger. Wanneer hij niet door sommige reizigers genegeerd wordt, kom hij tot de hoofdzaak van zijn doel. Hij spreekt de mensen aan, om -zoals hij het zelf zegt- een paar centjes te verkrijgen. Een vrouw die voor mij staat hoort de man aan en reageert negatief op het verzoek om geld te geven. ‘Ik heb wel een appel voor je,’ zegt ze. De man reageert licht teleurgesteld, maar neemt de appel aan. Anders is zijn verhaal over honger niet meer geloofwaardig. Hij staat nu tegenover mij. Hij steekt zijn rechterhand uit en zeer onbeleefd weiger is deze. ‘Doe je verhaal maar,’ moedig ik hem aan.

Hij vertelt me dat hij een kunstenaar is en dat hij met € 20,00 in de week moet leven. Het verhaal over honger kan hij nu niet nog eens vermelden, dus hij vertelt me over hoe moeilijk en vooral hoe duur het leven is. Na een zeer lange anderhalve minuut komt de doelgerichte vraag: ‘Heeft u misschien wat centjes voor mij?’ Mijn reactie is gelijk aan het antwoord dat ik altijd op bedelaarsvragen geef. ‘Ik heb geen kleingeld, ik heb alleen maar plastic.’ Om deze zin enige oprechtheid mee te geven, kijk ik teleurgesteld en haal ik beide schouders op. Enkele reizigers gniffelen om mijn antwoord.

Gelijk wanneer er wordt omgeroepen dat we over enkele ogenblikken aankomen op metrostation Amstelveenseweg en dat we aan de linkerkant mogen uitstappen, gaat de mobiele telefoon van de kunstenaar over. Hij neemt op en vergeet mij totaal. Daar heb ik vrede mee. Reizigers stappen licht gehaast uit en weer anderen stappen in om mee te reizen. Sommigen deinzen terug door het onverzorgde uiterlijk van de beller. De kunstenaar blijft telefonisch in gesprek waarin achterdocht klinkt over een belofte die hem wordt gedaan. Waarschijnlijk zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. De metro rijdt weer verder en de kunstenaar beëindigd zijn telefoongesprek.

Het blijkt dat ik geen indruk heb gemaakt, want ik word niet meer aangesproken. Hij richt zijn aandacht op een jonge vrouw, maar ook zei weigert net zo onbeleefd als ik om de uitgestoken hand te schudden. Op de vraag of ze misschien wat centjes kan missen, verklaart ze alleen een pinpas bij zich te hebben. Zo origineel was mijn antwoord niet. Schuin naast mij staat een vlotte jonge vent in een strak modern pak, inclusief het hoge water in de pantalon, wat nu hot lijkt te zijn, staat te wachten tot de kunstenaar hem aanspreekt. Dat gaat gebeuren en het strakke pak glimlacht zelfverzekerd. Volgens mij is hij ook degene die als eerste de hand uitsteekt.

Ze stellen zich aan elkaar voor en voordat de kunstenaar zijn verhaal kan doen is het strakke pak hem voor. ‘Dus jij komt hier in de metro mensen lastig vallen om ongevraagd te bedelen voor geld? Denk je niet dat je gewoon een paar jaar geleden een verkeerde opleiding hebt gekozen? In plaats van dat onzekere, zweverige linkse kunstenaarsgedoe, had je beter een degelijke opleiding kunnen kiezen. Dan had je nu wat geld op de bank staan en hoef je de anderen, die al genoeg voor jou betalen, niet lastig te vallen.’ De zinnen komen als een waterval naar buiten. Reizigers kijken gespannen naar het tweetal. Wordt het een conflict?

Wederom weet de omroepstem de sfeer in de metro te breken. Er worden nog aansluitingen met bus en trein genoemd en ook worden we geboden links uit te stappen. Sommige reizigers dringen naar de deuren, want ze willen hun aansluiting niet missen. De kunstenaar kijkt het pak aan, wuift hem met een hand weg en stapt de metro uit. Ik stap ook uit, het perron op. Terwijl ik naar mijn aansluiting op spoor 1 loop, spreekt de kunstenaar alweer een andere man aan. De hand wordt uitgestoken. Hij stelt zich netjes voor, en vertelt de man honger te hebben.

Woorden

Oh, hoe intens ik blij kan worden van taal, en van woorden in het bijzonder. Ik weet niet hoeveel Nederlandse woorden er precies bestaan, maar ik heb eens op het internet gelezen dat het ongeveer 80.000 woorden moeten zijn. Dit is een schatting wanneer je uitgaat van het aantal woorden in de Dikke van Dale. Wanneer je daar nog eens alle werkwoordvervoegingen bij optelt, zit je rond de 60 miljoen woorden. Zo veel woorden en ik kan er geen genoeg van krijgen.

Woordspelingen, ik ben er dol op. Maakt iemand een typefout in een tekst, dan kan ik daar zeer smakelijk om lachen. Helemaal wanneer de context van een zin hierdoor een totaal andere betekenis krijgt. Het zijn niet eens de zware intellectuele vergissingen die mijn lachspieren doen samentrekken. Ik schater het al uit wanneer het woord ‘hier’ als het woord ‘hoer’ in een tekst verschijnt. Ik weet het, er is niet veel intellect nodig om mij te vermaken.

Zo zijn er ook woorden die ik heel mooi vind. Om aan te horen of uit te spreken. ‘Desalniettemin’ en ‘nochtans’. Twee woorden met dezelfde betekenis, maar het bekt wel heerlijk weg wanneer je het uitspreekt. Of als het uit de mond van iemand anders komt. Het betekent zoiets als niettegenstaande. Bam! ‘Niettegenstaande’. Het wordt alleen nog maar mooier! Zoveel verschillende woorden om alleen maar aan te geven dat er ondanks een gegeven, toch het tegenovergestelde heeft plaats gevonden.

Daarentegen (ook zo’n aangenaam woord) zijn er ook woorden waar ik kippenvel van krijg, en niet in de positieve zin van het woord. Dat heb ik gelukkig niet met het woord ‘parallellepipedum’. Dat woord behoort al sinds de jaren 80 tot mijn favorieten. Het is helaas geen woord dat je zomaar in dagelijks gesprekken kunt gebruiken. Maar de harde klanken die je uitspreek bij het woord. Heerlijk! Een ‘parallellepipedum’ is een veelvlak met zes parallellogrammen als zijvlak. Hierdoor is het jammer genoeg een niet zo vaak uitgesproken woord.

Een woord wat ik afschuwelijk vind, dat ik niet kan aanhoren en waar ik figuurlijk jeukend tandvlees van krijg, is het woord ‘kutje’. Ik heb de neiging te vomeren wanneer ik het woord ergens hoor of lees. Het woord zelf uitspreken zal ik nooit. Ik ben sowieso geen voorstander van verkleinwoorden, maar bij dit woord geeft het verkleinen van het woord een onsmakelijk iets. Ik associeer dit lelijke Nederlands woord met viespeukerij. Het zijn de vieze, vrijpostige  mannen die niet te vertrouwen zijn, die dit afstotelijk woord in een zin durven te gebruiken.

Gelukkig bestaan er naast dit oneervol woord nog zeker 60 miljoen andere Nederlandse woorden. Diverse Nederlandse woorden voor één betekenis of één woord met meerdere betekenissen. Taal vind ik leuk. Met woorden spelen meesterlijk. Zo worden mensen als snel blij bij het horen van het woord ‘zonnestraal’. Maar noem het woord eens tijdens een aanhoudende hittegolf voor een periode van 3 aaneengesloten weken. Dan word je door de mensen boos weggekeken. Dan zijn ze de vrolijkheid van dat woord straal vergeten.

Het Spui

Het weer is gespreksonderwerp nummer 1 in Nederland, en de laatste weken is het al aardig aan het zomeren. Sommige mensen zijn de warmte en de zon al zat, maar voorlopig geniet ik volop. Daarom zit ik op een terrasje aan het Spui in Amsterdam. Een beetje lommerrijk, heerlijk beschut. Ik geniet van mijn uitzicht op de Amsterdammers en de bezoekers van de stad. Sommige toeristen zijn nog niet helemaal overtuigd van de zomer en dragen warme jassen, met hun beanies tot over de oren getrokken. Anderen lopen rond met blote schouders, in korte broek en op slippers. Persoonlijk ben ik niet zo dol op mensen, maar ik hou wel van de variëteit die de mens uniek maakt.

Aan een tafeltje achter mij zitten twee mensen te fluisteren op het terras. Nadat ik mijn kop koffie aan de serveerster betaal, kijk ik even achterom en zie ik dat het om een man en vrouw gaat die aan de witte wijn zitten. In mijn ogen, zijn deze twee mensen overduidelijk een stelletje. De eerste, zeer prille liefdesperiode is voorbij, maar nog steeds hartstikke gek op elkaar. De twinkeling in de ogen, die ik zojuist in de luttele seconden zag, toen ik omkeek, is er nog steeds. Stiekem zit ik te luistervinken, terwijl ik voorzichtig een slok van mijn hete koffie neem.

Ze toosten. De wijnglazen tikken voorzichtig tegen elkaar aan. Ik hoor een lichte zucht en met een kleine aanloop zegt de man tegen de vrouw dat er een tijd was geweest dat hij van alles voelde, maar tegelijk ook niets. Voordat hij haar had leren kennen, was er alleen maar bewolking in zijn leven, zonder uitzicht op opklaring. Verrast door de poëtische zinnen van de man plaats ik met een lichte tik mijn koffiekopje terug op het schoteltje en luister blij. De vrouw blijft stil, en de man vervolgt met dat hij haar moest vertellen hoe ze iedere dag van zijn leven opvrolijkte en dat zij hem in de donkere nachten verlichtte als een volle maan.

Ik kijk vluchtig om me heen om te zien of anderen op het terras wellicht ook getuige zijn van dit romantische moment, maar niemand reageert. En de man vervolgd. Over dat hij niet kan uitleggen dat er iets bijzonders aan haar is, hoe ze er uitziet. Over de blik in haar ogen en hoe ze naar hem kijkt. Ze ontneemt zijn adem iedere keer. Ikzelf voel me enigszins opgelaten dat ik getuige moet zijn van dit moment. Het is te intiem om er deel van te maken. De man verklaart dat het gevoel de vrouw hem geeft, zo diep zit, dat het hem verstikt. Op een positieve manier. Ze is mooi in elke betekenis, net als deze zomerachtige avond in Amsterdam.

Terwijl de laaghangende zon mijn gezicht verwarmt, koelt de koffie in mijn kopje af. De man aan het tafeltje achter me verklaart nog even dat de lach van de vrouw, zijn diepste geheimen naar boven haalt. Niets blijft langer verborgen en in alle eerlijkheid is hij sprakeloos met de overvloed van zijn woorden. Complimenten en liefdesverklaring. Ik heb voldoende gehoord en sta op en loop richting de Nieuwezijds Voorburgwal. Met de laatste zonnestralen, en een glimlach op mijn gezicht over wat ik zojuist mocht aanschouwen, loop ik langs de open deur van een kleine kroeg. Een bekende hit van Elton John komt uit de speakers. Ik loop door, richting Amsterdam Centraal.

Autoritjes

Het is vrijdagavond en het vlakke landschap van Noord-Holland is overal om ons heen te zien. We zijn onderweg naar Heerhugowaard, even ten noord-westen van Alkmaar. Met dit uitzicht en de muziek zachtjes op de achtergrond geniet ik van deze autorit, samen met mijn man. Ik hou van autorijden. Zolang ik niet zelf achter het stuur hoeft te zitten. Zo blijven de autoritjes aangenaam. Wanneer ik achter het stuur zit, verander ik een onaangenaam persoon. Ook voor mezelf. Ik zie overal problemen en zit non-stop te vloeken, en te schelden op alles wat binnen mijn gezichtsveld komt.

Als er een hel bestaat, dan bestaat deze uit onafgebroken momenten achter het stuur. Langzaam rijdend in een file tijdens de spits. De auto waarin ik me bevind is vanzelfsprekend géén automaat, want de koppeling moet ik blijven intrappen tot de kramp in mijn benen ondraaglijk wordt. Dit is een lichtelijk overdreven voorbeeld van een moment waarin ik doodongelukkig ben. Maar ik ben geen voorstander van veronderstellingen en aannames, en geloof daarom ook niet in God. Of in een verzonnen hel.

Het is een verademing voor mij wanneer ik plaats neem in de auto, en dat dit niet achter het stuur is. Zoals ik het enige zinnen terug verklaarde: ik kan echt genieten van de autoritjes, samen met mijn echtgenoot. Voor mijn part rijden we in de auto door naar het noorden van Noorwegen of naar het oosten van Polen. Of verder. Helemaal de wereld rond. Ik zal genieten van ieder moment. Zolang ik maar niet met mijn voeten op de verschillende pedalen hoef te duwen. Ik prijs me gelukkig met een echtgenoot die totaal geen hekel heeft aan autorijden.

Enkele van de bijzondere herinneringen, als kind, heb ik in de auto opgedaan. Ik kan me een autorit herinnering waarin het hele gezin, plus aanhang, met de auto naar Ponypark Slagharen ging. Mijn jongste zus met 2 tantes en mijn moeder op de achterbank, half hangend met de benen onder de hoedenplank, en ik in elkaar gebogen tussen de benen van mijn vader, die als bijrijder de wegenkaart op mijn hoofd liet rusten. Daar reden we dan met 100 kilometer over de tweebaanswegen van 45 jaar geleden. In mijn herinnering liepen mijn jongste zus en ik uren na aankomst in Slagharen met een gebogen rug over het attractiepark.

Met plezier denk ik aan de vakanties die we met mijn schoonfamilie in Europa doorbrachten. Mijn schoonzus had het lumineuze idee om voor 3 weken een mini-rondreis door Oostenrijk, Italië, Zwitserland en Frankrijk te boeken, en omdat er toen nog geen navigatiesystemen waren, hebben we toen meer dan alleen maar asfalt snelwegen gezien. Ik weet nu, dat als je iets van de wereld wilt zien, je per auto moet reizen. Je maakt zo veel meer mee. Met een glimlach denk ik aan het moment dat we bij de grensovergang tussen Italië en Zwitserland, waar we met een illegaal aantal flessen wijn in de kofferbak, werden aangehouden en we onze paspoorten ook nog in de kofferbak hadden laten liggen. Wanneer ik die herinnering wil delen, zie ik dat we inmiddels Heerhugowaard zijn binnengereden. Ook zo fijn van een autorit: Je bent op de plaats van bestemming voor je het doorhebt.

Picture This

We zitten nog maar een week in de zomermaand juni en via social media krijg ik al de eerste vakantiefoto’s van mijn sociale mediavrienden voorgeschoteld. Een buurmeisje van vroeger uit Den Helder is op rondreis door Ierland en een oud-collega uit Almere viert haar wandelvakantie in Engeland. Ik geniet daarvan. De vakantiepret van mijn Facebookvrienden. Ik vind het leuk dat ik in mijn fantasie toch mee ben op vakantie. Dat gevoel kent je vast ook wel. Het fantaseren van het op reis zijn. Je bent niet zo zeer met het reisgezelschap op stap, maar je plaatst jezelf met gemak in de bijna jaloersmakende vakantiekiekjes. Heerlijk.

Wanneer jezelf op vakantie bent is dat toch anders. Teleurstellend bijna. Je wilt de mooiste dingen zien. Attracties bezoeken om vooral herinneringen te creëren. Dat wordt tegengewerkt door de toeristen die altijd in de weg staan. Na ruim een uur door het Louvre, in Parijs te hebben gewandeld om de Mona Lisa van DaVinci te bewonderen sta je tussen honderd anderen op je tenen om een stukje van dat verdomde kleine schilderij te zien. Of op de trappen van Park Güell in Barcelona, met de kleurrijke hagedis. Alles wat je op foto’s terugziet zijn hoofden en armen van toeristen en wazige fragmenten van bontgekleurde mozaïeksteentjes.

Mijn foto van de Mona Lisa in het Louvre heeft meer weg van een grote indoor demonstratie, waarbij veel aanwezigen een selfie maken, en de foto van de mozaïekstenen op de trappen van Park Güell lijkt alsof deze is gemaakt in een drukbezochte badkamer. Ja, daar maak je geen Facebookvrienden jaloers mee. Toch zijn het niet alleen de mislukte foto’s. Soms is het de omgeving die tegenvalt. Piccadilly Circus was mij niet onbekend. Ik had er genoeg afbeeldingen van gezien. Tijdens een stedentrip in Londen waar we vanuit de metro bij het plein, de grond uitstapten, schrok ik van het groot aantal toeristen, maar vooral van hoe klein het plein is. Ik kreeg spontaan een claustrofobisch gevoel.

Door foto’s van toeristische trekpleisters te bekijken creëer je verwachtingen. Zo heb ik schitterende tempels in Egypte mogen bezoeken, en bewonderen. Precies als op de afbeeldingen in de reisgidsen, televisieprogramma’s en het internet. Door de afwezigheid van veel toeristen in het Noord-Afrikaanse land in 2012 konden we wel mooie foto’s maken. Maar wat we niet op de gevoelige geheugenkaart vastlegt zijn de foto’s van de omgeving. Wat je niet op de bekende foto’s ziet, zie je daar wel op de bewuste plek zelf. Een schitterend uitzicht op een sfinx, en een afschuwelijk beeld achter je rug, van een vuilnisbelt waar kinderen doorheen lopen te struinen, op zoek naar mooie of eetbare voorwerpen. Dat zijn de herinneringen waar je geen foto’s voor nodig hebt.