Korte broek – Run 12

 

Het was vandaag uitzonderlijk voorjaarsachtig weer. Tenminste, die mening was ik toebedeeld. In de middag liet ik mijn collega’s al weten dat als het aan het einde van de dag nog steeds zo mooi weer zou zijn, ik in korte broek ging hardlopen. In de trein checkte ik nog even de buitentemperatuur van Almere en die hing tegen de 10° graden. Reden om in korte broek te gaan hardlopen.

In Almere, onderweg van het station naar huis, moest ik eerst nog even iets voor het avondeten halen bij de Amazing Oriental, waardoor ik iets later thuis aankwam en ik zelf druk creëerde om snel weet buiten te staan. Voor je het weet eindig je het hardlooprondje in het donker. Daarbij raakte ik dit keer geen kostbare tijd kwijt door ergerniswekkend gestoei met mijn running-tights. Geen worsteling bij het in mijn shorts stappen, en gaan!

Eenmaal buiten, compleet in mijn hardloopoutfit, opende ik de Spotify playlist en de hardloop-app. Het was heerlijk weer, zoals verwacht en met discoklanken bij de oren begon ik zonder blessurepijntjes aan mijn run. Mijn planning was 5 kilometers te hardlopen en met mijn ervaring met diverse runs in mijn stad, weet ik uit mijn hoofd welke route ik voor diverse afstanden kan kiezen.

De schemering trad halverwege mijn run toch al rap in, wat overigens weer een mooi gekleurde lucht opleverde. Het was weer fijn om in korte broek te lopen. Alleen aan mijn knieën voelde ik dat het idee van een korte broek misschien iets te enthousiast was geweest, maar na 5 kilometer en nog geen 25 minuten liep ik in rustig tempo de laatste meters naar huis toe. Ik hoop dat het overmorgen weer zo vriendelijk weer is.

Run 12.
Start: 17:42 uur.
Afstand: 5,04 kilometer.
Tijd: 0:24:16 uur.
Tempo: 04:48 per kilometer.
Calorieën: 547 cal.

img_1243

 

Run 11 – 2019

Gistermiddag, onderweg van mijn werk in Amsterdam-Zuid naar thuis in Almere-Stad, was het nog helder en mooi weer buiten. Ik besloot daar in de trein om bij thuiskomst meteen een rondje van 5 kilometer te gaan hardlopen. Het idee dat de tijd van het jaar is aangebroken om weer ‘s-avonds te kunnen hardlopen, vind ik heerlijk.

Zondag tijdens het hardlopen heb ik besloten het bloggen over hardlopen weer op te pakken, en daarom had ik me voorgenomen om tijdens dit elfde rondje van 2019 géén wandelpauze in te lassen (en daarbij ook de hardloop-app niet te pauzeren). Het blijkt dat het bijhouden van een hardloop-weblog als de figuurlijke stok achter de deur werkt. De sleutel tot genezing is de verplichting aan jezelf.

Of het te maken heeft met het uitsluiten van een wandelstukje tijdens het hardlopen (en het pauzeren van de hardloop-app), of dat ik graag voor het donker weer thuis wilde zijn, maar ik heb het rondje in een zeer snelle tijd gelopen. Een gemiddelde van 4:46 minuut per kilometer. Dit was me een jaar geleden niet gelukt, toen rende ik gemiddeld zowat 1 minuut langzamer. Niet dat het heel snel hardlopen een nieuw levensdoel is geworden, want ondanks dat ik vorig jaar minder snel liep, rende ik toen al met net zoveel plezier als ik de laatste tijd doe.

Run 11.
Start: 17:35 uur.
Afstand: 5,05 kilometer.
Tijd: 0:24:06 uur.
Tempo: 04:46 per kilometer.
Calorieën: 547 cal.

img_1145

Run #10 – 2019

Vanmorgen heb ik het tiende hardlooprondje van het jaar gedaan. Ik zit helaas net onder het gemiddelde van 2 runs per week. Dit mag ik wel even oppakken, want het is het minimale wat ik wekelijks wil lopen. Gelukkig blijft het langer licht, dus zal ik binnenkort na werktijd ook weer vaker kunnen hardlopen.

Ik was iets later dan normaal uit mijn bed gekomen, en ik kon mede hierom niet meteen de motivatie vinden om de hardloopschoenen aan te trekken. Dat het buiten regende heeft hierin ook meegeteld. Ik vind het deze (winter)maanden sowieso minder aantrekkelijk om mijn hardloopoutfit aan te trekken. In de zomer is het shirt en shorts aan, en gaan. Nu steek ik de benen in running-tights en raak dan tijd kwijt door alles op de juiste plek te krijgen voordat ik buiten sta. De ritsen in mijn tights willen bij de enkels nogal op zo’n manier draaien dat ze tijdens het hardlopen in mijn achillespees prikken. Hoogst irritant.

Tijdens het hardlopen dacht ik er aan dat ik het bloggen over hardlopen weer moet oppakken, want de laatste runs heb ik er een gewoonte van gemaakt om een wandelpauze van ± 1½ minuut in te lassen en dat moet ik gewoon niet meer doen. Wanneer ik in april weer een halve marathon wil gaan lopen, wil ik daar ook geen wandelpauze inplannen, ondanks dat het bijna geen invloed heeft op mijn snelheid (omdat ik tijdens het wandelen mijn hardloop-app op pauze zet). Na een een pauze van ruim 1 jaar, pak ik hier de boel weer op. Berichten over de voortgang van mijn hardlooprondjes en het opbouwen van het aantal kilometer. En het minderen van wandelpauzes.

Sinds ± 2 maanden loop ik weer ‘ouderwets’ in mijn vertrouwde tempo van onder de 5 minuten per kilometer, met hier en daar een uitschieter. Zoals vandaag. Het is met mijn verjaardag (12 december) voor het laatst geweest dat het tempo (het gemiddelde) boven de 5 minuten per kilometer is geweest.

Run 10.
Start: 09:23 uur.
Afstand: 5,57 kilometer.
Tijd: 0:26:51 uur.
Tempo: 04:49 per kilometer.
Calorieën: 605 cal.

img_1079-1

Vakantieganger

Bij mij in de buurt woont meneer de Jong. Hij is een oudere man van in de zeventig en is zijn leven lang al vrijgezel. Daarnaast is meneer de Jong een enthousiast reiziger. Hij heeft al heel veel van de wereld gezien. De mensen in zijn omgeving denken daar misschien anders over, want meneer weet je de meest schitterende verhalen nauwgezet te vertellen. Over zijn vele trips naar iedere uithoek van de wereld, maar foto’s kan hij je niet laten zien. Wil je iets weten over het eiland Tristan da Cunha, het meest afgelegen eiland van de wereld, dan kan hij daar levendig over vertellen. Dat het eiland in het jaar 1506 door de Portugezen is ontdekt en dat er tegenwoordig iets minder dan 300 mensen wonen, allemaal agrariërs.

Wanneer je aan meneer vraagt over zijn trips náár de diverse wereldbestemmingen, het reizen, het onderweg zijn zelf, dan blijft hij stil. Hij gaat je nooit vertellen over de vertragingen of het uitvallen van vliegtuigvluchten. Dit kan hij je ook niet vertellen, omdat meneer zijn verschillende reizen alleen in gedachten heeft gedaan. Overal waar hij is geweest, alle trips naar de diverse windstreken, hebben alleen in zijn hoofd plaatsgevonden. De buitengewone verhalen omtrent zijn trip naar Kersteiland ten spijt, is meneer de Jong er nooit geweest. Het omvangrijke detail over de tocht van de rode krabben was geloofwaardig, maar het was hem via de tv doorgegeven

Ooit, iets van 30 jaar geleden, heeft meneer een feitelijke vakantietrip ondernomen. Een rondreis door Scandinavië. Meneer wilde graag per bus door Noorwegen, Zweden en Finland reizen. Dit was geen succes. De bus was niet comfortabel, de omgang met de andere reizigers van het reisgezelschap lag hem niet en de verplichte fotostops ten spijt, heeft hij maar een paar tastbare herinneringen aan deze trip overgehouden. Toegegeven, het meemaken van de middernachtzon was een hoogtepunt voor hem, maar via foto’s of op de tv had hij deze op zijn gemak kunnen zien, zonder het lastigvallen door omstanders. Sindsdien is hij genezen van het reizen en boekt hij alleen nog reserveringen bij de bibliotheek.

De omgeving van meneer -zijn vrienden en familie, vinden het niet erg dat meneer zijn vakanties alleen in zijn hoofd meemaakt. Hij vertelt ze beeldend en onderhoudend, en niemand hoeft op zijn 5 katten te passen. Alleen maar voordelen. Sinds het internet is de wereld kleiner geworden. Meneer maakt vaker en meer reizen in een korte periode. Waar anderen een maand doen over een trip naar Azië, heeft meneer diverse continenten in een paar weken bezocht. Zijn zogenaamde trip met de Transsiberië Express van begin vorig jaar is bij velen nog favoriet. Wanneer je meneer er naar vraagt, vertelt hij je kleurrijk over het Rode Plein in Moskou en luister je geboeid over de kraanvogels en kamelen op de uitgestrekte vlaktes van Mongolië. Eigenlijk hoeft je niet meer te reizen wanneer je de avonturen van meneer aanhoort.

Nu is meneer de Jong de laatste weken minder spraakzaam. Soms is hij gewoon afwezig. Meneer deelt niet meer zo vaak zijn reizenverhalen met ons. Niet zo vreemd. Zijn bezoekjes aan de bibliotheek blijven uit, net als zijn televisie. Meneer de Jong is vaak moe. Af en toe denkt hij nog aan een reis, en soms aan een laatste. Voorlopig is het zo ver nog niet en ik wil er niet aan denken. Over zijn laatste reis zullen we geen geweldige verhalen horen.

Ontmoeting

De jongeman stapte bij Haarlem de treincoupé binnen, en wat de oudere man meteen opviel waren zijn lange, in kapotte jeans gestoken, benen. Hij sloot zijn boek en keek even op. De jongeman nam tegenover hem plaats en plaatste zijn rugtas op de zitplaats naast hem. Hij was mooi. Een kop met krullen en een perfect gezicht. Het klassieke uiterlijk leek te zijn gebeeldhouwd uit marmer, waarbij een litteken, misschien per ongeluk of juist bewust door de beeldhouwer, op een van de jukbeenderen was achtergebleven. Het maakte het gezicht af en de blauwe ogen keken de man tegenover hem heel even aan. Vervolgens haalde hij een boek uit zijn rugzak en begon erin te lezen. Het boek, “A Brief History of Time” van Stephen Hawking, werden door de slanke handen gedragen. De oudere man raakte sterk geïntrigeerd in de reiziger tegenover hem. De aantrekkelijke jongeman, in het bezit van volmaakte schoonheid, en toch ook met eenzelfde interesse als hij. Een gelijk boek dat in zijn schoot lag.

De jongeman verplaatste zich op zijn plek en ging wijdbeens zitten. Hij keek even naar buiten naar het voorbijgaande landschap en voordat hij weer verder ging met het bladeren door zijn boek, keek hij even naar de oudere man tegenover hem. Snel keek hij weg, maar de glimlach bleef op zijn gezicht staan terwijl hij een paar bladzijden omsloeg. Het uiterlijk van deze man tegenover hem had een bijzondere aantrekkingskracht op hem. Het was misschien die scheve glimlach, maar zeker de bijzonder donkerbruine ogen, die hem even doordringend hadden aangekeken. Daarbij was de iets te jeugdige kledingkeuze voor een man van zijn leeftijd, ook wat hem in de man aantrok. Een rode hoodie, een spijkerjack en felrode gympen aan zijn voeten. Opgelaten wilde hij wegkijken, maar zijn blik bleef op de schoot van de man gericht. De oude handen rustten op een boek van Stephen Hawking, hetzelfde exemplaar dat hij in zijn handen had.

De oudere man stak zijn hand uit en stelde zich voor als Yannick. Hij vertelde dat hij het boek “A Brief History of Time” meer dan eens had gelezen. In meerdere talen ook. De jonge man ging rechtop zitten, sloot zijn boek en lachte even hardop om de licht arrogante opmerking en hoopte dat de man niet dacht dat hij hem uitlachte om het accent van Yannick. Snel beantwoorde hij de begroeting met een stevig handdruk en stelde zich voor als Kevin. Het boek dat hij had aangeschaft was uit pure nieuwsgierigheid en hij had de hoop het boek ooit uit te kunnen lezen, waarop Yannick aangaf dat wanneer Kevin meer informatie of achtergrond wilde met betrekking tot de inhoud van het boek, hij hem het een en ander met alle plezier uit wilde leggen. Kevin vond dit voorstel en de man leuk.

‘Doe je iedereen een soort gelijk voorstel in het bezit van een boek van Stephen Hawking?’ vroeg hij enigszins uitdagend.
Yannick lachte breeduit. ‘Nee. Dit is eerste keer dat ik een persoon in de trein tegenkom met dit boek,’ zei hij met het licht Frans accent.
Kevin reageerde hierop. ‘Ik lees het boek niet voor school ofzo, maar als je mij het een en ander meer over dit boek kan vertellen, dan hou ik me zeker aanbevolen.’
‘Geen probleem,’ reageerde Yannick. ‘Zal ik jou mijn telefoonnummer geven, of tot waar reis je? Ik stap uit in Amsterdam Centraal, misschien kan ik je bij een kop koffie alvast het een en ander vertellen over het boek.’
‘Ik reis tot Amsterdam Centraal,’ zei Kevin gespannen. ‘Maar ik wil je mijn telefoonnummer best geven, er is een grote kans dat ik je later vast wel meer wil vragen.’
Beide mannen raakten in gesprek over de oerknal, zwarte gaten en het leven van Stephen Hawking. Tussendoor wisselden ze telefoonnummers, en adresgegevens uit.

Aangekomen op Amsterdam Centraal stelde Kevin voor dat ze eerst nog wel koffie konden drinken, hij had nog geen zin om afscheid te nemen. Yannick vond het een goed idee en na het verlaten van de trein liepen ze met zijn tweeën naar het Grand Café op hetzelfde perron.

Stop That Train

Sneeuwval. Het vallen van sneeuw gebeurt vaak en overal. Zo was het laatst nog in het nieuws dat er zeldzame sneeuwbuien vielen in de woestijn van het Saguaro National Park in Arizona, één van de Amerikaanse staten van Amerika. Wanneer het hier in Nederland sneeuwt is het ook meteen nieuwswaardig. Niet omdat de sneeuw zo bijzonder is, maar omdat wij niet met sneeuw kunnen omgaan. Als kinderen kunnen we dat juist wel. Ik heb het dan over sleerijden, sneeuwpoppen maken en het houden van sneeuwbalgevechten.

Nederlanders zijn bij het melden van waarschuwingen voor extreem weer in twee groepen in te delen. Je hebt een groep die zich door niets laat weerhouden en zelfs bij windkracht 11 nog op de fiets boodschappen gaat doen, en je hebt een groep die bij hevige regenval meteen thuis blijft en daarbij meteen alle ramen en deuren in de woonwijk willen barricaderen. Het is het een of het ander. Hoe dan ook: beide groepen weten altijd te zaniken over het advies. Of het is overdreven, of het is niet duidelijk genoeg.

De Nederlandse Spoorwegen nam laatst het zekere voor het onzekere en besloot minder treinen in te zetten, nadat het KNMI code geel had uitgegeven. Dit werkte goed. Of dat door dit besluit van de NS kwam of omdat er bijna geen sneeuw is gevallen, is niet echt duidelijk geworden. Ik ben in ieder geval blij dat ik zonder een omweg of een te lange vertraging van thuis naar het werk (en andersom) kon afreizen. Dat men door mindere inzet van de treinen in een overvolle trein moet reizen, dat neem je dan maar op de koop toe. Je wilt toch meereizen. Ik vind het wel gezellig zo tussen de verschillende mensen te forenzen.

Wederom zijn de Nederlanders ook tijdens deze dagen op het spoor in twee groepen in te delen. De partij die het allemaal prima vindt om geïmproviseerd te reizen (zolang zij maar naar Netflix op het scherm van hun mobiel kunnen kijken) en de andere partij die humeurig, bijna nijdig, in de trein stapt (zij die iedereen beschuldigend aankijken). Emoties zijn er op momenten als deze in overvloed! Zo ook bij de conducteur die laatst zijn geërgerde mening via de intercom aan de reizigers moest delen.

‘Dit is een bericht voor de reiziger die zojuist op station Duivendrecht op het allerlaatste moment de trein binnen sprong. Dit was heel erg gevaarlijk. Ook voor jezelf,’ zei hij geïrriteerd. Daarbij liet hij een dramatische pauze vallen. Alle reizigers in de trein waren bijna verheugd en zeker nieuwsgierig naar de vergelding die hierop zou volgen, maar de conducteur eindigde zijn mededeling via de intercom met de boodschap: ‘Niet meer doen hè!’

On And On And On

Ik zit in een redelijk volle trein richting thuis. Het is koud buiten en de verwarming in de trein blaast hete lucht rond mijn enkels. Hierdoor kom ik weer aangenaam op temperatuur. Nadat de brandblaren in mijn sokken zijn opgekomen. Buiten is het gelukkig nog schemerig, en dit is voor mij een teken dat het voorjaar er aankomt. Het is een beetje overdreven positief, maar ik word er blij van. Glimlachend kijk ik naar de ondergaande zon.

Op station Duivendrecht stopt de trein en nadat er enkele passagiers de trein verlaten, stappen er ook weer een paar reizigers in de trein. Een geestelijk afwezige reiziger komt er achter dat dit zijn eindstation is, en loopt tegen de inkomende passagiers in. Tegenover mij gaat een oudere man zitten, van mijn leeftijd. Zo oud nu ook weer niet. Ik kijk weer op het scherm van mijn telefoon. Ik voel dat er naar mij gekeken wordt, en wanneer ik van mijn scherm opkijk, kijkt de man tegenover mij aandachtig aan.

‘Dray! Dray Bosma?’ Vragend wordt mijn naam genoemd.
In een fractie van een milliseconde schieten er tientalle namen door mijn hoofd. Driftig gaan mijn gedachten mijn verleden af. Wie is deze man?
‘Dray, ik ben het. Evert!’
Mijn hersenen zoeken in mijn geschiedenis en al snel is het in mijn bovenkamer senang. Ik hoef niet langer na te denken. Het is Evert. Een oud-collega van meer dan 10 jaar geleden.
‘Hallo Evert,’ zeg ik. ‘Hoe gaat het?’
Evert leunt achterover en gaat er even voor zitten. “Ja, het gaat lekker man! Het leven is goed. Ik heb een goede baan,’ zegt hij. ‘Verdient hartstikke goed!’

Ik bedwing mijn ogen het rollen in de kassen. Weer zo’n type die het belangrijk vind om met de hoge lonen rond te strooien, denk ik. Grappig ook, dat het noemen van het exacte te ontvangen salaris altijd achterwege blijft. Hoogstwaarschijnlijk bang dat ze door een andere aanhoorder overruled worden. Semi-geïnteresseerd kijk ik naar mijn oud-collega terwijl hij doorgaat over zijn goede en geslaagde leven. Geen moment vraagt hij mij hoe het leven is vergaan, maar dat vind ik prima.

Ik luister niet meer naar het eenrichtingsgesprek en denk terug aan de tijd dat Evert mijn collega was. Het verbaast me dat ik me helemaal niet zo veel meer kan herinneren van Evert. Het gesprek sterft een beetje af. Een man met een grijze Inca-muts op zijn hoofd en met open laptop in de handen loopt door de coupé en staat vervolgens bij ons stil.
‘Hoi Evert! Alles goed, man?’ groet de man met in Inca-muts. De man is mij onbekend, maar duidelijk een bekende van Evert.
‘Hey gast. Hier is alles flex,’ zegt mijn oud-collega.
Ik grinnik om de woorden ‘alles flex’ en ik vraag me af of ik ook bij het flex-gebeuren behoor, of betreft het juist de Inca-muts, die zo alles flex is? Evert en zijn gast, die Henry heet, raken in gesprek.

Ik weet niet wanneer ze elkaar voor het laatst hebben gesproken, maar er wordt flink met goede en vette salarissen in het gesprek gestrooid. Het gaat maar door. Zonder bedragen te noemen, natuurlijk. Ik haak langzaam af en kijk quasi-geïnteresseerd naar het scherm van mijn telefoon. Evert en gast zijn nog steeds in gesprek. Ze praten met kernwoorden die ze -ik weet het bijna zeker- in een training op het werk hebben opgestoken, en wanneer de trein later Almere inrijdt ben ik met mijn gedachten bij het avondeten.

Bicycle Race

Mijn fiets en ik hebben een vreemde relatie. Sinds ik haar in september naar Amsterdam heb verhuisd is het eigenlijk niet meer goedgekomen. Ik merkte het toen mijn fiets me dwarszat door constant haar ketting van de tandwielen te werpen en ook mijn zadel constant doorweekt achterliet. Inmiddels berijd ik haar constant met plastic protectie op het zadel en zorg ik er voor dat wanneer ik de stoep op- of afrijd de pedalen in constante beweging zijn, anders wordt de fietsketting geheid van de tandwielen geworpen.
Ik heb haar nog wel even onder controle, maar het is duidelijk een race tegen de tijd. Door haar opstandig gedrag heb ik haar kettingkast meer dan eens moeten openen, waardoor deze er inmiddels zeer gehavend uitziet. Ik ben van mening dat het de fiets wel enig karakter geeft, maar meer dan eens wordt haar de beschrijving ‘oud barrel’ toegeschreven. Mij doet het niet zoveel, maar ik kan vanzelfsprekend niet spreken voor mijn fiets.
Sinds afgelopen week, toen het zo stormachtig weer was, is haar geplastificeerde canvaskettingkast door de stevige wind kapot gewaaid. Hierdoor werd er bij iedere draaiing van de trappers een kapotte lap van de kettingkast tegen mijn rechtervoet aangeslagen. Om haar voor verdere aftakeling, èn van beschimpingen en bijnamen te behoeden, heb ik met chirurgische precisie die losse lap van het nep-canvas met een kniptangetje verwijderd. Thuis had ik al een kniptang in mijn rugtas gestoken, want met een doorsnee huis-tuin-en-keuken-schaar lukte mij dit eerder niet.
Nu verplaatsen we ons samen weer blij door Amsterdam, van het metrostation naar het werk. En omgekeerd, maar de ketting houd ik nog steeds in de gaten, want een fiets moet je nooit vertrouwen. Mijn fiets heeft, voor je er erg in hebt, zo haar ketting weer van haar tandwielen afgeworpen. Maar vooralsnog gaat ze vreugdevol met mij mee, met haar stoere, gifgroene fietsbel. Voorlopig. We kunnen beiden dan wel in ontkenning leven, maar de mooiste jaren van mijn fiets liggen achter ons. Zo is de rek inmiddels wel uit haar snelbinders en haar twee bandjes staan ook niet meer zo strak als voorheen.

 

Voornemens

Een heel nieuw jaar staat er sinds een paar dagen voor ons klaar. Net als ieder jaar. Meer dan 360 dagen en nog meer kansen zijn ons deel. Ik heb voor mijzelf niet zo veel goede voornemens in het verschiet, want deze uitspraken zie ik meer als ideeën die toch bijna nooit worden uitgevoerd of enorm lang worden volgehouden. Ik doe nu wel sinds een paar dagen, per 1 januari mee met de actie ikpas. Een maand lang doorbrengen zonder alcoholische versnaperingen. Dertig dagen is nog overzichtelijk en een maand zonder wijn, whiskey of bier moet mij toch wel lukken?

Maar met dit ‘goede voornemen’ vind ik het wel genoeg. Ik kan nu wel kwelen dat ik in augustus zo’n 8 kilo minder wil wegen, maar daar kan ik nu niets zinnigs over zeggen. Mijn vader zei over het ver vooruitplannen altijd: ‘Tegen die tijd kan ik wel een geitenkop hebben,’ en zo is het. Pa Bosma was daarin heerlijk nuchter. Nuchter en recht-door-zee. En ongeduldig. Heel ongeduldig. Hij was, zoals ze het in Den Helder zeggen, een rissige man. Druk en gehaast bezig. Wanneer mijn moeder ooit op een ochtend opperde dat een slaapkamer wel nieuw behang kon gebruiken, dan waren de muren van de slaapkamer rond lunchtijd alweer voorzien van een fris behangetje. Zo was Pa Bosma.

Pa Bosma kon niet stilzitten. Ook niet bij het kijken naar vriendschappelijke voetbalwedstrijd bij Studio Sport. Altijd wel door iets kleins. Als kind van een altijd bedrijvige vader weet je niet beter. Als mijn vader thuis even niets te doen had, dan zat hij op zijn volkstuin. Daar heeft hij heel wat uren van zijn leven gesleten. Op zijn tuin was hij in zijn element en kon hij doen wat hij zelf wilde, zonder dat iemand tegen hem zei: ‘Doe eens rustig aan, joh!’ Iedere lente, wanneer de vorst in de grond net verdwenen was, had hij al de hele volkstuin omgespit. Klaar om te zaaien voor een overdadige oogst in het nieuwe jaar.

Ik ben niet zoals mijn Pa Bosma was, maar soms is het niet verkeerd om ‘in de geest van mijn vader’ de zaken meteen aan te pakken en tot uitvoering te brengen. Zo heb ik van de week het voornemen die ik al jaren had, omgezet tot een actie. Het plan om de stad Parijs weer eens te bezoeken. Ik heb het jarenlang uitgesteld. Het boeken van een trip bleef maar uit, er zijn altijd excuses om iets niet te doen. Tot een paar dagen geleden. Aanstaande lente rijd ik samen met Edo naar de hoofdstad van Frankrijk. Een collega van mij (elle est française de Paris) heeft een overzicht beloofd met bezienswaardigheden die de Parijzenaren zelf graag bezoeken. Ik heb er zin in. Ontdekkingsreiziger Abel Tasman zei -geloof ik- ooit eens: ‘Een voornemen is leuk, maar het uitstippelen van een reis is leuker.’?

Oudejaarsavond 1970

We zijn aangekomen aan het einde van het jaar en we worden weer overspoeld door diverse overzichten. Er zijn mensen op social media, die terugblikken over de afgelopen 12 maanden. Ik denk dan altijd: Het jaar is nog niet om. Er kan in die laatste dagen van het jaar nog van álles gebeuren. Je moet dag niet prijzen voordat de avond gevallen is. Pas op 1 januari 2019 wil ik terugblikken over het jaar 2018. En misschien dan ook nog niet eens.

De eerste keer dat ik me bewust was van Oudejaarsavond, moet 31 december 1970 zijn geweest. Dit was dan in de Cornelis Riekelsstraat –waar ik ook ter wereld kwam- in de toen nog bijna 5 jaar oude woonwijk, De Schooten, van Den Helder. Ik kan me herinneren dat ik, als kleuter op Oudejaarsavond van dat jaar eerst in de avond naar bed moest. Ik was te jong om de hele avond op te blijven. Ja, het moet wel in 1970 zijn geweest, want ik was net 4 jaar oud geworden. Jonger zal ik niet geweest zijn, want als ik ouder was geweest, had ik meer kunnen herinneren.

Ik denk me nu te herinneren dat familie uit Friesland op visite was, maar of dat tante Klaske en oom Simon uit Sneek waren of tante Jo en oom Hampie uit Heerenveen, dat weet ik niet meer. Als ik er nog eens over denk, kan het ook zo zijn dat het de buren van nummer 20, buurman Maarten en buurvrouw Nettie, waren., en als dit zo was, dan waren vanzelfsprekend ook tante Bets en oom Gijs uit de Klaas Castercomstraat, een straat verderop aanwezig. Zij waren niet echt tante en oom, maar het was gebruikelijk om kennissen en vrienden van je ouders als familieleden aan te spreken. Mijn moeder en ‘tante’ Bets waren destijds beste vriendinnen, die de grootste lol met elkaar hadden in die jaren. Denk ik.

Rond half twaalf zal ik door mijn moeder of door mijn oudere zussen zijn wakker gemaakt om de jaarwisseling en het vuurwerk te mogen meemaken. Ik weet niet of het kwam door de spanning van het moment of dat ik op gewoon nodig moest, maar in de badkamer ontsnapte er een drol, ter grootte van een kroket, al rollend over de badkamervloer. Mijn zussen gilden in afschuw naar beneden, waar mijn vader, in gepaste dronkenschap de trap op kwam rennen. Geamuseerd bewonderde hij mijn kunstje. “Draytje kroket!”, riep mijn vader lachend. Verder kan ik me niets meer van deze Oudejaarsavond herinneren, maar de door mijn vader te enthousiast uitgeroepen bijnaam heb ik nog heel lang mogen aanhoren.

Oh Dennenboom 🎶

In een land hier ver vandaan, in de buurt van de poolcirkel, staat een grote groep sparrenbomen als onderdeel van een enorm groot bos. Deze bomengroep is de familie Pinaceae, met aan kop van de familie een oude reuzenboom en zijn directe nageslacht. Deze bestaat uit honderden sparren. Eén van deze jongere generatie bomen, de 15 jaar jonge Danny, staat eenzaam tussen de andere bomen. Eenzaam om zijn bijzondere karakter.

Danny is ook een buitengewoon sparrenboompje. Waar alle andere sparren dagenlang kunnen sparren en uren lang kunnen bomen over hoe zij -in tegenstelling tot de andere bomenfamilies in het bos, wel het hele jaar groen blijven, is Danny altijd stil. Hij is daarom vaak mikpunt van spot. Danny is altijd ergens anders met zijn gedachten. Voor de andere bomen in het bos is hij altijd afwezig. In de gedachten van Danny leeft hij in zijn eigen wereld.

In deze wereld van Danny is hij geen spar. In zijn wereld beleeft hij zijn droom en voelt hij zich een dennenboom. Waar Danny is, bestaat geen sneeuw en is er geen koude wereld. Hier mag hij zijn die hij wenst te zijn. Hier mag hij zeggen wat hij denkt, zonder uitgelachen te worden. In deze zelfgecreëerde droomwereld vindt niemand hem anders. Of abnormaal. In die gelukkige wereld is Danny doodgewoon.
Danny verlangt er naar opvallend onopvallend te zijn. Dan is hij voor de anderen in het bos geen uitzonderlijk type meer. Dan is hij geen uitzonderlijke boom, maar onderdeel van het bos. In de kille werkelijkheid ziet het woud hem toch als een uitzonderlijke boom. Een naaldboom die niet past tussen de andere sparren. Het komt voor niemand als een verrassing wanneer er begin december is besloten wat ze met Danny gaan doen.

Tijdens het jaarlijks familieberaad over wie als kerstboom in de brute mensenwereld mag optreden heeft de familie Pinaceae al snel beslist dat Danny, nu hij 15 jaar oud is, geofferd mag worden. Danny krijgt niets van dit besluit mee. Ondanks de koude om heen, droomt hij dat hij is omringd door warmte en liefde. Als uiteindelijk halverwege de maand, de grote dag aanbreekt en de kerstelfjes in het bos tussen de sparrenbomen staan, is het snelle afscheid van Danny al snel verleden tijd.

Danny weet niet wat hem overkomt. Met geweld wordt hij van de plek verwijderd waar hij al 15 jaar heeft staan wortel schieten. Hij komt los van de grond en in horizontale toestand wordt hij vervoerd naar een andere plek. De zwaartekracht doet rare dingen met zijn geest en wanneer hij met een klap op de laadbak van een truck terechtkomt, verliest hij het bewustzijn. Hij merkt niet dat hij kilometers ver wordt vervoerd.

Wanneer Danny langzaam bijkomt voelt hij dat het leven uit hem wegzakt. De stam waarop hij jarenlang heeft gestaan doet zeer, maar wanneer hij om zich heen kijkt, ziet hij dat hij daar is waarvan hij altijd heeft gedroomd. Hij is versiert met zilveren ornamenten en er hangen slingers tussen zijn takken. Hij begint nog meer te stralen wanneer hij bemerkt dat er een paar strengen van lichtjes zijn naalden laten glimmen.

De jonge Danny ervaart eindelijk geluk. Ondanks dat het leven langzaam uit hem stroomt, is het toch goed. Danny is geworden waar hij al jarenlang naar verlangde. De spar is eindelijk de dennenboom van zijn droom geworden. Het kan hem niets schelen dat hij binnenkort zijn naalden zal verliezen, en niet kort daarna het leven. Wanneer Danny straks in januari buiten wordt gezet en de stam en takken met hars zijn bedekt, dan zijn deze harstranen ook tranen van geluk.

Virus

Ik ben niet vaak ziek. Regelmatig ontspring ik de dans bij griepepidemieën, maar dat lukt niet altijd. Soms heb je iets onder de leden en wanneer dat moment zich voordoet wil ik alleen maar slapen. Ik ben van mening dat slapen het beste medicijn is. Tenminste voor griepachtige kwalen. Bij een schaafwond kan je een gat in de dag slapen, maar dat helpt niets aan een snel herstel van de wond. Ik kan het weten, ik heb het geprobeerd. Maar slapen bij een griepje werkt voor mij hartstikke goed. Vergeet de paracetamol. Slaap is alles wat ik nodig heb.

Of ik het leuk vind? Ziek zijn vind ik nooit leuk. Wanneer ik met een zwak gestel in bed lig, weet ik dat ik een demonenstrijd aan moet gaan. Waandromen of waanideeën houden me bezig. Gargouille-achtige wezens houden me uit mijn slaap. Honend proberen ze me wakker te houden en wanneer ik ze wil ontwijken door me op een andere zijde om te draaien, meldt zich een anders duivels beest. Op hoge poten en met een onooglijk gezicht lacht deze me waanzinnig uit. Ook proberen ze me aan het schrikken te maken door ineens vlak voor mijn gezicht op te duiken. In your face, zeg maar.

Ook wanneer ik ziek in bed lig, ben ik bewust van de onechtheid van deze storende demonen. Ik ben duidelijk niet goedgelovig. Zelfs niet wanneer ik helemaal helder kan denken. Ik probeer altijd een verklaring voor de dingen te vinden. Ook wanneer een nieuwe kwelgeest zich meldt. Voor mij staan deze waandromen gelijk aan het lichamelijk bestrijden van de ziektekiemen. Er bevindt zich een gevecht in mijn lichaam tussen de bacillen en het afweersysteem en dat uit zich door deze krankzinnige beelden in mijn hoofd te creëren.

Nadat ik een dagdeel heb liggen slapen, waarin de meest absurde dromen zijn voorbijgegaan, voel ik me altijd wel iets beter. Vast ritueel is inmiddels dat ik uit mijn bed ga om iets lichts te eten. Mijn lichaam heeft dat beetje energie nodig en wanneer ik dan weer terug in bed lig en mijn ogen sluit, melden de idiote dromen zich. Dan word ik geacht de meest onmogelijke handelingen uit te voeren, altijd steevast gehinderd door diverse demonen die mij nog niet los kunnen laten. Wanneer ik na enkele uren weer wakker wordt, voel ik me weer goed.

Vandaag ben ik alweer een flink aantal dagen hersteld. Ik voel me energiek en de kwelgeesten zijn inmiddels een vage herinnering geworden.

Dag Sinterklaasje

Op de vooravond van zijn vertrek, terug naar Spanje, heeft Sinterklaas even tijd voor een kort gesprek met mij. We ontmoeten elkaar op Schiphol. De terugreis naar het zuiden van Europa, waar hij de overige maanden van het jaar woont, zal niet per stoomboot gaan. Sinterklaas ziet er moe uit. De afgelopen weken waren vermoeiend voor de bisschop, maar wel succesvol. De winkels haalden de afgelopen weken een ruime omzet van 340 miljoen euro. Dat is niet verkeerd voor een man die bijna 1.740 jaar oud is.

Lieve Sinterklaas, uw bezoek aan Nederland dit jaar was zeer succesvol. De winkels  draaiden een recordomzet van miljoenen euro’s en zelfs op pakjesavond scoort u hoog. Op televisie, qua kijkcijfers. U bent ongekend populair.
‘Ja, ik sta er ook van te kijken. De afgelopen jaren zijn mijn bezoekjes steeds zwaarder. Ik word er tenslotte niet jonger op, en die onuitputtelijke discussie over het uiterlijk van mijn personeelsleden doen mij af en toe twijfelen of ik nog wel aan die rompslomp van het reizen naar Nederland moet beginnen.’

Maar u kom volgend jaar november toch wel weer naar Nederland?
‘Jazeker. Zolang mijn gezondheid mij niet in de weg zit ben ik van de partij. Daarbij sta ik er al honderden jaren om bekend dat ik vergevingsgezind ben. Dat sla je er niet zo maar uit met een aanhoudende discussie. Daarbij vraag ik u, heeft u de kindergezichtjes gezien, wanneer zij mij weer in Nederland zien? Heerlijk! Daar doe je het toch voor?’

Inderdaad. Kunt u uw eerste jaar als goedheiligman herinneren?
‘Ik kan het me natuurlijk niet meer precies herinneren. Ik leef nu langer in de jaren van mijn dood, dan dat ik ooit op deze wereld heb geleefd. Maar honderden jaren geleden wanneer vrouwen niet in staat waren om te trouwen, waren ze gedoemd om als slaaf voort te leven. Op een gegeven moment ben ik begonnen met het uitdelen van bruidsschatten. Ik gooide zakjes geld door de ramen van woningen. Men heeft een specifiek voorval onthouden. Het moment dat het geld bij een gezin in de schoenen, die hij de haard stonden, terechtkwamen. Zo is het idee ontstaan dat schoenen bij de haard gezet moeten worden, om zo mijn geschenken te kunnen ontvangen.’

Er is de jaren enorm veel veranderd. Wat valt u het meeste op wanneer u weer in Nederland bent?
‘De mensen zijn de laatste jaren enorm snel op de tenen getrapt. Als we het ergens niet mee eens zijn, zijn we ook meteen beledigd. Of het nu over het uiterlijk van Piet gaat, die overigens ook niet altijd zwart is geweest, of over het percentage vrouwen in de Top 2000 van dit jaar. Mensen hebben te veel vrije tijd. En dan heb je nog de mensen die alles aanpakken om hun agressie te uiten. Relschoppers die tegenwoordig iedere demonstratie gebruiken om vooral onrust te stoken. Wie gaat er demonstreren met wapens op zak? Wat dat betreft, lijken we weer op de mensen van zo’n 1.000 jaar geleden. Ongeletterde bollebozen, zijn het.’

Nogal een gewaagde uitspraak van Sinterklaas. Wat als straks iedereen, ook de ongeletterde bollebozen, niet meer in u geloven?
‘Ach, weet u wat het is? Wanneer je zo oud bent als ik, maak je je niet meer zo om wat er allemaal gaande is. Het klinkt misschien arrogant, maar ik weet dat ik een geliefd persoon blijf.’

Kunt u dat uitleggen?
‘Ik ben namelijk een fantastisch excuus. Voor de mensen in Nederland. Dankzij mij kunnen zij zichzelf schaamteloos verwennen. Dit jaar hebben de winkels een ruime omzet van 340 miljoen euro gehaald. Zo veel geld wordt er nooit opgehaald voor welk goed doel dan ook. De kans is enorm groot dat ik volgend jaar november gewoon weer van de partij ben.’

Te Ver, een Kronkel

Onderstaande tekst (Kronkel) is van de hand van Simon Carmiggelt. Het is gepubliceerd op 18 november 1963. Het had ook vandaag in de krant kunnen staan.

“Uit een ingezonden stuk in de Volkskrant verneem ik dat Godfried Bomans, in een artikeltje over de heer Ras die, geloof ik, voortaan een witte Piet wil, te ver gegaan.
Dat is niet zo mooi.
Hij was onlangs, op het Grand Gala in het Kurhaus, óók al te ver gegaan. En nu wéér. Een bedenkelijk snelle recidive. Als er geen verbetering intreedt, gaat het slecht aflopen met deze arbeidzame jongen. En niet alleen met hem. Want wat deed Mies Bouwman? Zie de bladen: zij is te ver gegaan. En dat, terwijl Wim Sonneveld nog maar kort te voren ook te ver was gegaan. U ziet hoe het om zich heen grijpt. Ze doen maar. Ze gaan maar te ver. ’t kan me niets meer verdommen,geloof ik. Alleen Wim Kan is nog niet te ver gegaan. Maar dat komt, omdat hij nooit voor de televisie optreedt, doch in zalen. Daar gaat hij al jaren elke avond te ver, maar het publiek dat betaald heeft om hem te horen, vindt dat juist zo leuk. Ze gaan vrolijk mee. Toe maar, ’t kan niet ver genoeg wezen.
Maar bij de televisie kan dat niet.
O neen.
Iemand die voor de televisie puntig of satirisch waagt te zijn, verkeert ongeveer in de positie van een dromer, die in het uitverkochte stadion voor de microfoon treedt en een vers van Baudelaire voordraagt, terwijl hij gevoegelijk kan aannemen dat honderd van de zestigduizend aanwezigen Frans verstaan en vijftien van de honderd het vers begrijpen.
Wat gebeurt er met zo’n man?
Hij krijgt negenenvijftigduizend negenhonderdvijfentachtig kussentjes naar zijn hoofd.
Allicht.
Hij is te ver gegaan.
Hoewel je bij televisie gemakkelijk te ver gaat, gebeurt het toch niet iedere avond, Nee hoor. Ik draai herhaaldelijk om elf uur, na het laatste nieuws de knop om met gedachte: Zo, er is vanavond niemand te ver gegaan.
Ze zijn allemaal lekker dicht bij huis gebleven. Vlak bij de clivia. Vlak bij het kopje thee met het boterbiesje, Vlak bij pa, die alles ‘waardeloos’ vindt,als ’t geen kopbal is, die zit. Vlak bij ma, die pas opbloeit bij ‘Adieu mein kleiner Gardeoffizier’. Vlak bij Fred en Mientje die, met hun rug naar Bussum,hun huiswerk maken. Vlak bij het gemiddelde Hollandse binnenhuisje, waar men tevreden is op een wat ontevreden manier.
In een krant kun je ook wel te ver gaan.
Ik heb het herhaaldelijk gedaan.
Het is heel makkelijk.
Als ik een stukje schrijf over een kind, dat een schilderij van het laatste avondmaal ziet en zegt: ‘Die met het kadetje in zijn hand is Onze Lieve Heer,’dan weet ik met volstrekte zekerheid, dat de post mij des ander daags enige brieven van lezeressen brengen zal, die verklaren in hun diepste geloofsovertuiging te zijn geschokt en concluderen dat ‘Kronkel te ver is gegaan’. er zijn in elke lezerskring van elk dagblad nog een aantal eksterogen,waarnaar je slechts hoeft te wijzen, om het gekerm te doen opstijgen.
Wat moet je doen?
Al die eksterogen vermijden?
Dat wordt een zeer benauwde eierdans, die er alleen toe leidt, dat de lezerselke avond geeuwend zeggen: ‘Nou, hij is in ieder geval niet te ver gegaan.’Niet tot aan mijn tenen. En zelfs niet tot aan de tenen van tante Coba uitBreda, die zo lang zijn dat ze reiken tot boven Moerdijk.
Nu zegt u misschien: ‘Gaat jou dan nooit iets te ver? Natuurlijk. Sommige dagsluiters gaan me te ver als ze menen ernstige menselijke problemen te kunnen afhandelen met een flets, populair uit een opmerkelijke ongeïnspireerdheid opgeboerd causerietje. De sierhuppeltjes waarmee Vlaamse presentatrices schijnen te moeten zijn toegerust gaan me te ver. En de kir-interviewtjes met lachjes van opgespoten suiker gaan me te ver. Maar het mag allemaal van me, hoor. Als er maar tegenover staat dat er, de andere kant op, ook eens te ver mag worden gedaan.
‘Maar meneer. In uw blad van gisteren ging Kronkel te ver.’
Nou ja, ’t is pas de eerste keer deze maand. Maar Bomans moet uitkijken.
Kronkel [18 november 1963]

Mocht het zo zijn dat ik met het kopiëren van bovenstaande Kronkel te ver ben gegaan, in verband met copyrights en auteursrechten, laat het weten. Dan zal ik de tekst verwijderen. Maar om zo’n nostalgisch, evenwel actueel en grappige tekst alleen in boekvorm te willen delen, vind ik iets te ver gaan. Het is tenslotte al vijfenvijftig jaar geen 1963 meer.

Wereld Aids Dag

In de meest donkere periode van de aidsepidemie in de jaren tachtig van de vorige eeuw, zorgde een vrouw voor honderden mensen wiens familie hen in de steek had gelaten. De persoon die het als een roeping zag om deze mensen te helpen is Ruth Coker Burks. Vandaag een grootmoeder die een rustig leven leidt in de stad Rogers, Arkansas.

Voor Burks was het een missie om in de jaren tachtig voor Aidspatiënten te zorgen. Ongeveer een decennium lang, tussen 1984 en het midden van de jaren negentig en voordat betere hiv-medicijnen en verlichte medische zorg voor Aidspatiënten, zorgde Burks voor honderden stervende mensen,veelal homoseksuelen die door familie in de steek waren gelaten. Ze had geen medische opleiding, maar ze nam ze mee naar hun afspraken, haalde medicijnen open hielp hen om de diverse  formulieren in te vullen. Ze was er voor hen. Burks heeft in deze periode tientallen moeten begraven, nadat nabestaanden hun lichamen weigerden op te eisen. Voor veel van die mensen is zij de enige die de locatie van de graven kent.

Het begon in 1984, in een ziekenhuisgang. Burks, nu 55, was 25 jaar en een jonge moeder toen ze naar het Universitair Ziekenhuis in Little Rock ging om te zorgen voor een vriend die kanker had. In die tijd bracht ze veel tijd door in het ziekenhuis. Zo zag ze opeen dag de deur met een grote, rode zak eroverheen. Het was de kamer van een patiënt. ‘Ik zag de verpleegsters strootjes trekken om te zien wie er naar binnen zou gaan. Vaak werd er smekend gevraagd: ‘Kunnen we niet opnieuw trekken?’’

Burks wist wat het waarschijnlijk was, het was de nieuwe ziekte met de naam GRID (gay related immune disease). Later bekend als AIDS (acquired immune deficiency syndrome). Ze had een homoseksuele neef op Hawaï en ze had hem eens eerder gevraagd naar de verhalen over de homoseksuele plaag. Hij had toen tegen haar gezegd: ‘Dat zijnde leernichten in San Francisco. Dit raakt ons niet, maak je geen zorgen.’ Toch had ze, in haar bezorgdheid over hem, alles gelezen wat ze de afgelopen maanden over de ziekte kon vinden, in de hoop dat hij gelijk had. Of ze nu vanwege nieuwsgierigheid of – zoals ze vandaag gelooft – een hogere macht haar heeft laten besluiten, negeerde Burks de waarschuwingen op de rode deur en sloop de kamer binnen. In het bed lag een zwaar vermagerde jongeman. Moeizaam vertelde hij haar dat hij zijn moeder wilde zien voordat hij stierf.

‘Ik liep naar buiten en de verpleegsters vroegen me: ‘Je bent toch niet die kamer ingegaan?’’ Burks herinnerde zich. ‘Nou ja, hij wil zijn moeder spreken,’ antwoordde ze. ‘Ze lachten en zeiden: ‘Lieverd, zijn moeder komt niet. Hij is hier nu zes weken ener is hier niemand geweest en niemand zal hier ook komen.’ Nee was geen antwoord voor Burks en wist een telefoonnummer van de moeder te achterhalen Ze heeft gebeld, maar voordat ze haar verhaal kon doen werd de verbinding verbroken.‘Ik heb meteen weer gebeld en ik vertelde de vrouw aan de lijn dat als ze nu weer ophangt, ik het overlijdensbericht van haar zoon in de plaatselijke krant zou plaatsen, inclusief de doodoorzaak. Toen had ik haar aandacht.’

Haar zoon was een zondaar, werd haar door de vrouw verteld. Ze wist niet wat er met hem aan de hand was en het kon haar niet schelen. Ze zou niet komen, omdat haar zoon wat haar betreft al dood was. De moeder verklaarde ze zijn lichaam niet eens op te eisen na zijn dood. Het was een uitspraak die Burks in het navolgende jaren keer op keer zou horen. Burks schat dat ze in de loop van de jaren met meer dan duizend mensen met AIDS heeft gewerkt. Daarvan zei ze dat slechts een handvol familieleden hun dierbaren niet de rug toekeerden. Of dit vanwege religieuze overtuiging of angst voor het virus is geweest, weet ze vandaag de dag nog steeds niet.

Burks hing op en probeerde te beslissen wat ze de stervende man zou vertellen. ‘Ik wist niet wat ik hem anders moest vertellen dan dat zijn moeder niet wilde komen. Er zat niets op om hem de waarheid te vertellen. Ik liep terug naar zijn kamer en toen ik naar binnen liep, zei hij: ‘Mama, ik wist dat je zou komen,’ en toen hief hij zijn hand op. Wat moest ik doen? Ik pakte zijn hand en zei: ‘Hier ben ik schat. Ik ben hier.’

Het was zeer waarschijnlijk de eerste keer was dat door een persoon werd aangeraakt, die geen handschoenen droeg, sinds hij in het ziekenhuis was aangekomen. Burks trok een stoel naar zijn bed en praatte tegen hem en hield zijn hand vast. Ze depte zijn gezicht met een vochtige doek en vertelde hem dat ze er was. ‘Ik bleef er 13 uur, terwijl hij zijn laatste adem uitblies.’ Burks heeft tot voor kort niet veel over deze dag gepraat. Mensen vragen haar altijd waarom ze geen angst had. ‘Ik heb werkelijk geen idee. De gedachte bang te zijn kwam nooit bij me op. Ik vroeg het me soms wel af, maar als dit is wat ik moet doen, dan zal ik het doen.

Lees hier het hele verhaal van Ruth Coker Burks.