Kletspraat

Van de week was ik na mijn werkzaamheden thuis gaan hardlopen en met gepaste afstand passeerde ik de andere hardlopers, wandelaars en alle andere mensen die zich in deze corona-tijd op straat moeten begeven. Ondanks de constante zombiestroom van mensen die alleen aandacht hebben voor het telefoonscherm, dus niet voor een ander, zijn er ook velen die wel rekening houden met de afstand van anderhalve meter. Opmerkelijk vind ik dat de drukte van drommen mensen zich hier vooral buiten de woonwijken van Almere afspeelt. De meeste mensen kom ik tegen in de natuur. Gelukkig is er (nog) voldoende ruimte.

Na ruim zes kilometer te hebben gelopen, liep ik bij de vaartsluis aan het Wilgeneiland tegen een andere hardloper. We moesten even wachten tot de sluisdeuren weer werden gesloten en op een zeer gepaste afstand van ruim anderhalve meter (ik hou er niet van om te twijfelen, ik moet het altijd zeker weten) raakte we heel even aan de praat. Over koetjes en kalfjes. Het ging over het mooie weer en dat we het er maar mee treffen in deze rare tijden van corona-crisis. Met een welgemeende glimlach dacht ik nog; waar gaat dit over? Dit zegt alles over mij en niet over de andere hardloper. Ik ben niet zo goed in smalltalk. Ik kan het ook niet goed.

Altijd wanneer ik in een gesprek van kletspraat terecht raak, geraak ik een beetje van slag. De focus wordt troebel. Ik weet aan het einde van een zin niet meer wat ik bij de eerste woorden van mijn gesprek wilde zeggen. Dit uit zich in vreemde versprekingen of zinnen die ik blijf herhalen, waarbij ik zelf verbaasd reageer en dan gaat mijn aandacht naar het gehakkel in plaats van naar wat ik uiteindelijk wilde zeggen. Maar eigenlijk wilde ik niets zeggen, want het gaat over koetjes en kalfjes en dan schiet me ineens iets te binnen om over te praten, maar dat onderwerp staat helemaal los van waar de kletspraat over ging.

Laat mij maar schrijven. Communicatief kom ik in schrift beter uit mijn woorden. Hoewel ik met het neerkrabbelen van zinnen ook wel eens zit te hakkelen qua opbouw of dat ik een uitspraak verkeerd beschrijf. Ik kan mezelf aardig bezighouden met het vervaardigen van een stukje tekst. Het zal wellicht te maken hebben met de gedachte dat ik iets goed (niet twijfelen) wil doen en met schrijven kan je achteraf altijd bewerken wat je gezegd wilde hebben. Dat lukt niet met kletspraat. Overigens sprak ik een dag later de hardloper bij de sluis via mijn hardloop-app. Hij had mij herkend en vond het leuk mij ontmoet te hebben. Ik zal wel weer iets geks gezegd hebben.

Thuis

Tijdens deze corona-dagen van thuisblijven, quarantaine en social distancing denk je toch anders aan de dingen dan dat je het normaliter doet. Geen ideeën opdoen om iets in de avond te gaan doen. Of zaken inplannen voor morgen. Voor volgende week of de komende maand. Thuisblijven is het devies en thuisblijven is wat we doen. We mogen van het kabinet de uitzondering maken voor een frisse neus, wat boodschappen doen en met een vitaal beroep mag je nog wel heen en weer reizen. Dan maak je nog wel wat mee.

Ik werk vanuit thuis. Ik spreek mijn collega’s via e-mailberichten of via een Whatsapp-groep en verder hebben we videomeetings om elkaar een beetje een-op-een te kunnen spreken. In het begin lijkt dat allemaal nog leuk, maar nu, na de tweede werkweek is voor mij de glans er wel een beetje van af. En zo mijmer je dan maar eens over het een en het ander. Zo zat ik van de week voor een moment te denken aan de lokale bevolking in Cambodja waar ik enkele jaren geleden een paar weken resideerde.

In het hotel waar ik de eerste dagen in Phnom Pen doorbracht lag de hotelkamer aan het einde van de gang. Daar bevond zich ook een voorraadkast van de schoonmaaksters van het hotel. Na een tijdje kreeg ik door dat de kast niet alleen de schoonmaakvoorraad verborg, maar ook de huisraad van de drie schoonmaakster die in het hotel rondliepen. Het is dus niet zo dat kasten alleen zijn voorbehouden aan de Harry Potters en de zeer ingetogen en geheime homoseksuele mensen onder ons.

Waar je eerst denkt: Oh zielig voor die mensen! Blijkt het toch minder sneu te zijn. De drie schoonmaaksters waren altijd vrolijk en ze begroetten mij iedere ochtend vriendelijk toe. Ze keken in mijn beleving altijd blij de wereld in en wanneer ze met de deurdicht thuis waren, hoorde ik ze altijd op een vrolijke toon in het Khmer met elkaar praten. Ik kon er niets van verstaan, maar dacht: Wanneer je woning een kast is, kan het met gemak ook een thuis zijn. Het is hoe je er zelf over denkt.

Na een week logeren, op de laatste ochtend van vertrek, heb ik mijn bruine schoenen -die ik voor de nette gelegenheid als een bruiloft had meegenomen, in de prullenbak van de hotelkamer achtergelaten. Het scheelde me ruimte in de bagage voor de terugreis. Ik kan me nog steeds niet de gedachte uit het hoofd zetten dat aan de andere kant van de wereld een schoonmaakster van iets langer dan anderhalve meter, een tijdje vrolijk in mijn grote schoenen, maat 44, van en naar huis heeft gewandeld.

Pandemie

Ik zat van de week in de trein vanuit het werk naar huis toen ik..
Nee, wacht! Ik zat van de week helemaal niet in de trein. Ik heb heel de week thuis gezeten. Vanaf dinsdag -want maandag was ik officieel nog vrij in verband met Het-Afgeblazen-Weekend-Naar-Berlijn, ben ik gaan thuiswerken. Vanuit mijn eigen huiselijke omgeving de werkzaamheden doen, die ik altijd doe op een locatie in Amsterdam en met mijn collega’s om me heen. De afgelopen week waren dat twee katten, Harpo en Oprah, die mij gezelschap hielden. Niet dat ik daar veel aan heb, ze slapen het grootste deel van de dag.

Ik moet toegeven, het thuiswerken is me best meegevallen. Ik dacht dat ik niet geheel gemotiveerd mijn werkzaamheden had kunnen uitvoeren. Teveel afleiding, maar het leek de afgelopen dagen dat ik juist wel die prikkeling heb om door te voeren. Wellicht komt dat door een onterecht schuldgevoel. Bang dat ze op de andere locaties denken dat ik helemaal niets uitvoer. Ik werd niet afgeleid en deed mijn werkzaamheden naar behoren. Thuiswerken is tenslotte geen vakantievieren. Of ik dit thuiswerken nog eens een paar maanden door wil zetten. Nee, bedankt.

Voordeel van thuiswerken is dat je geen reistijd hebt. Wanneer de wekker doordeweeks op de gebruikelijke tijd afgaat, heb ik een uur extra om rustig wakker te worden. Dit cadeautje zal na vannacht ook wel weer over zijn met het aanpassen naar de zomertijd. Laar ik dan maar genieten van het genoten plezier van de afgelopen week, want zo plezierig vind ik deze periode niet. Ondanks dat ik sociaal altijd wel een beetje afstandelijk ben, blijkt het social distancing toch ook een uitdaging. Niet zozeer voor mij, ik schreef zojuist al dat ik redelijk gereserveerd ben naar anderen, maar wel voor veel andere mensen. Heel veel mensen.

De hersendoden, noem ik deze mensen. Of de kontklevers. De mensen die van mening zijn dat een sociale afstand van anderhalve meter niet voor hen geldt. Wanneer ik na het thuiswerken, op een schaars moment in de supermarkt loop, staan ze ongevraagd naast me in mijn aura. Alsof ze over mijn schouder willen meekijken naar wat ik zoal in mijn boodschappenmandje gooi. Shut the fuck up! Deze laatste boodschap breng ik niet woordelijk zo over, maar ik vraag toch vriendelijk en nadrukkelijk om enige afstand. Sommige hersendoden schrikken dan even op en doen een stap achteruit. Andere imbecielen glimlachen alleen en halen de schouders op. Alsof het zo gezellig en leuk is, het constant verplicht thuisblijven.

Heb Lef, Heb Lief

Het was de bedoeling om dit weekend in Berlijn door te brengen, in verband met een verjaardag, maar het corona-virus heeft daar enige verandering in gebracht. Ik zag dit de laatste weken al een beetje aankomen. Dit wordt geen hardlooprondje onder de Brandenburger Tor door, maar een wandeling naar de koelkast voor een snack. Gelukkig garandeert de reisorganisatie een voucher ter waarde van het uitgegeven reisbedrag voor een later tijdstip, dus de weekendplannen worden even in de koelkast gezet. Ik kan er mee leven. Mocht ik dan mogen kiezen, dan heb ik liever de deceptie van een stedentrip die niet doorgaat, dan de teleurstelling van het bericht dat de gezondheid te wensen over laat. Ik loop niet ontevreden en stampvoetend door het huis.

Daarbij heeft de familie van de week het verdrietige nieuws mogen vernemen dat mijn oom Simon uit Sneek, afgelopen maandag aan hartfalen is overleden. Mijn oom, die mij altijd als enige op de wereld André Kostelanetz, naar de Amerikaanse orkestdirigent, noemde. Dit tot aan de laatste keer dat ik hem zag. Het is deerlijk dat ik geen laatste afscheid heb kunnen nemen of er te kunnen zijn voor de andere naaste familieleden. Ik vind het daarbij intriest om op de rouwkaart van mijn oom de tekst ‘Het afscheid zal in verband met de landelijke maatregelen in besloten kring plaatsvinden.’ te lezen. Mijn moeder is daarbij deze periode meer eenzaam, want ze mag in het tehuis waar ze sinds afgelopen augustus woont, geen visite meer ontvangen. Gelukkig is ze zich niet altijd meer van alles bewust van de huidige narigheid.

Ik probeer het leven te leiden zoals deze was voordat het corona-virus de boel op stelten kwam zetten. Ik wens me lichtelijk te verbazen over het tekort aan toiletpapier voor de egoïstische bangeschijters, want ik vind het meer verbijsterend dat angst besmettelijker is dan een virus zelf. Mede hierdoor is het leven momenteel ook niet meer zoals het eerder was. Op de stations waar ik kom zie ik meer mensen met mondkapjes op dan met handschoenen aan. Ik wil er niet te veel iets van vinden, anders lijk ik erg veel op alle andere Nederlanders. Iedereen lijkt het beter te weten. Zoals het met voetbal in Nederland is, is het ook zo tijdens een viruscrisis in ons land. We zijn een volk dat alleen maar bestaat uit experts. We weten van, en over alles. Daarom neem ik me zelf voor -en daag ik hiermee iedereen uit, om vooral minder te oordelen en veel meer lief te hebben.

Doodlopend

Je leest of hoort er wel eens over; over mensen die levenloos worden aangetroffen. Vaak worden deze mensen gevonden door hardlopers die tijdens hun hardlooprondje op een dood persoon stuiten. Dit heb ik zo vernomen. Ik heb nooit de morbide gedachten gehad om zo een situatie mee te willen maken, maar toch overkwam het me. Bijna dan.

Het is alweer een tijdje geleden dat ik de mensen, die hun hond uitlaten, naar het Lumièrestrandje in Filmwijk zie gluren. Ze zien iets, maar zijn niet zeker over wat ze zien. Ik denk nog; ik loop er straks sowieso langs, ik zie het dan wel. Wanneer ik na ongeveer anderhalve minuut links afsla, het strandje op, zie ik op het strandje een stapeltje kleding liggen. Wanneer ik dichterbij kwam blijkt het stapeltje kleren een persoon te zijn, met de capuchon over het hoofd getrokken.

Al roepend loop ik naar de persoon, maar krijg geen reactie. Wanneer ik er naast sta, zie ik dat het een man is, tussen de dertig en veertig jaar oud. Misschien is hij jonger, maar de donkere baard oogt hem ouder. Met verheven stem vraag ik hem of alles oké is, maar wederom geen reactie. Ik schop lichtjes tegen de schoen van de man. Geen reactie. Ik schop nogmaals. Een beetje harder nu, en de man beweegt een beetje. Hij leeft.

Met een duim omhoog laat ik de mensen op afstand weten dat de persoon oké is en besluit mijn laatste kilometers naar huis te hardlopen. Na een paar honderd meter voel ik me er toch niet lekker bij en besluit toch de politie te bellen. Ik kan niet wennen aan het idee dat het toch niet in orde is, en dat ik dan ben doorgelopen. Ik bel het algemeen telefoonnummer van de politie, doe mijn verhaal en binnen een minuut ben ik doorgeschakeld naar de meldkamer in Almere. Ik loop langzaamaan terug naar het strandje en onderweg ernaartoe heb ik mijn verhaal nogmaals verteld. Bij de slapende man aangekomen geef ik het signalement door en omschrijf de plek waar hij ligt.

De agent van de meldkamer meldt dat de politie al onderweg is. Op mijn vraag of ik moet blijven wachten antwoord hij dat dit niet nodig is. Ze hebben mijn gegevens. Ik geef aan de omstanders door dat de politie onderweg is. Een oudere hardloopster is naast me komen te staan en kwalificeert zichzelf als toezichter. Ik vind het prima. Ze vertelt me dat de man slaapt. Ik kijk haar verbaasd aan. Miss Marple woont tegenwoordig in Almere. Ik vertel haar dat ze niet hoeft te wachten, maar wanneer ze het wenst, ze dit zeker mag doen. De vrouw blijft en ik loop de laatste twee kilometer richting huis. In best nog wel een mooie tijd, ondanks de kleine pauze bij het strandje.

Onschuld

Jaren geleden, begin jaren zeventig van de vorige eeuw, uitte ik op een schooldag, tussen-de-middag, tegen mijn moeder de gedachte dat het wel een heel bijzonder leuk idee kon zijn wanneer de muren achter de keukenkastjes werden verwijderd. Hiermee functioneerden de keukenkastjes als een gezamenlijke voorraadkast met onze buren. Zo hoefde je geen suiker meer te lenen. Of iets anders dat je op dat moment in de keuken miste. Ik had een levendige fantasie en het idee leek mij gezellig. Het antwoord van mijn moeder was minder enthousiast: ‘Alsjeblieft niet. Ik moet er niet aan denken om alles te horen waar de buren het over hebben. En andersom al helemaal.’ De kinderversie van mij begreep mijn moeder niet en ik vroeg haar wat ze bedoelde. Ik kreeg het antwoord in de strekking van dat mensen niet altijd aardig over elkaar vertellen en dat elk gezin op zijn privacy gesteld was.

Op dat moment werd met bovenstaande verklaring mijn kinderlijke onschuld vermoord. Nooit meer was mijn leven zoals ik het daarvoor kende. Later begreep ik pas wat mijn moeder bedoelde. Ook zonder de opmerking van mijn moeder zou mijn naïeve karakter worden omgebracht, en ik denk vooral dat dit ook door de buurvrouw waar mijn moeder het toen tussen-de-middag over had is gebeurd. Deze buurvrouw was niet makkelijk. Ze had een paar zeer onaangename karaktertrekjes, zoals ik de vrouw in de jaren erna heb ervaren. Ze sprak vaak slecht over anderen en wanneer een roddel haar niet ellendig of sappig genoeg was, verzon ze er wel een paar rotte details bij. Gelukkig was ze niet altijd de helleveeg waar ze me soms aan deed denken.

In de zomer van 1980 mocht ik van mijn ouders samen met de buren mee voor twee weken op vakantie naar een camping in de buurt van Assen. De buurjongen was van mijn leeftijd en we trokken in die tijd veel met elkaar op. Ik kreeg van mijn moeder zakgeld mee. Om mij te voorzien in de vakantiebehoeften die een jongen van dertien jaar heeft, en ook om af en toe een traktatie uit te delen. Het zakgeld werd bij de buurvrouw in beheer gebracht. Dit werkte prima. Wanneer ik ’s avonds met de andere jongeren van dat jaar naar de tienerdisco ging, kreeg ik zakgeld mee voor een cola en wat snacks. Zo heb ik naar mijn idee de eerste dagen cool met een cola in de hand aan de rand van de dansvloer gestaan. Mijn hoofd meedeinend op de grote hits van toen.

Tijdens deze zomervakantie was een karakteristieke sweater met een grote letter M op de voorkant -en alleen verkrijgbaar bij een specifieke modewinkelketen, helemaal de trend van het moment. Ik besloot de rest van de vakantie geen extra consumpties aan te schaffen. Zo hield ik genoeg geld over en kon ik aan het einde van de vakantie de hippe trui met hoofdletter M scoren. Het was even wennen om tussen de snaaiende pubers te staan, maar het was voor een goed doel. Groot was mijn teleurstelling toen ik de dag voor vertrek van de buurvrouw te horen kreeg dat al mijn zakgeld op was. Dit leek me onmogelijk, maar in stilte verwerkte ik mijn zielsverdriet. De dag erna werd mijn zuinigheid beloond met nog een enorme teleurstelling; de buurjongen kocht wel de hippe trui met een hoofdletter M.

Happy

Lopen, ik doe het graag. En hard ook. In het kort, ik hardloop met genoegen. Ik probeer de laatste tijd drie keer per week een rondje van minimaal tien kilometer door Almere te rennen, en dat lukt mij tot op heden aardig. Af en toe, en hier en daar een pijntje in de benen, knieën, enkels, pezen of voeten neem ik op de koop toe. We kunnen tenslotte niet alles hebben. Daarbij wordt er al genoeg geklaagd in de wereld. Tegenwoordig ook door mensen die zichzelf positieve denkers betitelen, maar hey, we blijven tenslotte mensen. Het klagen over een hardloopblessure valt in het niet bij de dreigingen van (corona)virussen en andere politiek getinte aangelegenheden. Of deze nu van links, of van rechts komen.

Laat mij maar hardlopen. Het is niet alleen goed voor de conditie, het werkt ook bemoedigend voor de persoonlijke mind-set. Bijna meditatief, vind ik. Zo relativeer ik alle ellende in die drie-komma-zestien uur per week (gemiddelde tijd volgens de hardloop-app) en wanneer ik bij thuiskomst onder de douche sta, spoel ik niet alleen het zweet, maar ook de laatste stukken malaise, en kommer en kwel weg via het afvoerputje. Daar waar de ellende thuishoort. In het riool. Alleen daarvoor adviseer ik de anderen te gaan hardlopen. Of te mediteren, wanneer u liever op uw kont zit. Dat laatste moet u lezen als een ‘cabaret-uitlating’. Een niet serieus te nemen opmerking, want tegenwoordig zijn we snel beledigd. Ook als we worden aangesproken op een uitgesproken belediging. Het zij zo.

Daar heb ik geen last van wanneer ik op mijn hardloopschoenen door de groene gebieden van Almere loop. Ik geniet tijdens de achtendertig kilometers die ik per week achter me laat (gemiddelde afstand volgens de hardloop-app) en denk er niet aan om mezelf negatief te uiten. Ik schiet er niets mee op en mijn mening is maar een denkbeeld, dat geldt ook voor gedachte van een ander. U kunt denken dat hardlopers idioten zijn, maar die mening deel ik niet meer. Vroeger kon ik het met u eens zijn. Ik wist toen nog niet wat hardlopen kon betekenen, behalve wanneer ik mijn trein niet wilde missen. Nu weet ik beter, en daarin zit wellicht de onderbouw van empathie. Op afstand, zonder inlevingsvermogen, is het altijd makkelijk iets afwijzend te roepen, dan wanneer je weet wat de ander motiveert.

Ik moet hier eerlijkheidshalve wel melden dat ook ik niet altijd op en top vrolijk ben. Ik ben tenslotte geen positiviteitsgoeroe en niets menselijks is mij vreemd. U moet me eens meemaken als verkeersdeelnemer! Op mijn fiets zit ik constant te foeteren op iedereen, die -in mijn ogen- niet opletten, of vooral niet opschieten. Wanneer er niemand in de buurt is, dan mopper ik wel tegen de harde wind die altijd tegen lijkt te zijn. Dat is overigens weer helemaal anders wanneer ik me in mijn hardloopschoenen over de weg verplaats. Dan heb ik reden om vrolijk te zijn. Zelfs een flinke tegenwind begroet ik rennend met een brede glimlach. Ik ben een happy hardloper.

Exotisch

In de jaren zeventig van de vorige eeuw, vond ik het als kind fantastisch wanneer het circus tijdens de zomermaanden neerstreek in mijn woonwijk op het veldje op de hoek van de Walvisvaardersweg en de Torplaan in Den Helder. Het veld bestond uit een paar graspollen en enkele opgedroogde modderpoelen, waar de stofwolken je het zicht ontnamen wanneer je er aan het spelen was. Later bleek het veldje nog wat geld waard, het werd gevuld met appartementen waar nu een neef van mij een woning heeft. Maar daarvoor was het altijd een aangename afwisseling wanneer er in een warme zomer een grote felgekleurde circustent werd opgezet. Clowns, jongleurs en acrobaten in strakke circuskleding en de exotische dieren hadden een kinderlijke aantrekkingskracht op mij. Ik kan me herinneren dat ik als kind ‘s-avonds vaak in bed heb liggen fantaseren om van huis weg te lopen en met het circus mee te reizen.

Het is bij de gedachte alleen gebleven om het ouderlijk huis te verlaten voor het onzekere circusbestaan. Het blijkt wel weer dat het gras niet altijd groener aan de overkant is. Het is maar goed dat ik als kind niet van huis ben weggelopen en met mijn nieuwe circusfamilie in een woonwagen de diverse landen ben ingetrokken. Het circuswereldje is er eentje waar ik niet gelukkig had kunnen worden. Niet dat het circusleven mij te slecht of te min is, maar ik ben gewoon honkvast. Mijn thuis behoort op een geheide fundering staan en niet op wielen. Daarbij is het circus al jaren niet meer zoals het was. Het is circus van toen is tegenwoordig als Zwarte Piet: Politiek niet correct. Een relikwie van vroeger, toen je eigen woonplaats de wereld was en de mensen niet beter wisten.

De exotische dieren van toen behoren nu tot de bedreigde dieren, en een groep doodskopaapjes dansend op en tussen de bulten van een kameel is vandaag niet zo bijzonder meer. Het internet heeft ons alles al laten zien. Daarbij mogen er tegenwoordig geen exotische dieren meer optreden in de piste van een grote circustent. Of elders in Nederland. En terecht. Dieren zijn er niet om ons -de verveelde mensen, te entertainen. Laat de acrobaat en een goochelaar maar in eigen persoon de kunstjes aan het publiek tonen. Overigens twijfel ik er niet aan dat de dieren destijds, in de vorige eeuw, goed werden verzorgd (zover men het wist), maar tegenwoordig weten we beter en ben ik van mening dat een dier hoort te léven en niet alleen te bestaan. Zeker niet in een omgeving van een beperkt aantal vierkante meters. Zoals een dierentuin, maar dat is weer een ander verhaal.

Spinnen

De relaties die ik met fietsen heb zijn precair en ook bedenkelijk te noemen. Ik heb u hier al eens vaker over kunnen vertellen. De relaties zijn in wezen deugdelijk te noemen, het stalen ros brengt me overal naartoe, maar ik heb het idee dat de tweewielers zichzelf als een onderdrukte groep beschouwen. Dankbaar voor de relatie met de eigenaar, maar het zijn de fietsen die zich wellicht ondergeschikt en waarschijnlijk niet gewaardeerd voelen aan de personen die altijd op het zadel plaatsnemen.

Zo ook in de huidige relatie met de herenfiets sinds vorig jaar: mijn Medley-fiets. Ik heb eerder mogen vertellen over de grillen van deze fiets, zoals de vulling van de fietsbanden, of eerder het gebrek hiervan. En het debacle met het fietssleuteltje, welke door hem werd ingeslikt (nadat ik deze zelf had gebroken). Het ging een tijdje goed. Tot begin november. Mijn Medley had een beetje last van de linker-trapper: Deze voelde lam aan en schoot door, vooral wanneer ik er met mijn voet met enige kracht op trapte. Dit maakte het fietsen hierdoor niet makkelijk. Een teleurstelling voor beide partijen.

Ik heb de volgende dag een steeksleutel uit de gereedschapskist van thuis meegenomen en geprobeerd de operatie zelf uit te voeren, om zo het lamme gevoel in de linker-trapper te verhelpen. Dit lukte. Provisorisch, maar goed genoeg naar mijn mening. Vervolgens zijn we december gezellig doorgekomen, maar in het nieuwe jaar kon Medley niet meer meekomen. Een bezoek aan de fietsenmaker bleek nog de enige oplossing. Tijdens een inloop-uur pakte de fietsenmaker er vakkundig gereedschap bij en zorgde er voor dat de linker-trapper weer strak aan de trapas vastzat.

Dit heeft een paar weken gewerkt. Tot Medley het linker-pootje weer liet hangen. Op een gegeven moment konden we alleen nog maar vooruitkomen wanneer ik de rechter-trapper gebruikte. Met moeite werkte de fiets mee, zelfs bij stevige wind. Het ging niet snel, maar het ging. Tot op die ene vrijdagochtend, een paar weken geleden. Het geluid uit de trapas en het trillende gevoel in de linker trapper gaven aan dat het zo echt niet meer kon. Medley had het opgegeven. Zijn beide trappers stonden parallel naast elkaar in plaats van onevenredig.

Zo heb ik mijn Medley een tijdje tegen het fietsnietje voor de ingang van mijn werk laten staan. In weer en wind. Tot het zadelhoesje, een verbleekt Jumbo-boodschappentasje was weggewaaid en Medley moedeloos in het fietsslot hing, alsof hij zichzelf had verhangen. Deze aanblik was voor mij het teken om mijn fiets weer mee te nemen naar de fietsenmaker. Daar is hij aan de trapas en de trapper geopereerd. Na twee nachtjes binnenblijven mocht ik hem gisterochtend ophalen en sindsdien fietsen we weer probleemloos samen. Even leek mijn Medley te spinnen toen hij me gistermiddag weer naar het metrostation bracht.

Fietstochtje

Na twee dagen van regen en harde wind is het winterweer in Nederland eindelijk een beetje beter. Buiten is het nog koud, maar de zon schijnt fel over Almere. De drang om naar buiten te gaan en een frisse neus halen is groter dan het gevoel van mijn lamlendigheid. Ik besluit me dit keer goed in te pakken om op de fiets een rondje te doen. Vanonder mijn muts kijk ik knijpend de wereld in. Ik heb een beetje de wind tegen, maar door flink de pedalen in te trappen krijg ik het vanzelf warm en besluit ik weer eens over de Oostvaardersdijk te fietsen. Ik vermoedt dat ik op de dijk het oostenwindje mee zal hebben, waardoor ik dan heerlijk kan genieten van het mooie weer. Ik heb gelijk.

Bij het parkeerterrein van bezoekerscentrum ‘De Trekvogel’ bij de Zuidersluis fiets ik de dijk op en de oostenwind duwt me zachtjes in de rug. Het is nu wel heel erg warm met de muts op mijn hoofd, een sjaal om de nek en het extra vest onder mijn jas. Maar ik klaag niet. Ik wil genieten. Genieten van de zon. Al fietsend ben ik in gedachten al een paar maanden voor in het jaar en liggen de wintermaanden van januari en februari ver achter me. Zonder het te merken mis ik de afslag bij de woonwijk Noorderplassen-West en denk dat ik nog wel even een stukje door kan fietsen. Het fietst tenslotte heerlijk vandaag. Ik neem me voor om via de Pampushavenweg weer naar huis terug te keren. Daar wordt de oostenwind vast wel door een aantal bomen afgezwakt. Bij het verlaten van de Oostvaardersdijk komt de maand februari keihard terug in mijn gezicht.

Terug naar de realiteit. Het is winter. Bij ‘Polderland Garden of Love and Fire’, ontworpen door architect Daniel Libeskind, die ook de nieuwe gebouwen op Ground Zero in New York heeft ontworpen, zitten een paar automobilisten in hun auto op de parkeerplaats te wachten op onbekenden die nog langs moeten komen. Het is een plek waar opgewonden mannen op zoek zijn naar andere opgewonden mannen, en ik moet er niet aan denken om er met de broek op de enkels bij deze winterse temperaturen in het bos te staan. Ik rijd door over de Pampushavenweg en na een anderhalve kilometer fiets ik over het Michelinpad richting de bewoonde wereld. De wind waait me guur om het hoofd, dwars door de muts heen.

Na een paar kilometer te hebben afgelegd, maar niet voordat ik het Zoneiland van Nuon ben gepasseerd, besluit ik binnendoor te gaan fietsen. Dwars door diverse woonwijken, richting Amazing Oriental in Almere-Stad. Daar kan ik meteen de nodige boodschappen doen, want na twee dagen van winterse kost van diverse stamppotten komt de rookworst me inmiddels de neus uit. Vanavond eten we Indisch. Doen we net alsof de winter al voorbij is.

Eerder deze week gepubliceerd op OnsAlmere.

Verstopt

Het was in het voorjaar van 1977 toen het bij mij op school een rage was om penpoppetjes bovenop je pen of potlood te steken. Het waren plastic figuren van ongeveer twee centimeter groot met aan de onderkant een holte. Een gat breed genoeg voor een potlood. Een puntenslijper zonder scherp mesje, zeg maar. Je kon het plastic figuur alleen maar doelloos bovenop je potlood plaatsen. Mijn plastic figuur was een ui met een huilend gezicht. Even ter toelichting: Het was aan het einde van de jaren zeventig. Speelgoed hoefde verder niet educatief te zijn of een betekenis te hebben. Het was vermakelijk voor kinderen van die tijd. Ik denk nu dat het promotiemateriaal was ter bevordering van gebruik van fruit en groenten of van een bekend huishoudelijk merk uit de supermarkt.

Ik kan me niet meer herinneren dat ik in 1977 veel lessen heb gevolgd met een huilende ui bovenop mijn schrijfgerei, maar ik kan me wel herinneren dat ik op een middag besloot het uienfiguurtje van mijn potlood te trekken en in het ronde gat onderaan het schoolbord te verstoppen. Ik was toen -denk ik, bezig met het bedenken van toekomstige nostalgie. Het idee om in de toekomst ooit weer eens op school te komen en de huilende ui terug te vinden in het gat van het schoolbord, leek mij als tienjarig kind heel bijzonder. Ik weet niet hoe mijn brein werkt, maar ik verbaas me achteraf vaak over mijn eigen ideeën, of gedachtegang. Inmiddels ben ik tientalle jaren ouder en ben ik aan mijn denkwijze gewend geraakt. Mijn omgeving ook. Tenminste, dat hoop ik.

Eén keer heb ik de kans gehad om te checken of de huilende ui nog onderin het schoolbord was verstopt. Dit was tijdens een reünie in november van 1993. Deze was door een paar oud-klasgenoten van mij georganiseerd, maar helaas was ik er toen niet aan toegekomen. Je bent op zo’n reünie toch bezig met andere gedachten over vroeger. Ik was het penpoppetje dat moment totaal vergeten. Tot de dag erna. Toen moest ik er ineens wel aan denken. Ga er dan nog maar eens aan om oud-klasgenootjes zo ver te krijgen dat ze nogmaals met jou naar de oude basisschool willen gaan om te zien of er wel of geen hebbedingetje uit 1977 onderin een schoolbord ligt verstopt. Mijn steady reputatie van de jaren zeventig, die ik de avond ervoor had kunnen handhaven, kon dit alsnog teniet doen.

Een paar jaar na deze reünie werd de oude basisschool gesloopt. Afgedankt en niet meer langer nodig gaf de oude school geen wijsheid meer door, alleen nog maar herinneringen. Of het oude plastic figuurtje ergens onder het puin van de school is vergaan blijft voor mij een raadsel. Het kan zijn dat het penpoppetje de dag nadat ik het in het schoolbord had verstopt, alweer door een ander klasgenootje werd gevonden. Ik weet het niet en ik zal het ook nooit weten. In mijn herinnering staat mijn basisschool nog statig rechtop en wanneer ik in mijn herinnering weer door de school wandel, verwacht ik dat de plastic ui nog veilig onderin het schoolbord ligt verstopt.

Beetje Dom

Van de week deed ik beetje dom. Gelukkig heb ik dat niet vaak. Tenminste, dat denk ik zo te ervaren. Anderen zullen wellicht een andere mening zijn toebedeeld, maar ik zeg maar zo: ‘Je kan beter domme momenten hebben dan alleen heldere momenten.’ Ofschoon ik toch liever ‘bij de pinken’ blijf was het toch zo dat ik afgelopen woensdag reageerde op een emailbericht van Netflix met hierin de mededeling dat mijn abonnement over een paar dagen zou aflopen. Om deze tegenslag tegen te gaan, werd ik verzocht om mijn betaling veilig te stellen met een automatische betaling. Ik kon een zucht niet onderdrukken. Ik wordt altijd een beetje moe van dit soort herinneringsmailtjes, want ik heb ruim voldoende betalingen die automatisch worden afgeschreven.

Om nog meer van dit soort emailberichten te voorkomen, haalde ik mijn creditcardgegevens tevoorschijn en begon op de website van Netflix met het invoeren van de benodigde betalingsgegevens. Met een tevreden blik klikte ik op verzenden. Klaar met deze betalingsherinneringen, dacht ik. Als door een wesp gestoken reageerde ik op mijn gedane actie van zojuist. Was ik nu met open ogen in een phishingmail gestonken? Mijn betalingen voor Netflix worden al sinds jaar en dag via automatische incasso geïncasseerd, dus al snel opende ik nogmaals de phishingmail en zag ik het. De link naar de betalingssite van Netflix had niet eens de naam Netflix in de link staan. Het was op dat moment officieel. De sukkel van de dag was ik.

Snel had ik het creditcard-alarmnummer van mijn eigen bank achterhaald om, indien mogelijk, de schade van mijn eigen stomme actie te beperken. Ik had de benodigde gegevens bij de hand en al snel sprak ik een vriendelijke medewerkster van mijn bank. Niet geheel zonder gevoel van schaamte deed ik mijn verhaal. De bankmedewerkster aan de andere kant van de lijn had meer of berichten als die van mij te horen gekregen, of ze had een perfecte training gevold om het hoongedrag bij ervaringen als deze, achterwege te laten. Bij het opgeven van mijn geboortedatum dacht ik even een onderdrukte zucht te horen, maar dat kan ook mijn verbeelding zijn geweest, omdat ik volgens mij nu zeker wel ook in de categorie van stupide vijftigers val.

De bankmedewerkster vertelde mij dat er nog geen transacties op mijn creditcard waren uitgevoerde en stelde voor om mijn creditcard te blokkeren en dan meteen een nieuwe creditcard aan te vragen. Zonder haperingen ging ik hiermee akkoord. Better safe than sorry, dacht ik even internationaal. Of in het nationaal Nederlands; voorkomen is beter dan genezen. Nadat ik een paar zeer persoonlijke vragen op bankzakengebied voor de volle honderd procent akkoord had beantwoord kreeg ik van de bankmedewerkster de bevestiging dat mijn creditcard op dat moment definitief was geblokkeerd en dat ik binnen vijf werkdagen een nieuw exemplaar via de post kon verwachten. Zo zie je maar weer: Een fout is bijna net zo snel hersteld als deze is gemaakt.

Großvater

Het was in de zomer van 1999 toen Edo en ik met een paar familieleden gezamenlijk op vakantie gingen naar Oostenrijk en Italië. Ruim van te voren hadden we een datum van vertrek afgesproken, om een overnachting gedurende de reis in te plannen, en dat we elkaar dan op de camping zouden ontmoeten in Oostenrijk. In januari van dit jaar had ik voor het eerst een mobiele telefoon gekocht en zo konden we elkaar onderweg op de hoogte houden van waar we ons bevonden. Dat we de genoemde plekken waar de twee teams zich bevonden, nog op een van de wegenkaarten moesten opzoeken geeft alleen maar aan dat we in 1999 nog niet helemaal voor de volle honderd procent in het digitale tijdperk waren aanbeland.

Een overnachting voor onderweg in Duitsland was via internet geboekt. Aan het einde van de middag toen we Beieren in waren gereden mocht ik de wegenkaart van Zuid-Duitsland uitpluizen, op zoek naar ons logeeradres, mitten im Nirgendwo. Ons gevoel over deze streek werd er niet beter op toen we op een landweggetje een oude, gekromde vrouw met een takkenbos op haar rug, naar de weg vroegen. ‘Immer gerade aus,’ antwoordde ze schraal op onze vraag. We bevonden ons een half uur van de snelweg, op een afgelegen stukje Duitsland, waar naar mijn mening nog lang niet alles in kaart was gebracht. We konden de overnachting toen weliswaar via internet boeken, maar verder bevond het pension Der Grüne Hahn zich in het jaar 1978.

Na nog eens een half uur niet geheel doelloos rondgereden te hebben, zag ik in het midden van een minirotonde waar we overreden, een bord met hierop een afbeelding van een groene haan, en daaronder een pijl, die een richting en de afstand van 2 kilometer aangaf. Het beeld van een overnachting in de auto en morgen geradbraakt op de camping aankomen, konden we wegwuiven. Moe van het rondrijden en het zoeken, kwamen we dan toch bij het pension aan. Het pension zag er uit alsof het daadwerkelijk in 1978 was blijven steken, maar dat idee kon ons niets schelen. Snel de auto parkeren, inchecken en zien of we nog ergens iets te eten kunnen krijgen.

De allervriendelijkste Duitse gastvrouw heette ons vanachter haar receptiebalie, herzlig wilkommen en met een brede glimlach overhandigde zij de sleutel van onze kamer, inclusief de mededeling dat we zeker nog wel een maaltijd konden bestellen van een beperkte kaart. Dit konden we doen in het restaurant nadat we de bagage op onze kamer hadden achtergelaten. Op het balkon van ons appartement heb ik een sigaret gerookt en checkte ik de bereikbaarheid van mijn Nokia 5110. Deze was nul komma nul. Het voelde alsof ik me in een goedkoop griezelverhaal bevond toen ik zo afgelegen hangend over het balkon belde om te zeggen dat we veilig op ons eerste adres waren aangekomen.

Nadat we ons hadden opgefrist liepen we naar het restaurant, dat overigens meer weg had van een eetzaal uit een klassiek sanatorium. Het interieur leek zo’n vijftig jaar niet te zijn veranderd. Het voelde alsof we van 1978 terug waren gegaan naar het Duitsland van 1949. De tafels waren netjes gedekt met roodgeruite tafellakens, waarop lompe, koperen asbakken stonden. Onze mond viel open toen we een enorm grote portretfoto van, naar wat wij dachten, de grootvader van de familie aan de wand zagen hangen. Opa keek ons, vanaf de muur streng aan. Zijn autoritaire blik werd gesterkt door het strakke nazi-uniform dat hij droeg. Trots paradeerde de letters S.S. op zijn uniformboord.

Nergens heb ik me nog zo oncomfortabel gevoeld. Daar zaten we dan. Met zijn tweeën in de grote eetzaal van 1949. We bespiedden de menukaart en ook de aanblik van opa vanaf zijn portretfoto. De gastvrouw kwam binnen. Ze had het waarschijnlijk niet heel druk, want ze ging op haar gemak bij ons tafeltje staan. In het Duits met een zwaar rollende r zei ze: ‘Mijn heren, heeft u iets lekkers kunnen vinden? De keuze is wellicht beperkt, maar wat we u bieden is zeer smakelijk.’ We bestelden wat te eten en drinken. Ze wees met haar potlood naar het portret aan de muur en vertelde zonder gene dat de man in het uniform haar grootvader was geweest. Hij had heel veel voor haar en de familie betekend en ze was enorm trots op hem. Ze knikte kordaat en liep met onze bestelling naar de keuken. Edo en ik keken elkaar zwijgend aan.

Wandeling

Ik ben een stadsmens. Ik hou van de kleine dorpen en van het platteland, maar ik voel me meer thuis in de stad. Ik kan genieten wanneer ik getuige ben van het ontwaken van een stad. Deze ochtend moet ik al vroeg in Amsterdam zijn en ik besluit vanaf het Centraal Station naar mijn afspraak in de Spaarndammerbuurt te lopen. Het is een beetje troosteloos en miezerig weer, maar echt nat kan je er niet van worden. Ik loop door de Haarlemmerstraat en de geluiden van rolcontainers met voorraden die naar een winkelmagazijn worden gereden, in combinatie met het geluid van mensen die hun zaterdag starten, brengen een glimlach op mijn gezicht.

Ik zie een hardloper, die ondanks het grauwe weer in korte broek met een iPhone in zijn handen voorbij rent. Ik wens dat hij iets langzamer hardloopt, of dat ik zelf tijd genoeg heb om in mijn hardloopkloffie met hem op te lopen, want nu kan ik helaas niet de vele en vooral kleurrijke tatoeages op zijn kuiten bewonderen. Verderop staat een groepje van ongeveer tien Italianen. Ze zijn, denk ik, net bij een hotel uitgecheckt en zijn in een heftige discussie over hoe de dag verder door te brengen. Denk ik. Het kan ook zijn dat ze een normaal overleg hebben, maar voor mij klinkt het enorm emotioneel. De temperamentvolle toeristen overheersen voor even alle andere stadsgeluiden.

Ik wandel mijn route in de Westelijke Eilanden, naar de Haarlemmerdijk. Twee blonde jochies op de step schieten mij op de stoep voorbij. Aan de overkant plaatst een te geblondeerde mevrouw een bord met een reclameleus over kortingen en je kansen grijpen voor haar winkel. Ze kijkt even schuin omhoog naar de hemel en houdt haar handpalm op om wat regen op te vangen. Ze knikt tevreden, ze denkt dat het miezerig regenbuitje snel ophoudt. Even verderop knikt de eigenaar, of werknemer van de dierenwinkel mijn vrolijk toe. Hij lapt de ramen van de winkel schoon en ik begroet hem net zo vrolijk terug met een welgemeende ‘Goedemorgen.’ Wanneer ik na een paar minuten aan het einde van de straat aankom en het Haarlemmerplein op loop, merk ik dat het inmiddels gestopt is met miezeren. Het zonnetje is voorzichtig gaan schijnen en ik loop over de Willemsbrug richting de Mirakelbrug. Daarachter ligt de Spaarndammerbuurt.

Angst

In een droomhuisje, overal ver vandaan, zat ik van de week, in de nacht met anderen een korte vakantie te vieren. Het was in een oud, nog net niet verwaarloosd, huisje. Bij aankomst zag ik dat er een klein zoldertje onder de dakpannen bevond, waarin een raam enig uitzicht naar buiten, over de akkerlanden, aanbood. Op de benedenverdieping bevond zich naast de deur, bekleed met vergeelde vitrages, een smal raam. Het zorgde niet voor een uitzicht, maar meer voor lichtval naar binnen.

Bij binnenkomst viel het me op dat het er binnen groter leek dan dat het er van buiten uitzag. Andere gasten renden door het hele huis om uit te vinden wat het beste vertrek was om de nacht door te brengen. Overal klonk gestommel van de gasten. Het rook er overdreven naar zeep, zoals het vroeger kon ruiken, maar dan in het kwadraat. Naast deze intense geur hing er ook een sinistere sfeer. Iets onheilspellend, en hierin stond ik niet alleen. De andere gasten ervoeren dit ook.

Eén van de gasten wist dit onheilspellend gevoel te versterken door ons een broodjeaapverhaal op te hangen over een oude schooljuf die hier honderden jaren geleden in het huis was overleden. Het lukte me nog net om niet met mijn ogen te rollen, want daarbovenop werd ons ook nog eens verteld dat de oude schooljuf tijdens een heksenjacht rond het jaar 1640 zakte voor een zogenaamde heksentest en uiteindelijk op een gruwelijke manier verdronk.

Hoe de heks in het huisje verdronken moet zijn, is iets wat naar mijn mening voor het gemak wordt vergeten. Reden voor mij om het verhaal over de schooljuf naar het rijk der fabelen te verwijzen. Dit gevoel werd nog eens bevestigd door de toevoeging dat de schoolgaande kindertjes van eeuwen geleden het hadden opgenomen voor de ter dood veroordeelde schooljuf, waarbij ze de plaatselijke bevolking eigenhandig hadden uitgemoord. Met primitieve wapens, zoals pijl en boog, werd er aan toegevoegd. Daarbij werd gemeld dat de kinderen van toen nu nog steeds in de omgeving ronddwalen.

Yeah right. Ik rolde uiteindelijk dus toch mijn ogen en met deze houding bleek ik het verhaal een beetje te bagatelliseren, want ineens kwam er een donkere rookwolk vanuit de openhaard tevoorschijn. De rookwolk leek lichtjes de gedaante van een gekromde vrouw aan te nemen, maar dat kan heel goed verbeelding zijn geweest. Op dat moment was dit erg overtuigend. Alle aanwezigen gilden. Ik nog nét niet. Nee, echt niet. De rookwolk vervormde in een vormloze rookpluim en vervaagde langzaam. Met het verdwijnen van de rook viel er een stilte.

Het leek er op dat hiermee het hoogtepunt van de urban legend tot zijn eind kwam. De zaken werden weer opgepakt zoals de vakantiezaken meestal worden opgepakt. Koffers werden naar binnen gesleurd en de kamers werden onder de gasten verdeeld. Nog voordat ik kon beslissen of ik het met de keuze van de kamerverdeling eens was, liep een van de gasten terug van het smalle raam naast de deur. ‘Moet je nu eens zien,’ zei ze met een angstige stem. Ik reageerde met een botte opmerking over de schranderheid van de persoon totdat ik zag wat zij zojuist had gezien. In de verte liepen honderden kinderen met pijlen en speren over de bevroren akkers naar het huisje. Hun intentie was niet goed. De angst sloeg me om het hart en met een beklemmend gevoel schrok ik wakker.

Het heeft vannacht nog even geduurd voordat ik weer in slaap viel.